© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Bij(en)

Priesteressen en vrouwelijke discipelen.

Griekse en Romeinse schrijvers volgden de terminologie van de mysteriën en gebruikten het woord bijen (melissai) voor zowel priesteressen als vrouwelijke discipelen. Zo werd het woord bijen gebruikt voor de priesteressen van Delphi en voor die van andere mysteriën en bij de neoplatonisten waren het zuivere en kuise personen. Honing en nectar zijn symbolen van wijsheid.

Vergilius zegt dat bijen een deel van de goddelijke gedachte hebben waaruit etherische deeltjes stromen en dat het goddelijke de hele aarde doordringt zodat alle wezens de stromen van leven eraan onttrekken (Georgica 4, 320). Het geestelijke of monadische bewustzijn (de nous) laat zichzelf op vele manieren kennen en ditzelfde bewustzijn zit in de mens. Wat later zegt Vergilius dat de bijen worden geboren uit het karkas van een geslachte os of stier. De stier of koe is een symbool van de maan en de maan is altijd een symbool geweest van de psychologische intelligentie of het lagere menselijke denken, waarmee dus wordt verteld dat uit deze perfecte onderdanige (‘geslachte’) stier — het maanlichaam of de psychologische natuur — de ‘bij’ of de discipel wordt geboren, de wil en aandrang om het zonneleven of de geest in te gaan. In de Finse mythologie van de Kalevala is de bij de boodschapper tussen deze wereld en de hogere rijken. In de Scandinavische mythologie speelt de bij opnieuw een belangrijke rol in de levensboom (Yggdrasil).

Bija

(Sanskriet) Bīja soms vīja.

Zaad of levenskiem, van dieren of planten. Esoterisch gezien de eerste of oorzakelijke bron van de drang van het leven om zichzelf tot expressie te brengen.

Of het nu een kosmos of een heelal betreft of het weer tevoorschijn komen van een god, deva, mens, dier, plant of mineraal, of zelfs een elementaal, telkens wordt het zaad of de levenskiem van waaruit elk van deze verschijnt technisch een bīja genoemd en verwijst hier bijna alleen naar de levenskiem van het voertuig zelf, aangezien die de innerlijke drang bezit om tot manifestatie te komen door het zaad of de levenskiem. Zo is de verschijning van een avatara in mystiek en psychologisch opzicht het gevolg van een impuls die opkomt in Maha-Śiva, of in Maha-Vishṇu (net naar gelang de omstandigheden), om een deel van de goddelijke essentie te manifesteren ... Of in een ander geval, als uit de chela de ingewijde wordt geboren tijdens de vreselijke beproevingen die bij de inwijding behoren, de nieuw opgestane Meester wordt naar men zegt geboren uit de mystieke Bija of het Zaad van zijn eigen wezen. (OG 18)

Bijbel

Het joods-christelijke heilige boek.

De Bijbel is noch het letterlijke woord van God dat vertaald is in diverse talen, noch een verzameling van bijgelovige folklore, maar een joodse en laat-Griekse versie van de oude wijsheid uitgedrukt in de oude mysterietaal. Blavatsky rangschikt de Bijbel onder de algemene esoterische werken waarvan de geheime symboliek ook kan worden teruggevonden in de Indiase, Chaldeeuwse en Egyptische geschriften. De oorspronkelijke Hebreeuwse Bijbel is voor slechts een klein deel bekend aan zijn talmoedische en kabbalistische vertalers. Het oorspronkelijke geloof van Israël was niet wat ervan is gemaakt door hen die graag de geheime leer wilden veranderen in een nationale exoterische religie — door David, Hizkiah en de latere talmoedisten. Om het spoor van de oude gnosis terug te volgen, hoe die was overgedragen, aangepast, getransformeerd, misvormd en toch mysterieus genoeg behouden bleef, is een klus waar een wetenschapper zijn tanden op stuk zal bijten.

De echte Hebreeuwse Bijbel was een geheim boek, dat aan het volk onbekend was, en zelfs de Samaritaanse Pentateuch is veel ouder dan de Septuagint. Van eerstgenoemde hebben de kerkvaders zelfs nooit gehoord. (IU 2:471)

Als het om de geschiedenis gaat is de Bijbel een allegaartje van documenten die in verschillende perioden bij elkaar zijn gezet, soms niet meer dan een allegorie, zoals in het verhaal van de schepping of deels allegorisch en deels letterlijk, als in het verhaal van de zondvloed, aangepast om de heilige verhalen te kunnen behouden. Het is opmerkelijk dat de christenen boeken als Ezechiël — dat zo overduidelijk een esoterisch werk is en zo onbegrijpelijk volgens de gewone leerstellige lijnen — of de psalmen van David, het Boek Prediker en het Boek van Job blijven bewaren.

Wanneer het om het Nieuwe Testament gaat zijn de evangeliën esoterische boeken waarin de leringen van de oude wijsheid zijn opgenomen rond het aangenomen verhaal van de missie van Jezus, een leraar die op een iets eerdere datum leefde dan die aan hem wordt toegeschreven. De epistels van Paulus zijn het werk van iemand die zich min of meer erop kan beroepen een ingewijde te zijn geweest, die spreekt over Christus als de logos in de mens en overduidelijk niets weet van het levensverhaal van Jezus zelf. De Openbaring van Johannes is een zuiver symbolisch esoterisch werk, langs kabbalistische lijnen geschreven, maar maakt vreemd genoeg nog steeds deel uit van de christelijke canon.

Bimba

(Sanskriet) Bimba Soms Vimba, Vimva.

Een beeld of weerspiegeling. Ook vaak gebruikt voor de schijf van de zon of maan en derhalve voor een bal of halve cirkel.

Binah

Klik hier voor grote weergave

(Hebreeuws) Bīnāh

Inzicht, vrouwelijk bewustzijn of verstand. De derde sefira, die in de Kabbalah uitstraalt uit de tweede sefira, hokhmah (ḥokhmāh) — hoewel er ook wordt gezegd dat de tweede en de derde sefiroth tegelijkertijd en dus gezamenlijk uitstraalden. Binah wordt gezien als een passieve kracht of de vrouwelijke kant, vandaar dat die de grote Moeder wordt genoemd, de grote productieve Moeder (’Imma) voor eeuwig verenigd met Vader (’Ab) voor het voortbestaan van het heelal; de hemelse Moeder om het onderscheid te maken met malkhūth, de lagere moeder, bruid en koningin; de hogere shekinah (shĕkhīnāh) en de grote zee. De goddelijke naam ervan luidt YHWH of IHVH, wat de Tetragrammaton is terwijl die in de orde van engelen wordt voorgesteld als de ’Er’elim (helden) (Zohar ii, 43a).

Binah vormt het hoofd van de linkerzuil van de sefiroth-boom; terwijl wanneer toegepast op het menselijk lichaam die soms wordt gezien als overeenkomend met het hart en bij anderen, minder juist geplaatst, met de linkerschouder. Uit binah emaneert de vierde sefira, hesed (ḥesed), die overeenkomt met de rechterarm.

Binnenronde

Een binnenronde staat voor de passage van de tien klassen of menigten van monaden door alle bollen die een planeetketen vormen. Een binnenronde begint op de hoogste bol en gaat voort en rond door alle bollen en eindigt met de bol waarop de levensgolven voor het eerst begonnen. Dezelfde reis wordt gemaakt door de geestelijke monade na de dood.

Zo’n complete rondgang van de levensgolven op elk en ieder van de bollen van een planeetketen wordt een planetaire ronde of ketenronde genoemd, terwijl de passage van een volledige levensgolf door een bol, voordat die naar de volgende bol gaat, een bolronde wordt genoemd. Zeven of twaalf van zulke bolronden vormen een planeetronde. Elke levensgolf gaat zeven keer langs elke bol wat een wortelras wordt genoemd.

Zie ook Buitenronde; Ronde

Biogenese

[van Grieks bios leven + genesis voortbrenging]

Biogenese is het uitgangspunt dat leven alleen voort kan komen uit leven. Het ene Leven dat ook de bron is van mineralen, plantaardige en dierlijke entiteiten en functies, manifesteert zich op de verschillende gebieden door middel van geschikte voertuigen — atomen of monaden — waarin het min of meer latent aanwezig is of actief. Hieruit volgt dat de moderne wetenschappelijke wet van biogenese is gebaseerd op een verkeerde zienswijze.

Zie ook Spontane voortbrenging

Bios

(Grieks) Leven.

Soms wordt bios vergeleken met het Sanskrietwoord prana in het overzicht van de menselijke beginselen, maar dan komt het Griekse zoé (ζωή), met zijn betekenis van vitaliteit of levensenergie misschien toch meer overeen met de betekenis van prana — meer dan bios, dat vaak toch eerder een manier van leven betekent.

Birs-Nimrud

Moderne naam van een oude Babylonische ziggurat of tempeltoren van het oude Borsippa.

Zelfs tegenwoordig is het nog een opvallende enBirs-Nimrud, met inzet hoe het gebouw aan de oostzijde na restauratie eruit moet hebben gezien. indrukwekkende ruïne in Irak, gelegen op de top van een heuvel van meer dan 30 meter hoog. Een trapvormige piramide met de naam ‘het huis van de zeven onderverdelingen van hemel en aarde’ dat is opgedragen aan Nebo, de oude Chaldeeuwse god van wijsheid. Elk van de zeven onderverdelingen of stadia was opgedragen aan een van de zeven planeten en de gevel was oorspronkelijk uitgevoerd met stenen in de kleur van de betreffende planeet.

Bisschopsstaf

Maakt deel uit van de insignes van bisschoppen en abten van de rooms-katholieke kerk.

De bisschopsstaf is, naar wordt gezegd, overgenomen van de auguren van Etrurië. Men neemt aan dat het een herdersstaf moet voorstellen en refereert aan Christus als de Goede herder met zijn toevertrouwde functie. Maar als we die vergelijken met de staf van de aartsbisschop, die een kruis aan het einde heeft, lijkt het eerder aannemelijk dat die een van de oude geometrische symbolen moet uitbeelden, misschien die van de slang? Sommige Egyptische godheden worden afgebeeld met scepters in de vorm van een haak* of wat er op lijkt: en die is altijd in de handen van Osiris te zien, vooral in zijn rol als de rechter van de onderwereld. De fundamentele betekenis van de haak was die van de spirituele en intellectuele dynamische energie of kracht die naar voorkeur door zijn houder, of degene die die in eigendom had, kon worden gebruikt.

*OV: Sommigen beweren dat de haak een verwijzing is naar het begrip kama, begeerte, gehechtheid. Het is de haak die niet los wil laten.

Bloed

Het bloed is de levenskrachtige vloeistof die circuleert door het hart, de bloedvaten en slagaderen en brengt daarmee voedsel naar alle delen van het lichaam én voert afvalstoffen af, verwijdert die uit het systeem. Maar het occultisme gaat veel verder dan deze kort omschreven waarheid en zegt dat het bloed het Leven is, wanneer dat wordt vergeleken met de spirituele en psychologische levenskrachten die door het zonnestelsel circuleren. Blavatsky zegt ...

(a) dat de zon de voorraadschuur van de vitale kracht is, die het noumenon van is; (b) dat uit zijn geheimzinnige, nooit te doorgronden diepten die levensstromen voortkomen die door de Ruimte en door het organisme van ieder levend wezen op aarde trillen ...
 Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door ons stelsel, waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in het menselijke lichaam circuleert; ... Zou men het menselijke hart lichtgevend, en het levende en kloppende orgaan zichtbaar kunnen maken, ... dan zou iedereen het verschijnsel van de zonnevlekken iedere seconde herhaald zien, door zijn samentrekking en het stromen van het bloed. (SD 1:531, 541-2)

In deze stromen van levend zonnevuur is een analogie zichtbaar van dat wat omlaag getransformeerd wordt tot de vitale elektriciteit op aarde, maar ook van de psychologische en astraal-fysieke ‘rivieren’ van leven van de maan die een invloed hebben op de voortplanting en alles dat op aarde groeit. Als het gaat om de chemische samenstelling wordt gezegd dat het plasma, of het vloeibare deel van het bloed, ooit gelijk moet zijn geweest aan het oorspronkelijke zeewater uit de oertijd, het water van de oceanen zou sindsdien geconcentreerder zijn geworden.

Het bloed is zeer veranderlijk wanneer het op dit gebied de stromen van hogere vitaliteit vertegenwoordigt die te herkennen is in lichaam, ziel en geest. Aldus is pranisch zuurstof de vertegenwoordiger van het zonnevuur, zijn witte en rode deeltjes vertegenwoordigen de psychologische vitaliteit en de rode energieën van kama. Zij werken samen in hun stoffelijke vormen. De leukocyten of witte bloedlichaampjes worden gevormd in de lymfeklieren, in de milt en in het beenmerg. Zij komen in één opzicht overeen met de maan-chhaya’s of bouwers van de etherische vormen van het tweede en vroege derde wortelras die ...

geen warm bloed, geen atmosfeer en geen voedsel nodig hadden. (SD 1:609)

Deze bolvormige amoeben hebben zowel de oorspronkelijke, veranderlijke vorm van een puddingzak en de zelfvoortbrengende aard als het om voortplanting gaat. Hun relatie tot de ontwikkeling van de rode bloedcellen typeert die van de vroege astrale vormen die geleidelijk lichamelijk werden en zich ontwikkelden tot roodbloedige, dubbel geslachtelijke, met manas begiftigde wezens van het latere derde wortelras. De rode bloedcellen, zonder zelfvoortbrengende kernen, worden geboren in speciale leukocyten van rood beenmerg, waar ze worden gevormd in hetzelfde tempo waarmee de uitgeputte rode bloedcellen worden vernietigd.

In de mens worden de pranische levensstromen bevrucht met de manasische kwaliteit van de agnishvatta’s. De laagste elementen van kama-prana worden gebruikt voor de bloedoffers en de offerplechtigheden van voodoo-rituelen en andere vormen van zwarte magie:

Bloed brengt schimmen voort en zijn emanaties verschaffen bepaalde geesten de materialen die nodig zijn om hun tijdelijke verschijning te vormen. ... Paracelsus schrijft dat men door middel van de dampen van bloed elke geest die men wil zien, kan oproepen; want uit de emanaties daarvan zal hij voor zichzelf een uiterlijke verschijning, een zichtbaar lichaam opbouwen — maar dit is toverij. (IU 2:567)

De oude Grieken zeiden dat een goddelijke vloeistof of ichor door de aderen van de goden stroomde. Wij zijn voorbestemd om in de verre toekomst lichamen te ontwikkelen die geen bloed hebben zoals wij dat nu kennen, maar waarin edeler stromen van bewust leven zullen circuleren.

Bloedrituelen

Onder bloedrituelen verstaan we ceremonieën, convenanten en rituelen waarbij bloed wordt gebruikt als een bestanddeel van de rite of plechtigheid.

De esoterische traditie leert dat de ‘bloed’-rituelen zo oud zijn als het derde wortelras en in een definitieve vorm zijn vastgelegd door het vierde ouderras ter nagedachtenis aan de scheiding van de androgyne mensheid, hun voorouders, in mannen en vrouwen. (BCW 8:251)

Wat voor heilige betekenis ook aan deze eerste of belangrijke herdenking van de etherische vormen en krachten van die androgyne mensheid kan zijn gegeven, die gescheiden en stoffelijker werd en warmbloedige lichamen ontwikkelde, is nu compleet vergeten, verkeerd begrepen of misvormd door de exoterische rituelen die aan ons zijn doorgegeven.

In de oude mysteriën en in de esoterische leringen van de grote religies vinden we verwijzingen naar de deelname aan het vlees en bloed in een zuiver symbolische betekenis waar het mystieke idee leefde dat door het deelnemen aan de wijsheid en het gaan begrijpen door vereniging met de godheid waarvan de naam werd gebruikt en waarbij zo’n vereniging tot stand werd gebracht tijdens de inwijding, de communicant daardoor geestelijke kracht verwierf en een edeler leven zou gaan leiden, wat al gewoon was voor de inwijder.

De antithese van deze verheven ideeën ligt aan de basis van dit wijdverspreide bestaan van bloedrituelen. In feite onderstrepen de vele bloedceremonieën van zoveel mensen dat ze vaak grof, wreed, bedorven of ontaard zijn en dat ze de heiligheid van het leven geweld aandoen door het offeren van dieren en mensen. Diverse groeperingen zien bloed als een van de essentiële elementen die moeten worden gebruikt in hun vele vormen van inwijdingen, offerandes, oproepen van voorouders en geesten van diverse soort en aard. Hun onverzettelijke geloof zegt hun dat de demonen of geesten die door die ceremonieën worden opgeroepen kwaadaardig zullen zijn als ze niet worden verzoend. Dat ze tevreden en verzadigd zullen zijn door de onstoffelijke essenties, geuren of dampen van voedsel, alcohol en offerbloed is niet zonder een goede grond, want de aan de aarde gebonden kama-rupische entiteiten en astrale elementaren worden erdoor aangetrokken en kunnen voor ons ongrijpbare kama-pranische levenskrachten halen uit de dampen en emanaties van zulke offers. Deze overtuigingen komen overeen met veel primitieve tradities en riten die boosaardige entiteiten aantrekken en die in hun eigen astrale atmosfeer opnieuw tot leven brengen. Vaste gebruiken waarbij zogenaamde heksen met gif worden beproefd en een boosaardig aanwending van de krachten van de natuur om persoonlijke vijanden te treffen of te vernietigen, naast herhaalde aanroepingen, zorgen voor een vicieuze cirkel van oorzaak en gevolg.

Bloedtransfusie

Als een persoon als bloeddonor wordt geaccepteerd is dat omdat zijn bloed past bij dat van de ontvanger, maar er wordt absoluut geen rekening gehouden met de subtiele actieve en latente persoonlijke en karmische kwaliteiten die worden overgedragen uit de levensstroom van de donor. De veranderlijke invloed van bloed waarin de persoonlijkheid zit opgeslagen en die als zodanig direct wordt overgebracht en overgaat naar een ander persoon, heeft een grotere macht dan wanneer het zelfs maar zou worden gedronken. Labora­torium­onderzoek van op het oog gezond bloed zal nooit de slapende zaden van karmische ziekten of van mentale of psychologische problemen laten zien — als ze niet vernietigd worden wanneer ze worden overgebracht naar een totaal andere levenskrachtige cultuur of omgeving — die na verloop van tijd tevoorschijn zullen komen. Maar wat ernstiger is, is dat een bloedtransfusie een toename van een abnormale activiteit van zulke ontkiemende zaden kan laten zien die met de lichamelijke conditie en de problemen in het leven van de donerende persoon samenhangen. Als hij spreekt over de esoterische leringen met betrekking tot de invloed van lichaamsweefsels op de ziel, zegt W.Q. Judge:

Wij beweren dat de bloedcellen en het vocht waarin ze zweven, gewaarwordingen ontvangen en overbrengen.
 Naast het ontvangen en overbrengen van gewaarwordingen heeft elke onderafdeling van het fysieke omhulsel ook het vermogen de herinnering aan deze gewaarwordingen te bewaren, die dan in de daarvoor bestemde zenuwknoop wordt vastgelegd, en van daaruit voortdurend naar het overeenkomstige gevoels- en actiecentrum in het astrale lichaam wordt overgebracht. Tegelijkertijd hebben de fysieke hersenen, zoals algemeen bekend is, altijd het vermogen alle fysieke gewaarwordingen en indrukken te verzamelen. (Theosofische inzichten 501)

Bloedtransfusie is een onbewuste herinnering van Atlantische praktijken.

Boaz

(Hebreeuws) Bo‘az [van in + ‘oz macht, sterkte, waardigheid, majesteit]

Kracht, waardigheid, majesteit. Boaz is een figuur in het Oude Testament maar ook de linker zuil die was opgericht door de zoon van de weduwe van Hiram voor de tempel van Salomo (1 Koningen 7:21). In de Kabbalah staat Boaz voor de derde sefira, binah (intelligentie of verstand). De zuil aan de rechterzijde droeg de naam Jachin (standvastigheid, stabiliteit). De twee zuilen werden gewoonlijk en respectievelijk afgebeeld in wit en zwart (of donkergroen) en komen overeen met het hogere en lagere ego of het tweevoudige manas.

Bod-lhas

(Tibetaans) [van bod (bö) Tibet + lha (hla) geest, goddelijk wezen (vgl. Sanskriet deva)]

De naam van de hoofdstad van Tibet, Lhasa [Tib lha-sa plaats van de goden].

Bod-pa

(Tibetaans) [van bod (bö) Tibet + pa verbonden met een persoon]

Een bewoner van Tibet, een Tibetaan.

Bodha

(Sanskriet) Bodha [van de werkwoordstam budh een begrip ergens van krijgen, ontwaken, weten]

Wijsheid, kennis, waarneming, bewustzijn. Als een bijvoegelijk naamwoord, weten, begrijpen, ontwaken. Als naam, de wetenschap die vermenselijkt is voorgesteld als een zoon van Buddhi.

Bodhi

(Sanskriet) Bodhi [van de werkwoordstam budh het gaan begrijpen, ontwaken]

Perfecte wijsheid of verlichting, ware goddelijke wijsheid. Een bewustzijnstoestand waarin een persoon zijn denken zo heeft leeggemaakt dat het alleen met het zelfloze zelfschap van het eeu­wi­ge is gevuld. In deze toestand verkrijgt iemand de on­uit­sprekelijke visioenen van de werkelijkheid en van zuivere waarheid. Bodhi is een naam voor het verlichte intellect van buddha.

‘Bodhi’ is eveneens de naam van een bijzondere trance samadhi genoemd; tijdens deze bereikt het subject het hoogtepunt van geestelijke kennis. (SD 1:xix)

De bodhi-toestand wordt een boeddha­ genoemd en het orgaan waarin en waardoor het gemanifesteerd wordt, wordt buddhi genoemd.

Bodhi is ook een naam voor de mystieke boom waaronder Gautama Boeddha volgens de legende de verlichting bereikte, ook bekend als de heilige vijgenboom van India.

Zie ook Asvattha

Bodhi-boom

Ook Bo. De boom van wijsheid of kennis, de boom (Pippala of Ficus religiosa) ...

waaronder Sakyamuni zeven jaar lang mediteerde en het boeddha­schap had bereikt. De boom, zo wordt beweerd, zou oorspronkelijk rond de 120 meter hoog zijn geweest; maar toen Hiouen-Tsang die zag rond het jaar 640 van onze tijdrekening, was die maar 15 meter hoog. Zijn stekken zijn door de gehele boeddhistische wereld heen verspreid geraakt en aan de voorzijde van bijna elke vihara of beroemde tempel in China, Siam, Sri Lanka en Tibet geplant. (TG 59)

De legende van de enorme hoogte die de vijgenboom, waaronder de Boeddha de verlichting had bereikt, zou hebben gehaald, laat zien hoe snel een spiritueel beeld van de werkelijke betekenis van de bodhi-boom een rol is gaan spelen in een mythologisch wonder.

Hoewel de historische legende van de Boeddha die alwetendheid bereikte onder de bodhi-boom historisch juist kan zijn, is het in de mysterietaal gebruikelijk op een andere manier uit te drukken dat Gautama de allerhoogste wijsheid en kennis onder de ‘wijsheidsboom’ bereikte en hij door inwijding in de hoogste graad van de mysteriën het stadium van boeddha­schap had bereikt, omdat hij al een boeddha­ was door innerlijke ontwikkeling.

Bovendien werden in India adepten van zowel het rechter- als het linkerpad vaak bomen genoemd, het pad gaf aan of de genoemde boom weldadig of schadelijk was.

Zie ook Asvattha

Bodhidharma

(Sanskriet) Bodhidharma [van bodhi wijsheid + dharma wet, spirituele ethiek]

Wijsheidsreligie, de wijsheid die een rol speelt in de leringen met betrekking tot de werkelijkheid. Ook een grote arhat, Kshatriya (460?-534), die naar China was gegaan om daar met veel energie boeddhistische leringen te verspreiden. Men zegt dat zijn goeroe, Panyatara, hem de naam Bodhidharma heeft gegeven om zijn begrip (bodhi) van de Wet (dharma) van de Boeddha te onderstrepen.

Bodhisattva

(Sanskriet) Bodhisattva [van bodhi wijsheid + sattva essentie]

Hij waarvan de essentie begripsvermogen is geworden. Exoterisch, iemand die na een of meerdere incarnaties een boeddha­ zal worden. In occulte zin is een mens een bo­dhi­satt­va wanneer ...

hij het stadium heeft bereikt waarop zijn ego volledig bewust wordt. Zo volledig bewust van zijn innerlijke goddelijkheid dat hij wordt omhuld door de buddhische straal en de persoonlijke mens als het ware zijn mantel van innerlijke onsterfelijkheid op dat moment, op deze aarde, hier en nu, heeft opgenomen — die man is een bo­dhi­satt­va. Zijn hogere beginselen hebben bijna nirvāṇa bereikt. Als ze dat uiteindelijk doen wordt zo’n man een Boeddha, een menselijke Boeddha, een Manushya-Boeddha. Het mag duidelijk zijn dat als zo’n bo­dhi­satt­va zou reïncarneren hij in de volgende incarnatie of in slechts een paar toekomstige incarnaties, een Manushya-Boeddha zal zijn. Een boeddha­ is in de esoterische leringen iemand waarvan zijn hogere beginselen niets meer kunnen leren. Zij hebben nirvāṇa bereikt en blijven daar, maar de geestelijk ontwaakte persoonlijke mens, de bo­dhi­satt­va, de persoon die halfgoddelijk is geworden, om het maar in gewone woorden te zeggen, blijft op aarde uit medelijden en compassie met de lagere wezens in plaats van het nirvāṇa van een mindere graad als beloning te kiezen en wordt, wat zo wordt genoemd, een nirmāṇakāya ... een bo­dhi­satt­va is de vertegenwoordiger op aarde van een dhyani-boeddha­ of hemelse boeddha­ — met andere woorden, iemand die een incarnatie of expressie is geworden van zijn eigen goddelijke monade. (OG 19)

De dhyani-boeddha­’s die ieder over een van de ronden en de grote wortelrassen op de verschillende bollen van onze planeetketen waken, sturen — zo wordt gezegd — hun bo­dhi­satt­va’s, hun geestelijke of menselijke contactpersonen, gedurende elke ronde en elk ras.

Deze Dhyāni-Boeddha’s emaneren of scheppen door de kracht van dhyāna uit zichzelf hemelse Zelven – de bovenmenselijke bo­dhi­satt­va’s. Deze incarneren als stervelingen aan het begin van iedere menselijke cyclus op aarde en worden in incidentele gevallen, dankzij hun persoonlijke verdienste, bo­dhi­satt­va’s onder de zonen van de mensheid, waarna zij opnieuw als mānushi-(menselijke) Boeddha’s kunnen verschijnen. (SD 1:571)

 De exoterische leer zegt dat iedere Dhyani-Boeddha het vermogen bezit om uit zichzelf een eveneens hemelse zoon te scheppen – een Dhyani-bo­dhi­satt­va – die na het sterven van de manushi-(menselijke) Boeddha het werk van deze moet uitvoeren. Deze leer berust op het feit dat tengevolge van de hoogste inwijding, verricht door degene die wordt overschaduwd door de ‘geest van Boeddha’ ... een kandidaat feitelijk een bo­dhi­satt­va wordt, daartoe door de Hoge Inwijder verheven. (SD 1:109)

Bodhyanga

Sanskriet Bodhyaṅga [van bodhi wijsheid + aṅga ledemaat, deel, verdeling]

Een ledemaat of tak van essentiële wijsheid. Vaak samen gebruikt om een tak of richting van esoterische kennis of wijsheid aan te duiden, normaal gesproken in een reeks van zeven:

1. smriti geheugen;

2. dharma-pravichaya onderzoek — dus een juist begrip van, of visie op, de Wet;

3. virya energie;

4. priti geestelijke vreugde;

5. prasrabdhi vertrouwen, kalmte;

6. samadhi absorptie van het bewustzijn met een hoog geestelijk en intellectueel doel voor ogen; en

7. upeksha absolute onverschilligheid.

Esoterisch komen deze overeen met de zeven toestanden van bewustzijn (TG 59).

Boeddha

(Sanskriet) Buddha [van de werkwoordstam budh beseffen, begrijpen, zien, ontwaken, het herwinnen van bewustzijn]

De ontwaakte, de verlichte, iemand die geestelijk is ontwaakt, iemand die één is geworden met zijn allerhoogste zelf (paramatman).

Om een Boeddha te worden moet iemand de slavernij van waarneming en persoonlijkheid verbreken om een werkelijk allesomvattende visie op het werkelijke zelf te krijgen en zichzelf niet af te scheiden van alle andere zelven. Hij moet door middel van ervaring de absolute onwerkelijkheid van alle fenomenen van de zichtbare Kosmos als het allerbelangrijkste feit leren kennen om een volledige onthechting van alles dat vluchtig en eindig is te bereiken en hier op aarde alleen te leven in het onsterfelijke en het altijd blijvende, in de allerhoogste heilige toestand. (TG 64-5)
  
Een boeddha­ is volgens de esoterische traditie iemand waarvan de hogere beginselen niets meer kunnen leren in dit manvantara, zij hebben nirvāṇa bereikt en blijven daar. Maar dit betekent niet dat de lagere bewustzijnscentra van een boeddha­ in nirvāṇa zijn, want het tegendeel is waar. En het is dit gegeven dat een boeddha­ van mededogen in staat stelt in de lagere gebieden van het zijn te blijven als de hoogste gids en leraar van de mensheid, waarbij die bijna altijd leeft als een nirmāṇakāya. (OG 33-4)

Zie ook Gautama

Boeddha van mededogen

Iemand die het recht op nirvāṇa heeft verworven en daarvan afziet en terugkeert om alle levende wezens te helpen.

Zij zijn mensen die zichzelf omhoog hebben gewerkt vanaf het menselijke naar het quasi-goddelijke en dit hebben zij gedaan door het licht dat in henzelf zit opgesloten, het licht van de innerlijke god, vrij te laten stromen, naar buiten te laten komen door de persoonlijkheid van die mens, door de menselijke ziel van die mens. Door opoffering en achter zich te laten van alles dat laag en verkeerd is, wat onwaardig, eerloos, kleinzielig en egoïstisch is: door het openen van de innerlijke natuur zodat de god van binnen kan schijnen. Met andere woorden, door zelfgeleide evolutie hebben ze zichzelf omhoog gewerkt van het gewone menszijn en zijn goddelijke mensen, mensgoden geworden — menselijke godheden.
 Ze worden ‘Boeddha’s van mededogen’ genoemd omdat zij hun eenheid met alles dat is voelen en daarom een innige magnetische sympathie voelen met alles dat is en dit wordt meer en meer het geval als ze zich ontwikkelen, totdat hun bewustzijn zich uiteindelijk mengt met dat van het heelal en eeuwig leeft en niet meer sterft, omdat het één is met het heelal. ‘De dauwdruppel glijdt in de schitterende zee’ — zijn oorsprong ... De Boeddha’s van compassie bestaan in hun verschillende graden van ontwikkeling en vormen een geweldige hiërarchie die zich uitstrekt van de Stille Wachter op onze planeet omlaag door de diverse graden onder zichzelf en zelfs daar voorbij naar hun chela’s of leerlingen. (OG 23-4)

Zij zijn het tegenovergestelde van de pratyekaboeddha­’s, die geestelijke bevrijding alleen voor zichzelf als doel hebben en die het nirvāṇa niet afwijzen.

Boeddhakshetra

(Sanskriet) Ook BuddhakshetraBoeddhakṣetra [van boeddha­ ontwaakt + kṣetra veld, terrein, sfeer van handeling]

De sfeer waarin de verlichte actief is. Volgens de theosofie zijn er vier (of zeven) boeddha­kshetra’s of gebieden waarop de boeddha­’s zich manifesteren en hun voortreffelijke werk van liefdadigheid doen die, als we van boven naar beneden tellen als volgt kunnen worden beschreven:

1) de rijken waarin de dhyani-boeddha­’s leven en werken;

2) de rijken waarin de dhyani-bodhisttva’s leven en werken, die door Blavatsky ‘het domein van ideeënvorming’ wordt genoemd;

3) de rijken van de manushya-boeddha­’s, waarin zij werken als nirmāṇakāya’s; en

4) het terrein van handeling waarin de menselijke boeddha­’s werken, de gewone menselijke wereld — onze stoffelijke bol.

Elke geïncarneerde boeddha­ leeft en werkt in de vierde of laagste boeddha­kshetra, zoals Gautama Boeddha dat deed; maar tezelfdertijd en meer in het bijzonder toen hij zijn lichaam terzijde had gelegd, kon hij als hij dat wilde leven en werken op het volgende hogere boeddha­kshetra als een nirmāṇakāya; op dezelfde manier, als een dhyani-bo­dhi­satt­va in zijn hogere tussenliggende geestelijk-psychologische beginsel, kan hij als hij dat verkiest werkzaam zijn in het volgende hogere boeddha­kshetra; terwijl als laatste de dhyani-boeddha­ in hem leeft en zijn eigen geweldige werk verricht op de hoogste boeddha­kshetra’s als een dhyani-boeddha­. Hier vinden we de ware uitleg van de vele schijnbaar tegenstrijdige verklaringen die er over de verschillende soorten boeddha­’s en hun diverse plichten of functies, zoals die worden gevonden in de boeddhistische geschriften, zijn gemaakt, vooral die in de Mahayana-geschriften van Centraal- en Noord-Azië.

Elk van de trikaya (drie lichamen of voertuigen) — de dharmakaya, sambhogakaya en nirmāṇakāya — heeft zijn respectievelijke plaats en functie op en in de drie hogere van de boeddha­kshetra’s: de dharmakaya is het lichtgevende of geestelijke lichaam of voertuig waarin de dhyani-boeddha­ leeft en werkt op de eerste en hoogste boeddha­kshetra; de dhyani-bo­dhi­satt­va leeft en werkt op een vergelijkbare manier in het geestelijk/intellectuele lichaam of voertuig dat de sambhogakaya wordt genoemd, op de tweede van de boeddha­kshetra’s; terwijl de manushya-boeddha­, actief is in zijn nirmāṇakāya-kleed of gewaad, voertuig of lichaam, als die aan het werk is op de derde boeddha­kshetra. De laagste buddhakshetra is die waarin de menselijke boeddha­ is gekleed in zijn lichaam van vlees als een geïncarneerd wezen.

Boedhisme

Ook Boedhaïsme [van Sanskriet budha wijsheid]

De leringen van de goddelijke filosofie, die in India budha (esoterische wijsheid) wordt genoemd. Boedhisme is gelijk aan het Griekse woord theosophia. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt met ‘boeddhisme,’ de filosofie van Gautama Boeddha, hoewel die een directe en zuivere afgeleide is van boedhisme.

Jacob Boehme of Böhme (1575-1624)

Duitse mystieke filosoof van naam, een van die individuen die getuigen van een ongewoon geestelijk inzicht door uitstekend karma uit het verleden en die in het bijzonder worden beschermd door de Grote Loge voor de voorbereiding van een toekomstig werk. In zijn kindertijd was hij een herder en werd later, nadat hij lezen en schrijven had geleerd, een schoenmaker.

Hij was een helderziende van geboorte en bezat wonderbaarlijke vermogens. Zonder opleiding of enige kennis van wetenschap schreef hij werken waarvan nu is aangetoond dat ze vol wetenschappelijke waarheden zitten; maar toen, zoals hij zelf zegt, schreef hij over ‘wat hij zag als in een grote Diepte in het Eeuwige.’ Hij had ‘een diepzinnige kijk op het heelal, als in een chaos,’ dat ‘van tijd tot tijd zichzelf in hem opende, als in een jonge plant.’ Hij was een door en door geboren mysticus en wat duidelijk mag zijn, met een constitutie die zeer zelden wordt gezien. Een van die gevoelige naturen waarvan de stoffelijke schil op geen enkele manier een belemmering vormt voor de directe communicatie, zelfs als het maar zo nu en dan is, tussen het intellectuele en het spirituele ego. Het is dit Ego dat Jacob Boehme, zoals dat bij veel ongetrainde mystici te zien is, aanzag voor God; ‘De mens moet inzien,’ schrijft hij, ‘dat zijn kennis niet van hemzelf is, maar van God, die de Ideeën van wijsheid aan de ziel van de mens kenbaar maakt, in die mate dat het Hem bevalt.’ Zou deze grote theosoof kennis hebben kunnen nemen van het oosterse occultisme dan zou hij het anders hebben uitgedrukt. Hij zou dan hebben geweten dat de ‘God’ die door deze arme ongecultiveerde en ongetrainde hersenen sprak, zijn eigen goddelijke Ego was, de alwetende God in hemzelf. En dat wat die Godheid doorgaf niet afhankelijk was van ‘of het hem beviel’ maar afhankelijk was van de capaciteit van de sterfelijke en tijdelijke woning die HET inspireerde. (TG 60)

Er zijn nu en dan gevallen van mensen die in vroegere levens chela’s zijn geweest, maar die op het pad zijn gestruikeld en op een voor hen zeer ongelukkige wijze de verbinding met hun leraar hebben verbroken. Maar door hun vroegere voortreffelijke eigenschappen komen ze, wanneer de volgende of misschien de tweede incarnatie plaatsvindt, in het leven begiftigd met ongewone krachten of vermogens; ze worden geboren met een voorraad vergaarde innerlijke, spirituele, mentale en psychologische ervaringen, die hen licht geven en hen helpen in contact te blijven met de innerlijke god.
 HPB noemde hen de troetelkinderen van de nirmanakaya’s en wijst op Jacob Böhme als voorbeeld. Hij was iemand die door een bepaalde eigenzinnigheid van ernstige aard de schakel had verbroken, maar ver genoeg was gevorderd om de spirituele eigenschappen die hij had verworven niet te verliezen. Hoewel niet meer een rechtstreekse chela, werd er niettemin een wakend oog op hem gehouden, kreeg hij hulp en werd zijn toekomstige vooruitgang voorzichtig gestimuleerd, zodat hij in het volgende leven (of zelfs aan het einde van zijn leven als Jacob Böhme) misschien weer bewust contact maakt of heeft gemaakt. Met andere woorden, Böhme had spirituele ervaringen; hij wijdde zichzelf in vanuit de bron van licht in hem die hij in vroeger dagen had verworven toen hij een aangenomen chela was. In feite is, zoals gezegd, alle inwijding zelfinwijding, zelfontwaking. Een leraar leidt, helpt, bemoedigt, stimuleert en steunt alleen maar. Vgl. De geheime leer, 1:542. (BvhO 63)

Boek van Dzyan

[Waarschijnlijk van het Sanskrietwoord dhyana diepe geestelijke meditatie, wijsheid, goddelijke kennis]

Een archaïsch werk met een enorme ouderdom waarop Blavatsky haar Geheime leer baseerde. Dzyan is op vele manieren gespeld en getranslitereerd, maar in deze vorm is het afgeleid van het Tibetaans. Dzyan, dzen of ch’an is de algemene term voor esoterische scholen en hun literatuur.

Blavatsky beschrijft het Boek van Dzyan en zegt:

Vóór zich ziet de schrijfster een archaïsch handschrift — een verzameling palmbladeren die door een bepaald onbekend procédé onaantastbaar zijn gemaakt voor water, vuur en lucht. Op de eerste bladzijde staat een vlekkeloos witte schijf tegen een dofzwarte achtergrond. Op de volgende bladzijde dezelfde schijf, maar met een punt in het midden. (SD 1:1)
 Dit ‘heel oude boek’ is het origineel waaruit de vele delen van Kiu-ti werden samengesteld. Niet alleen dit laatstgenoemde en de Siphrah Dzeniouta, maar zelfs de Sepher Jezirah, dat door de Hebreeuwse kabbalisten werd toegeschreven aan hun aartsvader Abraham(!), het boek Shu-king, China’s oorspronkelijke Bijbel, de heilige boeken van de Egyptische Thoth-Hermes, de Purāṇa’s in India, het Chaldeeuwse Boek van de Getallen en de Pentateuch zelf, zijn allemaal ontleend aan dat ene oorspronkelijke boekje. Volgens de traditie werd het opgeschreven in het Senzar, de geheime priestertaal, naar de woorden van de goddelijke wezens die het bij het eerste begin van het vijfde (ons) Ras dicteerden aan de zonen van het licht in Midden-Azië. Want er was een tijd dat deze taal (het Sen-zar) bekend was aan de ingewijden van ieder volk, toen de voorvaderen van de Tolteken haar even gemakkelijk verstonden als de bewoners van het verloren Atlantis, die haar op hun beurt erfden van de wijzen van het derde Ras, de manushi’s, die haar rechtstreeks van de deva’s van het tweede en eerste Ras hadden geleerd. ... Het oude boek beschreef de evolutie van de kosmos en verklaarde de oorsprong van alles op aarde, met inbegrip van de fysieke mens, gaf de ware geschiedenis van de rassen vanaf het eerste tot het vijfde (ons) Ras en gaat dan niet verder. (SD 1:xliii)

Zie ook Stanza’s van Dzyan.

Chaldeeuwse Boek van Getallen

Een oud Chaldeeuws werk dat niet langer bestaat.

Een werk dat alles bevat dat kan worden gevonden in de Zohar van Simeon Ben-Jochai, en nog veel meer. Het moet vele eeuwen ouder zijn dan dat en is in één opzicht zijn origineel, aangezien het alle fundamentele beginselen bevat die in de joodse kabbalistische werken worden geleerd, maar heeft geen van hun misleidingen. Het is een erg zeldzaam boek, dat is zeker, er bestaan misschien nog twee of drie exemplaren, maar die zijn particulier eigendom. (TG 75)

 Het is een van de ‘Boeken van Hermes’ en er wordt naar verwezen en er zijn citaten uit gehaald in de werken van een aantal oude en middeleeuwse filosofische schrijvers. Deze autoriteiten zijn onder andere te vinden in Arnoldus de Villa Nova’s Rosarium philosophorum; Francesco Arnolphims Lucensis opus de lapide, Hermes Trismegistus’ Tractatus de transmutatione metallorum en Tabula smaragdina, en vooral in de verhandeling van Raymond Lully, Ab angelis opus divinum de quinta essentia. (IU 1:254n)

Bol

12345678910CDABEFGkbleigjfhdacGGCDCDEFEFBAghijklabcdefABFCEDGKama-dhātuRūpa-dhātuArūpa-dhātuTekens van de dierenriemPlaneten– Mercurius– Venus– Zon– Maan– Mars– Jupiter– Saturnus– Libra– Scorpio– SagittariusCapricornus– Aquarius– Pisces – Aries – Taurus– Gemini– Cancer– Leo– Virgo (weegschaal)(schorpioen)(boogschutter)(steenbok)(waterman)(vissen)(ram)(stier)(tweelingen)(kreeft)(leeuw)(maagd)In de theosofische metafysica staat een ‘bol’ voor elke afzonderlijke eenheid of entiteit binnen de samengestelde opbouw van elke planeet of zon, en elke planeet of zon bestaat afzonderlijk uit verschillende bollen en die worden als geheel een planeet- of zonneketen genoemd.

Verder hebben manen, nevelvlekken en kometen ook een zeven- of twaalfvoudige constitutie, net als de mens, die een kopie in het klein is van het heelal. Deze bollen verhouden zich onderling als de monadische centra in de menselijke constitutie. De zeven gemanifesteerde bollen op de vier lagere kosmische gebieden worden gemakshalve A, B, C, D, E, F en G genoemd; maar soms wordt er een meer mystieke verwijzing naar de bollen gemaakt in de vorm van “A tot Z” wat dan duidelijk doelt op álle bollen van de keten. Wanneer we de zeven kosmische gebieden bekijken, zien we twaalf bollen. Deze bollen zijn verwant aan of verbonden met de zeven (of twaalf) heilige planeten en de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem (zie bovenstaande diagram uit BvhO).

De levensgolven, verschillende menigten of massa’s binnen de natuurrijken, zoals de elementalen, mineralen, planten, dieren, mensen, deva’s, boeddha­’s of goden, trekken rond deze bollen in zeven grote cycli die ronden worden genoemd. Elke levensgolf gaat op zijn beurt bol A in, waarbij het laagste natuurrijk begint de bol voor te bereiden voor een hoger ontwikkelde levensgolf. Die laagste levensgolf gaat aldus door zijn levenscyclus op bol A en gaat dan wanneer zijn tijd is aangebroken naar bol B [om die weer voor te bereiden voor de na hem komende levensgolven]. De achter hem aan komende levensgolf die dus één niveau verder ontwikkeld is, begint dan op bol A, gaat daarna verder naar bol B als de eerdere levensgolf naar bol C is gegaan, enzovoorts door de gehele reeks. In onze planeetketen is bol D onze aarde. Drie bollen gaan eraan vooraf op de omlaaggaande boog en drie volgen de omhooggaande boog van evolutie — wat hier verwijst naar de zeven gemanifesteerde bollen. Wanneer de zeven wortelrassen van elk afzonderlijk natuurrijk of levensgolf een bol passeert wordt dat een ronde of bolronde genoemd. Drie bollen gaan op de omlaaggaande boog vooraf aan onze bol en drie bevinden zich ervoor op de hogere gebieden van de omhooggaande evolutieboog — wat hier verwijst naar de gemanifesteerde zeven bollen.

De zeven bollen zijn verwant aan de kabbalistische werelden en sefiroth, zoals Blavatsky heeft uitgelegd (SD 1:200):

Zie ook Planeetketen

Bolronde

In het theosofische jargon wordt er de passage van een levensgolf door zeven wortelrassen op één bol mee bedoeld. Zeven (of tien of twaalf) bolrondes — een op iedere bol van een planeetketen — worden een planeetronde genoemd.

Zie ook Ronde; Binnenronde

Bolvorm

De bolvorm is als gebruikelijk de geometrische vertegenwoordiger van het ene gemanifesteerde Al. Het is het Al dat eenheid, uitgebreidheid, eenvoud en symmetrie betekent. Maar de altijd onbekende grenzeloze moederschoot van de grenzeloze ruimte wordt traditioneel eerder weergegeven met een nul. Alle delen van een bol zijn cirkels, hun oppervlak is in een bepaald opzicht oneindig groot, een gebied dat noch grenzen noch delen kent en daarom misschien alleen meetbaar zou zijn door geometrische wetten. Een evenwicht tussen middel­punt­vliedende en middel­punt­zoekende krachten vormen de bol, zoals in een zeepbel. Zijn middelpunt en zijn oppervlak stellen tegengestelde polen voor waartussen de uitbreidende en samentrekkende energieën hun weg vinden. De aarde is zo goed als bolvormig. De hemel, de grens van ons gezichtvermogen, vormt het oppervlak van een ideale bolvorm, waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is.

De bolvorm die wordt bedoeld met het woord ‘sfeer’ wordt ook gebruikt in de betekenis van een gebied. De betekenis daarvan kent analogieën met de ideeën die behoren bij de cirkel.

Gevleugelde Bol

Een erg oud Egyptisch ontwerp van een bol die wordt gedragen door vleugels, met twee uraei of mystieke slangen aan weerszijden die die bol bevruchten met hun adem. Het symbool staat voor vernieuwing, maar ook voor de passage van het illusoire verleden naar het heden en naar de illusoire toekomst, wat alle dingen met een stoffelijke natuur moeten ondergaan. Het betekent de wedergeboorte van de wereld van pralaya in een manvantara en het opnieuw wegzinken in een pralaya en het opnieuw klapwiekend op weg zijn uit de enorm uitgestrekte moederschoot en diepten van het kosmische ruimtelijke bewustzijn in geïndividualiseerd bestaan. Het betekent de reis van entiteiten van de ene belichaming naar de andere. De bol zelf is een symbool van het centrum van bewustzijn, de vleugels wijzen op de passage door tijd en ruimte: de passage van planeet naar planeet en van planeet naar de zon, van zon naar sterren en weer terug. De twee slangen wijzen op de mystieke vermogens van bewustzijn en wil, van leven en dood.

Bön

(Tibetaans) Ook Bon, Pon en Bhön [mogelijk een variant van bod, Tibet, of een oud woord dat aanroeper betekent]

Bön was de religie van Tibet van voor de invoering van het boeddhisme in de laatste helft van de 8ste eeuw n.Chr. De priesters en volgelingen van bön worden bönpo’s (bön po) genoemd, de oude aanroepers van de voor-boeddhistische en niet-boeddhistische koningen en edelen van Tibet. De bön-religie, die nu nog bestaat, schijnt te zijn ontstaan uit wel vier bronnen: 1) de oude volksreligies van het Ti­be­taanse volk; 2) de traditie van de oude ‘aanroepers’; 3) een bewuste krachtmeting met het boeddhisme met betrekking tot leringen, teksten, instituties, pantheon en rituelen; en 4) een aantal niet-Ti­be­taanse invloeden waaronder Hindoestaanse, Iraanse, Centraal-Aziatische en andere elementen. Bön is in die zin beïnvloed door het boeddhisme en heeft zijn eigen Kanjur en Tanjur, zijn eigen monniken en kloosters en zijn eigen ‘Boeddha’ Shen-rab (gshen rab). Alle bestaande bön-literatuur werd gemaakt na de introductie van het boeddhisme, en laat de invloed van en wedijver met het boeddhisme zien. Bön heeft ook het Ti­be­taanse boeddhisme beïnvloed, vooral de nyingmapa en kargyudpa-sekten.

Bona Dea

Een Romeinse godin die Fauna, Fatua en Oma werd genoemd: de zus, vrouw of dochter van Faunus.

Zij werd vereerd omdat ze kuis en profetisch was. Ze maakte haar orakels alleen bekend aan vrouwen (net als Faunus aan mannen), de viering ter ere van haar viel op de eerste dag van mei en er werd geen enkele man bij toegelaten. Ze was een godin van de landbouw en van herders, ze onthulde bepaalde waarheden over de natuur aan hen die haar in een harmonieuze, synchroniserende gemoedstoestand benaderden. In het algemeen is Bona Dea de godin van vruchtbaarheid en productiviteit, de voortbrengende geest van moederschap. Omdat ze werd beschouwd als de grote producente, die de zaden van alle dingen in haar enorme moederschoot bewaarde, werd ze vaak gezien als Ops, de godin van overvloed, vruchtbaarheid en rijkdom. De ideeën over haar zijn nauw verbonden met Saturnus.

Boodschapper

Een contactpersoon tussen wezens van een hogere en lagere klasse, zoals tussen goden en mensen of tussen de Grote Loge van de Meesters van Wijsheid en gewone mensen.

Er zijn boeddha­’s waarin de gehele natuur vervolmaakt is; er zijn avatara’s, waarin de tussenliggende natuur, of een deel ervan, is weggehaald en vervangen door die van een andere verheven entiteit die ver boven de gewone mensheid staat die er tijdelijk gebruik van maakt voor zijn eigen doeleinden. Er zijn ook lagere boodschappers waarvan de bemiddelende natuur deels — of zelfs geheel — is verwijderd voor een bepaalde tijd, zodat zij de voertuigen kunnen worden voor de doorgifte van licht dat dan niet kan worden verstoord door de inviduele kleuren van hun eigen denken.

Het woord engel, van het Grieks, betekent een boodschapper en in het Westen wordt ernaar verwezen als zijnde de diverse ordes van geestelijke wezens boven de mens. Zoals blijkt uit de werken van Dionysius de pseudo-Areopagiet, werd er in het vroege christendom een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende hiërarchieën van engelen of geestelijke wezens. Maar het christendom heeft al eeuwen geleden deze fundamentele verschillen, die zijn afgeleid van neopythagorese en neoplatonische leringen, zo goed als helemaal vergeten of gewoonweg genegeerd.

Opgaande en Dalende Boog

Ook lichtende en schaduwboog.

Een ontwikkelingscyclus, zoals die van een planeetketen, kan worden opgedeeld in twee delen, het eerste deel van de eerste bol (A) tot aan het midden van de meest stoffelijke bol (D) en het andere deel dat zich uitstrekt van dit middelste en laagste punt omhoog naar de laatste bol. De eerste helft is de dalende of schaduwboog en de tweede is de opgaande of lichtende boog. De dalende boog vertegenwoordigt een involutie van geest en een overeenkomstige evolutie van stof die uitmondt in een progressieve verstoffelijking van geest en een toenemend grover worden of samentrekking van de structuur van stof. De opgaande boog vertegenwoordigt een evolutie van geest en involutie van stof, wat resulteert in een progressieve ontstoffelijking, vergeestelijking of verfijning van de stof als die in een toenemende mate de kwaliteiten van de geest laat zien. En toch zijn geest en stof fundamenteel van één essentie in verschillende stadia van ontwikkeling.