Theosofische Encyclopedische Woordenlijst
© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017

Cadmus

(Grieks) Ook Cadmilus, Kadmilos, Kadmos

Zoon van Agenor, koning van Fenicië en broer van Europa, echtgenoot van Harmonia en vader van Semele. Hij was de legendarische oprichter en eerste koning van Thebes die de draak had verslagen, de tanden ervan in de grond had geplant en de stad had gebouwd met de hulp van enkele van de soldaten die uit de tanden tevoorschijn waren gesprongen. Hij en zijn vrouw werden door de goden in slangen veranderd.

Er wordt van hem gezegd dat hij in Griekenland een alfabet had geïntroduceerd, mogelijk gebaseerd op 16 tekens die ofwel aan het Egyptisch of het Fenicisch waren ontleend. Hij behoort tot een klasse van helden die het bestuur van de goden en halfgoden op aarde had overgenomen en die de ouders en leraren van stervelingen werden. Hermes werd te Samothrake aanbeden als de voorouderlijke god met de naam Cadmus of Kadmilos.

Caduceus

(Latijn) De staf van een boodschapper of heraut.

Vooral de staf van Mercurius of Hermes, god van wijsheid, gelijk aan Thoth. De staf bestaat uit een stok met twee slangen die er in tegengestelde richtingen omheen draaien, waarbij de staarten elkaar onderaan raken en de koppen elkaar bovenaan naderen.

In de Griekse versie zit bovenop de staf een knop, in de eerdere Egyptische vorm was het de kop van een slang waaruit een paar vleugels tevoorschijn kwamen. Uit de middelste kop tussen de vleugels groeien de koppen van de vervlochten slangen (geest en stof) die afdalen langs de levensboom om de neutrale laya-centra tussen de verschillende bestaansgebieden te passeren en zich op aarde te manifesteren waar de twee staarten elkaar raken (SD 1:549-50). De analogie kan in iedere bekende kosmogonie worden gevonden die allemaal beginnen met een cirkel, hoofd of ei dat wordt omgeven door duisternis. Uit deze cirkel van de oneindigheid — het onbekende Al — komen de manifestaties van geest en stof naar voren. Het embleem van de evolutie van goden en atomen wordt beschreven door de twee krachten, positieve en negatieve, opklimmende en afdalende en elkaar ontmoetende. De symboliek ervan is rechtstreeks verbonden met de bollen van de planeetketen en de circulaties van wezens of levensgolven op deze bollen, maar ook met de menselijke constitutie en de toestanden na de dood. Opmerkelijk genoeg is Hermes in de oude Griekse mythologie de begeleider van de zielen na de dood naar de diverse innerlijke sferen van het heelal, zoals de Elysese velden of de weiden van Asphodel.

De caduceus wijst ook op het tweevoudige aspect van wijsheid door middel van de tweelingslangen, agathodaimon en kakodaimon, goed en kwaad in relatieve zin.

Graaf Alessandro di Cagliostro

Een beroemde adept waarvan de werkelijke naam (vol­gens zijn vijan­den) Joseph Bal­samo zou zijn ge­weest. Hij was gebo­ren in Paler­mo en was de leer­ling van een tame­lijk mys­teri­euze buiten­lander [genaamd Al­tho­tas] waar­over weinig met zeker­heid kan wor­den ge­zegd ... zijn werke­lijke ge­schie­denis is nog nooit ver­teld. Zijn lot was dat van ieder mens die be­wijst dat hij meer weet dan zijn mede­schep­selen. Hij werd ‘ge­ste­nigd’ door ver­vol­gingen, leu­gens en in­fame be­schul­digin­gen en toch was hij de vriend en raads­man van de hoog­sten en machtig­sten van elk land dat hij be­zocht. Uitein­delijk werd hij be­recht en ver­oor­deeld in Rome als een ket­ter en zou, zo wordt be­weerd, zijn ge­stor­ven in de ker­ker van een ge­vange­nis ... En toch was zijn ein­de niet ge­heel on­ver­diend, aan­ge­zien hij in enke­le op­zich­ten on­trouw aan zijn ge­lof­ten was geweest, zo zou hij on­trouw zijn geweest aan zijn ge­lofte van kuis­heid en toe heb­ben ge­geven aan ambi­tie en zelf­zucht. (TG 72)

De Purucker schrijft in een toelichting op de vreemde verhalen die rondgaan over Cagliostro en Balsamo ...

Op grond van het door het Vaticaan gepubliceerde document dat het verhaal van de zogenaamde rechtszaak en de veroordeling van Cagliostro bevat, nemen de meeste latere onderzoekers en geschiedschrijvers van de kleurrijke en verbazingwekkende loopbaan van die opmerkelijke man aan dat Cagliostro en Giuseppe Balsamo dezelfde persoon waren.
 Ik kan alleen zeggen dat de geschiedenis van die twee, Balsamo en Cagliostro, een vreemd mysterie inhoudt. Hoe vreemd is de bewering, als ze waar is, dat beiden de naam Pellegrini voerden, wat pelgrims betekent! Hoe vreemd is het dat Giuseppe Balsamo de Italiaanse vorm van de naam Jozef Balm is, wat wijst op een genezende invloed; en dat ‘Balsamo’ al of niet terecht wordt afgeleid van een samengesteld Semitisch woord dat ‘Heer van de Zon’ betekent – ‘Zoon van de Zon’; en de Hebreeuwse naam Jozef betekent ‘vermeerdering’ of ‘groei’ ... Hoe vreemd ook dat Cagliostro een ‘wees’ en ‘het ongelukkige kind van de natuur’ werd genoemd! Iedere ingewijde ... is een‘wees’ zonder vader en moeder, omdat elke ingewijde, mystiek gesproken, `uit zichzelf is geboren. Hoe vreemd is het dat andere namen die Cagliostro, zoals wordt beweerd, op verschillende momenten heeft gebruikt, alle een bijzondere esoterische betekenis hebben! ... Misschien kan ik nog een stapje verder gaan: voor iedere Cagliostro die verschijnt is er altijd een Balsamo. Iedere boodschapper wordt van nabij vergezeld door zijn ‘schaduw’, die in feite niet van hem te scheiden is. Met iedere Christus verschijnt er een Judas. (ASP 30-1)

Calorisch

Volgens een ooit breed gedragen wetenschappelijke theorie over warmte, gaat er, wanneer een heet lichaam warmte overbrengt naar een koud lichaam, van de eerstgenoemde naar de laatstgenoemde een ‘onzichtbare’ stroom die calorisch of flogiston werd genoemd. De warmte die door wrijving wordt ontwikkeld komt tot stand door een calorisch samenknijpen van het lichaam.

Deze theorie, die jaren later verkeerd werd begrepen, werd in de prullenmand gegooid toen was bewezen dat de hoeveelheid warmte die aldus aan een lichaam kan worden onttrokken onbegrensd moest zijn en alleen kon afhangen van de hoeveelheid arbeid die werd gebruikt om die eerst op te wekken. De fout lag in de overweging dat er een vastgestelde, beperkte hoeveelheid calorieën zou moeten zijn, die wanneer die eenmaal eruit was geleid geen calorieën meer overliet om eraan te onttrekken totdat het lichaam die opnieuw had verzameld, waarbij duidelijk werd vergeten dat de theorie van de calorische waarde of flogiston stelde dat calorieën zélf deel uitmaakten van die substantie van stoffelijke dingen, net zoals de moderne elektrische theorie stelt dat stoffelijke substanties zelf door elektriciteit worden gevormd. Men kan net zo goed beweren dat als elk stoffelijk lichaam een zekere hoeveelheid elektriciteit bezit en als dat er eenmaal uit is gehaald, het niet langer een nieuwe voorraad kan aanleggen.

Wetenschappers hadden vanuit een logisch perspectief zonder twijfel gelijk dat ze de calorische theorie vanuit hun standpunt, dat door een verkeerd begrip van de oude theorie ontstond, zouden verlaten. Terwijl het duidelijk mag zijn dat de temperatuur van aan elkaar vastzittende lichamen door een natuurlijk proces van warmteoverdracht, uiteindelijk aan elkaar gelijk zal worden. Gelijk, omdat op een dag de wetenschap zal ontdekken dat elk lichaam door de juiste processen tot een oneindige bron van warmte kan worden gemaakt, wat de uiteindelijke kern van de oude calorische theorie is. Hitte, net zo goed als elke andere vorm van energie, is een van de vormen van levende stof, een manifestatie van kosmische elektriciteit of fohat.

Capricornus

[van Latijn capr geit of bok + cornus hoorn]

De steenbok, vaak mystiek verbonden met de zee. Het tiende teken van de dierenriem. In de astrologie is de steenbok een aards en hoofdteken, een van de twee huizen van Saturnus en de verhoging van Mars. Het lichaamsdeel waar het voor staat zijn de knieën. Het symbool is een hybride monster, vaak met de voorpoten van een bok of antilope en het achtereind van een vis of dolfijn. In sommige stelsels is het een krokodil. Dit teken markeert het uiterste zuidelijke bereik van de zon wanneer die tussen de twee keerkringen beweegt. In de dierenriem van de hindoes staat die voor Makara. Subba Row (The Twelve Signs of the Zodiac) zegt dat ma gelijk is aan het getal 5 en kara betekent hand, zodoende verwijst het woord naar een pentagram. Het kan worden gezien als de objectieve vertegenwoordiging van zowel de micro- als de macrokosmos.

Makara is het mysterieuste teken van de dierenriem en verbonden met de vijfde groep van de hiërarchie van scheppende krachten en met het microkosmische pentagram — de vijfpuntige ster stelt de mens voor (SD 1:219). In Egypte was dit teken een krokodil. Onder de gnostici van Peratae werd dit teken voorgesteld als een dolfijn en stelde Chozzar* voor, de god van het water. Hij is de Leviathan van Job en een groep van vijf kumara’s uit India (SD 2:577).

Makara is verbonden met de geboorte van de geestelijke ‘microkosmos’ en de dood of ontbinding van het fysieke Heelal (zijn overgang naar het rijk van het geestelijke) ... ‘Wanneer de zon verdwijnt achter de 30ste graad van Makara en het teken van de Minam (vissen**) niet meer zal bereiken, dan is de nacht van Brahmā gekomen’ ... (SD 2:579 & n)

Wanneer Jakob volgens het Hebreeuwse stelsel de tekens van de dierenriem onder zijn 12 zonen verdeelt, krijgt Naphthali Capricornus toegewezen: hij heet dan ‘de vrijgelaten hinde.’

OV:
*) Gelijk aan Neptunus / Poseidon.
**) De ‘vis’ is ook de bij uitstek geschikte zwemmer om de ‘oceaan’ — de kosmische ruimte — tussen de maan en de aarde te overbruggen en zo als voertuig voor de krachten van de maan op te treden.

Carnac

Een dorpje in Bretagne dat beroemd is om zijn enorme aantallen megalieten in de directe omgeving ervan en die in dezelfde categorie vallen als de vele wereldwijd voorkomende en daarop lijkende stenen overblijfselen naast de zogenoemde dracontia of slangenheuvels. Zij vertellen het symbolische verhaal van de geschiedenis van deze wereld en zijn speciaal ontworpen om de tand des tijds te weerstaan. In meer dan een opzicht zijn ze feitelijk of mystiek het werk van reuzen.

De archaïsche verslagen delen mee dat de ingewijden van het tweede onderras van de Indo-Europese familie zich van het ene land naar het andere begaven met het doel toezicht te houden op de bouw van menhirs en dolmens, van kolossale dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die moesten dienen om de as van toekomstige geslachten te ontvangen. (SD 2:750)

Cartesiaanse stelsel

Het stelsel van Descartes, de grote Franse filosoof (1596-1650), vertegenwoordigt in Europa de eerste belangrijke poging een filosofie te ontwikkelen langs strikt mathematische en wetenschappelijke lijnen diePortret van
René Descartes
door Frans Hals.
de strijd aanging met wat Descartes zag als de subtiele futiliteiten van middeleeuwse scholastici.

Descartes wordt gewoonlijk gezien als een sterke dualist. Hij ziet het wezenlijke als één ding dat onafhankelijk van welk ander ding dan ook kan bestaan, hij zegt dat er maar één werkelijke essentie kan zijn, God. Maar afgezien van deze ene onafhankelijke werkelijkheid bestaan er wel werkelijkheden die afhankelijk zijn van God, die hij geschapen werkelijkheden noemt. Van deze zijn er twee soorten — de denkende en de lichamelijke. Het kenmerk van eerstgenoemde is de gedachte, dat van laatstgenoemde uitbreiding. Hij ging zo ver in de dualiteit van de geschapen wereld dat alleen de voortdurende bemoeienis van God de oorzaak van harmonie kon zijn. In zijn visie is de geest radicaal anders dan de stof, een eindige geest is afhankelijk van zijn lichaam zodat het stoffelijke heelal niet wordt gehinderd door een spirituele wet. Het menselijke lichaam is een machine en hoewel mensen een ziel hebben zijn dieren volledig mechanisch. Deze kijk op het heelal werd de basis van de moderne mechanistische wetenschap en de onafhankelijkheid van de uitgebreide werkelijkheid leidt tot de conclusie dat elk lichaam onafhankelijk van elk ander lichaam kan bestaan.

Dit stelsel staat lijnrecht tegenover dat van Spinoza en Leibniz, waarbij Spinoza de nadruk legt op de monistische gedachte en Leibniz de twee substanties van Descartes ziet als eigenschappen van de Ene Werkelijkheid (SD 1:628-9). Er wordt bovendien gesteld dat een combinatie van Spinoza en Leibniz de essentie van de theosofische filosofie zou weergeven, volgens welke het heelal, hoewel in essentie een eenheid, als een meervoudigheid van monaden verschijnt die zich manifesteren als de tweevoudige — en toch voornamelijk illusoire — aspecten van geest en stof. Er is daarom geen werkelijk verschil tussen geest en stof, dit zijn alleen maar wederzijds contrasterende aspecten van de ene onderliggende en alles doordringende werkelijkheid.

In zijn theorie met betrekking tot het stoffelijke heelal herkent Descartes die ene universele diffuse stof die zich door draaiende en wervelende bewegingen ophoopt en zo leidt tot de vorming van planetaire bollen of de fysieke elementen, en loopt dus voor op zowel de werveltheorie van Thomson als op het idee dat door Crookes naar voren is geschoven, namelijk dat de chemische elementen verschillende aangepaste vormen zijn van één onderliggende protyle.

Cataclysmen | Catastrofen

[van Oudgrieks kataklysmos; van kataklýzein overspoelen; van katá, naar beneden en klýzein wegspoelen, vloed]

Zoals land rust, herstel, nieuwe kracht en verandering nodig heeft, zo geldt dat ook voor water. Daaruit vloeit een periodieke herverdeling van land en water, verandering van klimaten, enz., voort, die alle worden teweeggebracht door geologische omwentelingen, en ten slotte een definitieve verandering van de aardas opleveren. (SD 2:726)

Het woord cataclysme komt van de stoïcijnen die onderwezen dat de wereld periodiek en afwisselend wordt getroffen door overstromingen (cataclysmen) of wereldbranden (ekpyrosis, ‘opbranden’). Deze laatste leer werd overgenomen en ingepast in het oude theologische idee dat de wereld door vuur zal vergaan. De betekenis van rampen (cataclysmen) is nu echter dat ze zowel overstromingen als vulkanische activiteiten omvat. De theosofie stelt dat de aarde periodiek en met grote intervallenLe Déluge van Francis Danby, 1840. te maken krijgt met relatief plotselinge veranderingen die wat het getroffen gebied betreft kan variëren van een heel continent tot niet meer dan een plaatselijke gebeurtenis.

De volledige cyclus van een ramp bestaat uit een geleidelijk begin, een snelle intensivering, een hoogtepunt en een geleidelijke afname. De kleinere plaatselijke veranderingen zijn vaak plotseling, scherp afgebakend en vinden met grote kracht plaats, terwijl die, die een groter geografisch gebied treffen, gewoonlijk veel langzamer gaan of een langere periode in beslag nemen, vaak lijken ze niet meer dan onbelangrijke veranderingen die de mens ervaart en herkent als iets gewoons.

Rampen zijn het gevolg van de invloeden van de zon, maan, planeten en uiteindelijk ook van de sterrenstelsels. Zoals alle fenomenen om ons heen de manifestaties zijn van wat in eerste instantie plaatsvindt in de rijken van het verstand en het bewustzijn, weerspiegelen de bewegingen van de aardkorst [en de atmosfeer] de bewegingen in het denken van de wezens die erop wonen, want de natuur is één groot organisme en alle gebeurtenissen zijn onvermijdelijk en hangen nauw met elkaar samen door kosmische krachten. Alle werkelijk wereldschokkende rampen bestaan uit overstromingen en vulkanische activiteit, maar een van deze twee wordt op verschillende tijden benadrukt. De komende rampen aan het einde van het vijfde wortelras zouden in het bijzonder opvallen door de activiteit van het element vuur. Lemurië, het derde continentale stelsel, zou zijn vergaan door onderaardse samentrekkingen, een enorme vulkanische activiteit en andere fenomenen die ontstaan in het vurige element en als gevolg hiervan een openscheuren van de zeebodem; terwijl die van Atlantis of het vierde grote continentale stelsel, voornamelijk werden veroorzaakt door verstoringen van de aardas, wat heeft geleid tot het verzinken van landen, het ontstaan van geweldige vloedgolven en de verschuiving van grote delen van het oceanische gebied.

Het is daarom volstrekt onjuist ... dat alle grote geologische veranderingen en omwentelingen werden teweeggebracht door gewone en bekende natuurkrachten. Want deze krachten waren alleen maar de werktuigen en laatste hulpmiddelen voor het bereiken van bepaalde doeleinden; zij werken periodiek en schijnbaar mechanisch door middel van een innerlijke impuls die is vermengd met hun stoffelijke natuur, maar daar toch buiten staat. Elke belangrijke werking van de Natuur heeft een doel; deze werkingen zijn alle cyclisch en periodiek. (SD 1:640)

De term wereldbrand werd ook door Blavatsky gebruikt om de vernietiging van de aarde tijdens grotere of kleinere pralaya’s te beschrijven.

Catacomben

Onderaardse grotten en galerijen, waarvan enkele van de beroemdste in en rond Rome te vinden zijn.

Deze werden gemaakt om als graf te dienen maar dat was niet het oorspronkelijke doel van veel van deze en die op andere plaatsen van de wereld te vinden zijn, hoewel veel van deze ook later werden gebruikt om als graf te dienen en dan ook beenderen bevatten. Die van de laatstgenoemde categorie werden in het begin gebruikt als geheime tempels voor het opvoeren van inwijdingsrituelen.

Er waren in Egypte en Chaldea talloze catacomben; sommige heel uitgestrekt. De beroemdste ervan waren de onderaardse crypten van Thebe en Memphis. Die van Egypte begonnen aan de westelijke oever van de Nijl, strekten zich uit naar de Lybische woestijn en stonden bekend als de catacomben of gangen van de slang. Daar werden de heilige mysteriën van de kuklos anagkes, de ‘onvermijdelijke cyclus’, uitgevoerd, meer algemeen bekend als ‘de kringloop van de noodzakelijkheid’; het onverbiddelijke lot dat elke ziel na de dood van het lichaam wordt opgelegd, wanneer over haar in het gebied van amenti is geoordeeld. (SD 2:379)

Catalepsie

(Grieks) katalepsis [van kata neer + lambanein pakken, grijpen]

De psychomotorische toestand van een ‘dodelijke’ slaap die gepaard gaat met een bijzondere stijfheid van de spieren waarbij de ledematen door anderen in bijzondere houdingen kunnen worden gebracht en in die stand voor onbepaalde tijd kunnen blijven staan. Er is sprake van een vrij groot tot erg groot verlies van bewustzijn en het ontbreken van enig gevoel van de huid. De oorsprong van de naam weerspiegelt het oude standpunt dat de aanvallen worden veroorzaakt door plotselinge bezetenheid van het slachtoffer door een of andere bovennatuurlijke invloed, zoals een boosaardige geest.

De verklaringen die medische schrijvers geven variëren enorm en zijn vaak simpelweg absurd. Een cataleptische toestand kan optreden bij aanvallen van epilepsie, hysterie, chronisch alcoholisme, bij diverse functionele en organische aandoeningen, mentale- en zenuwziekten en bij dementia praecox die bekend is als catatonisch. Deze lijst van aandoeningen, die in het algemeen kunnen behoren bij een nerveuze en emotionele instabiliteit, laat zien hoe redelijk het is dat de Ouden stelden dat catalepsie een uit vele vormen van astrale bezetenheid is. De medische literatuur beschrijft bijzondere gevallen en laat afbeeldingen zien van abnormale verplaatsingen van het bewustzijn van de menselijke ego waarbij het hulpeloze lichaam wordt onderworpen aan zinloze, onnatuurlijke en uitgerekte toestanden en houdingen door een of andere lage astrale entiteit.

De cataleptische fenomenen worden soms teweeggebracht vanuit een toestand van diepe hypnose, waarbij de wil van de hypnotiseur naar voren komt door de bemiddelende natuur van de aan hem onderworpen persoon. Dit verklaart de optredens van gehypnotiseerde en onbewuste mensen, die stijf uitgestrekt op hoofd en voeten liggen (zie foto) waarbij het lichaam een enorm gewicht moet dragen. Een enkele keer is het ook mogelijk dat een mens die van nature paranormaal begaafd is, of die is gaan experimenteren om psychische fenomenen op te roepen door in trance te gaan, zijn normale lichamelijke toestand verliest en in een cataleptische staat met een verduisterd bewustzijn raakt waarbij een wasachtige stijfheid van het lichaam te zien is. In zulke gevallen bestaat er altijd het gevaar dat het lagere viertal, inclusief het onbewuste lichaam, wordt belaagd door een astrale entiteit die zo als een geniepige of gevaarlijke schakel kan dienen tussen het kamaloka en zijn bewoners.

Medische studies van catalepsie verwijzen naar de literatuur van de vele klassieke voorbeelden ervan en beweren dat er een nauwe relatie is met de extase en trance van de mystici. Maar er is een opmerkelijk verschil tussen de onnatuurlijke houdingen van de negatieve, onbewuste cataleptische persoon, die zich niets kan herinneren van zijn trance en het geestelijke bewustzijn van de ware mysticus die na een toestand van extase zijn zelfopgewekte ervaring volledig herinnert.

Catatonie

[van Grieks kata neer + tonos spanning]

Catatonie wordt beschouwd als een spierspanningsziekte met na elkaar komende fasen van depressie, opwinding en verlamming. De typische symptomen van catatonie zijn eigenaardig gedrag, stereotype bewegingen, een cataleptische stijfheid van de spieren en een grote mentale en fysieke koppigheid. Er kan sprake zijn van hallucinaties, deprimerende verbeeldingen of fantastische religieuze ideeën of plotselinge aanvallen van gewelddadig of onbehoorlijk gedrag en de hogere emotionele en ethische gevoelens zijn altijd afwezig of gevoelloos. Na een aanval geeft het individu toe dat hij onwaardig, dwaas of kinderachtig heeft gehandeld, maar zegt erbij dat hij er niets aan kon doen.

Wanneer dit wordt geanalyseerd binnen het kader van de samengestelde menselijke natuur en er wordt gelet op de werkingen van de verschillende beginselen tijdens het leven en na het overlijden, worden de bijzondere toestanden verklaarbaar. De slachtoffers worden overduidelijk aangevallen door een in bezitnemende astrale entiteit met een kama-rupische aard. Of het zijn in bepaalde gevallen de opgespaarde gedachten en indrukken van eerdere emotionele of lagere mentale stormen, opwindingen of hartstochten, die bij tijden door morele onoplettendheid terugstromen in het verstand van het ontvangende lichaam en zo het zenuwstelsel beroeren, zodat deze gevallen in werkelijkheid de reacties zijn van eerdere oorzaken die zelfs in tijd kunnen teruggaan tot een eerder leven, of zelfs levens.

Catharsis

[van Grieks katharsis reinigend, van katharos zuiver]

Reiniging, zuivering. Aristoteles gebruikte de catharsis voor het zuiveren van de emoties van het publiek door het een kunstzinnige uitvoering zoals een toneelstuk, een drama, te laten beleven. Ook een voorbereidende discipline in de oude Mysteriën, waar de lagere natuur van de aspirant wordt gezuiverd, waarbij hij of zij geschikt wordt gemaakt voor de hogere training, kennis en inwijding. De drie lagere graden bestonden ...

uit alleen leringen, en die vormden de voorbereiding, de mentale, spirituele, psychologische en fysieke discipline; wat de Grieken de katharsis of ‘loutering’ noemden; en wanneer de discipel geacht werd voldoende gelouterd, gezuiverd, gedisciplineerd, mentaal kalm en geestelijk rustig te zijn, werd hij tot de vierde graad toegelaten. (Beginselen 600)

Zie ook Inwijding; Mysteriën

Ceder

In het hele Midden-Oosten werden ingewijden ‘bomen van rechtvaardigheid’ genoemd, vandaar de mystieke betekenis van ‘de ceders van Libanon’ tot welke categorie ook enkele koningen van Israël behoorden. Hetzelfde woord werd in India gebruikt, maar meestal voor de adepten van het pad van de linkerhand (SD 2:494-5).

Cel

[van Latijn cella kleine kamer]

Vanaf het midden van de 17de eeuw gebruikt om een enkele eenheid van organisch leven aan te duiden. Robert Hooke, die een van de eerste microscopen gebruikte, ontdekte dat kurk uit vele kleine, lege, van elkaar gescheiden ruimtes bestaat, en noemde die cellen. Een eeuw later werd gezien dat deze cellen een half-transparante stof bevatten die in alle plantaardige en dierlijke stof voorkomt, die daarna werd gezien als de basis van organisch leven die de naam protoplasma kreeg. De cellen als een collectieve entiteit bevatten ondergeschikte symbiotische entiteiten. De bouw of structuur bestaat twee belangrijke delen: de centrale kern die het genetische materiaal bevat en het omgevende cytoplasma. Theosofisch gezien ontstaan menselijke cellen uit de innerlijke menselijke entiteit die werkt als hun overziel.

De eerste menselijke wortelrassen waren astrale protoplasten die zich voortplantten zoals cellen zich tegenwoordig delen. Het late tweede en vroege derde wortelras, de ‘zweetgeborenen,’ plantte zich voort door het afwerpen van kiemcellen die toen in een nieuwe entiteit uit konden groeien. Omdat iedere cel een individueel wezen of organisme is met zijn eigen aangeboren kenmerken en mogelijkheden, werden enkele van deze door de eerste mensen afgeworpen vitale cellen door entiteiten gebruikt die zich ontwikkelden tot de hogere zoogdieren. Menselijke cellen van die tijd werden toen nog niet zo volledig gedomineerd door hun ouderlijke entiteit zoals vandaag de dag gebeurt:

Wanneer dan een van de cellen, die deel uitmaakte van een zo’n primitief menselijk lichaam, zich uit de toen bestaande psychologische en fysieke overheersing bevrijdde, kreeg ze de kans en greep die instinctief aan, om het pad van zelfexpressie te volgen. Maar nu in onze dagen de menselijke geïncarneerde entiteit de cellen waaruit het menselijk lichaam bestaat, psychologisch en fysiek zo krachtig overheerst, en de cellen grotendeels hun vermogen tot individuele zelfexpressie hebben verloren door de biologische gewoonte zich aan die opperheerschappij van de menselijke entiteit te onderwerpen, is zo’n individueel proces van zelfontwikkeling van een cel vrijwel een onmogelijkheid geworden ...
 Als deze cellen waaruit zijn lichaam bestaat, niet zo lang in de greep waren geweest van de krachten die uit de innerlijke dominerende entiteit, de mens zelf, voortvloeien, dat hun eigen individuele leven als het ware is overweldigd en in zijn richting is omgebogen en het nu bijna geen ander pad kan volgen dan het zijne; als ze niet in die mate waren overheerst, dan zouden ze, bijvoorbeeld bij amputatie van een arm of een been, onmiddellijk beginnen zich te vermenigvuldigen overeenkomstig hun eigen aanleg, en lichamen gaan opbouwen van hun eigen soort, waarbij elk die bijzondere stroom van levenskracht of die progressieve ontwikkeling zou volgen, die elke zodanige cel als een dominant in haar celstructuur zou bevatten, om op deze wijze een nieuwe stamboom te vormen. (MeE 154-5)

Zie ook Kiemcel

Centauren

(Grieks) De Griekse mythologie heeft legendes bewaard over monsters, half mens, half paard, die zich in de ongerepte natuur van Griekenland zouden bevinden.

Zie ter vergelijking het scheppingsverhaal van Berosus (Alexander Polyhistor) en de afzichtelijke wezens, geboren in de afgrond van de oorspronkelijke schepping uit het tweevoudige beginsel (aarde en water): nera’s (centauren, mensen met ledematen van paarden en menselijke lichamen), en kimnara’s (mensen met paardenkoppen), door Brahmā in het begin van de kalpa geschapen. (SD 2:65n)

Van de centauren werd ook gezegd dat ze het nageslacht waren van Ixion, koning van de Lapithen en van een wolk in de vorm van Hera, die door Zeus was gezonden om hem te beproeven. Of als de kinderen van de zoon van Ixion en merries. Ze zouden een grof, wild ras moeten zijn geweest dat in de bergen van Thessalië heeft geleefd.

Maar anders gezien stelt de Griekse mythologie dat de centauren wijzer dan mensen zouden zijn: daarom is Chiron, zoon van Kronos en Philyra, de beroemdste van de centauren. Hij was een leraar, niet alleen van helden, maar ook van Apollo en Diana die hij onderwees in de jacht, de geneeskunde, muziek en de kunst van het profeteren. Later werden centauren afgebeeld die deel uitmaakten van het gevolg van Dionysus (zie afgebeelding).

Cerberus

(Grieks) In de Griekse mythologie is hij een hond met drie koppen en de staart van een slang, zoon van Typhon en Echidna die de poort van Hades of de onderwereld bewaakt. Hij was naar de aarde gebracht en teruggebracht door Hercules, wat zijn twaalfde werk was.

Cerberus kwam tot de Grieken en Romeinen vanuit Egypte. Hij was het monster, half hond, half nijlpaard, dat de poorten van Amenti bewaakte ... Zowel de Egyptische als de Griekse cerberussen zijn symbolen van kamaloka en zijn de onkuise monsters, de afgeworpen schillen van stervelingen. (TG 74-5)

Heilige ceremoniën

Oorspronkelijk en in wezen gaat het hier om magische handelingen voor het behalen van bijzondere en opvallende resultaten. Tegenwoordig zijn die echter niet meer dan lege rituelen die vrijwel alleen uit gewoonte worden uitgevoerd, ofwel vanuit een gedachteloze eerbied voor een verkeerd begrepen traditie, of dan toch alleen maar om een indruk achter te laten van een gefantaseerde toewijding. Maar bij de Mysteriën betekende het zalven van de kandidaat de laatste handeling van een indrukwekkend proces dat was gestart op de hogere geestelijke gebieden en in de innerlijke natuur van de kandidaat. Dat ontwikkelingsproces was niet slechts een symbool bedoeld om zijn aandacht vast te houden of om indruk te maken op zijn gedachten. In twee van de kerkelijke analogieën — de doop en het huwelijk — zien we dat die door sommige kerken worden gezien als ‘het uiterlijke en zichtbare teken van innerlijke en geestelijke genade’ en bij andere als het feitelijke overbrengen van de zegen aan de kandidaat, hetzelfde geldt voor andere kerkelijke sacramenten.

Bij authentieke ceremoniële magie is men zich hier volledig van bewust en hangt het welslagen af van het exact voldoen aan de gestelde voorwaarden. Het is bijna hetzelfde als bij de witte magie, maar de kennis en vakkundigheid die nodig zijn om te voldoen aan de vereiste voorwaarden gaat duidelijk verder dan de verworven capaciteit van de grote massa van mensen van tegenwoordig. Dit ceremonieel vindt alleen maar plaats in de hogere graden van chelaschap en wordt goed beschermd tegen ontheiliging. Want ceremoniële magie, of het nu witte of zwarte is, betekent het oproepen van diverse natuurkrachten, sterke of zwakke afhankelijk van hun karakter en vraagt, om die te kunnen beheersen, een vastberaden wil, een onbuigzame geest en een onbevlekt zuiver hart. Ceremoniën die uit onwetendheid worden uitgevoerd zullen zonder resultaat blijven.

Er loopt een draadziel van half-intuïtief begrip dwars door de overleveringen van de menselijke geschiedenis heen die mensen stimuleert om, hoe onwetend ze ook zijn, vast te houden aan formele vormen en ceremoniën, vaak zelfs terwijl de werkelijke betekenis ervan allang verloren is gegaan, zoals de zaadjes die in een ark zijn bewaard op het juiste moment wachten, tot de wateren van de vloed zich terugtrekken.

Ceridwen

(Welsh) Waarschijnlijk verwant aan de Romeinse godin Ceres.

In Hanes Taliesin (Het verhaal van Taliesin) is zij de vrouw van Tegid Foel. Zij is de godin van de natuur, haar werk bestond uit het strijden met haar favoriete zoons, ze tegen te werken en ze te vervolgen totdat ze zo sterk zouden zijn geworden dat ze haar aanvallen gemakkelijk konden verdragen, dan keerde ze zich om en werd hun toegewijde dienaar.

Ketel van Ceridwen

(Welsh) Een inwijdingssymbool van de druïdische literatuur van Wales.

Een bard was iemand die in de Ketel van Ceridwen was geweest, die ook wel pair dadeni (ketel van wedergeboorte) werd genoemd. Nadat deze legende van Wales naar het vasteland van Europa was gegaan, veranderde die in de Heilige Graal. Zo is Parsifal of Perceval, Pair-cyfaill, de ‘Vriend van de Ketel.’

Ceridwen stookte de ketel van wijsheid op de berghelling. De ketel zou een jaar en een dag lang moeten koken terwijl zij de heuvels afstruinde naar kruiden om die eraan toe te kunnen voegen. Aan het einde van die tijd zou alles drooggekookt zijn op Drie Druppels van Wijsheid na — Enw Duw (de Naam van God).

Zie ook Taliesin

Cerinthus

(Van de eerste eeuw) Hij was een gnosticus, mogelijk Syrisch, volgens Hippolytus opgeleid door de Egyptenaren. Hij onderwees dat de wereld was geschapen, niet door de Allerhoogste maar door engelen, ...

en een van hen gaf de wet aan de joden, die niet volmaakt was en dat alleen een bepaald evangelie van Mattheüs in het Nieuwe Testament van pas kwam. (Boris de Zirkoff in BCW 14:516)

Verder onderwees hij dat ...

de wereld en Jehovah waren gevallen door verlies aan deugd en eenvoudige waardigheid, de Allerhoogste gaf een van zijn glorieuze Aeonen, die de naam de ‘Gezalfde’ (Christus) had, toestemming om te incarneren in de mens Jezus ... (BCW 14:372n)

... die als zoon van Jozef en Maria was geboren zoals elke andere sterveling, totdat de Christus op hem neerdaalde en hem voor zijn dood verliet en terugkeerde en zich als hem voordeed na zijn overlijden (BCW 13:55; SD 2:508).

Cetus

(Latijn) [van Grieks ketos walvis]

Een ecliptisch sterrenbeeld dat grenst aan Vissen en Ram. In de Hebreeuwse mythologie kan Cetus worden verbonden met het zeemonster dat Jonah opslokte, de rondtrekkende duif. Cetus is ook verbonden met Poseidon, Dagon en andere vis-godheden.

Ceugant, Cylch y Ceugant

(Welsh)

Het Grenzeloze, de cyclus van het Grenzeloze. De hoogste van de drie druïdische cirkels van bestaan: de wereld van het Absolute.

Cha-na Dorje

(Tibetaans) Ook Chagna Dorje, phyag na rdo rje (chag-na dorje)

Drager van de bliksemschicht-diamant. Vertaling van het Sanskrietwoord vajrapanin.

Chaitanya

(Sanskriet) Caitanya [van cit waarnemen, begrijpen, bewust zijn van]

Bewust zijn, intelligentie. Het kosmische intellect en dus ook het licht van de Logos. Alle individuele ego’s van het heelal zijn geworteld in kosmisch chaitanya dat hun universele bron is en raken geïndividualiseerd door ervaring en werk in de stoffelijke rijken door middel van het karanopadhi. Chaitanya is dus de onzichtbare essentie van de menselijke intelligentie, de kosmische wortel van monadische individualiteit en de kosmische kracht van intelligentie die intrinsiek of essentieel bewustzijn is achter en in de individualiteit.

Het is ook de naam van een hervormer van de Vaishnava-sekte in India (1485-1527), die door de Bengalezen wordt beschouwd als een avatara van Kṛishṇa. Een van zijn belangrijkste leringen was dat de plicht van bhakti (gehechtheid, toewijding of liefde) voor Kṛishṇa zo krachtig zou moeten zijn dat geen enkel kastegevoel ernaast zou kunnen bestaan, wat het immers sektarisch zou maken.

Chaitya

(Sanskriet) Caitya [van de werkwoordstam cit denken, waarnemen]

De individuele ziel, ook een grafmonument of herdenkingsteken. Vaak bevat het monument de as van de overledene. Soms is het bij boeddhisten een heilig gebouw dat een afbeelding bevat om te aanbidden.

Chakna-padma-karpo

(Tibetaans) phyag na padma dkar po (chag-na pe-ma kar-po) [van phyag na padmo (chag-na pe-mo) lotushouder (vgl. Sanskriet padmapāṇi) van phyag na in de hand (vgl. Sanskriet pāṇi) + padma lotus + dkar po wit (vgl. Sanskriet puṇḍarīka witte lotus)]

Hij die de witte lotus in zijn handen houdt. Een titel die is gegeven aan Chenresi (Sanskriet Avalokitesvara of Padmapani).

Chakra

(Sanskriet) Cakra

Wiel, cyclus. De horizon, omdat die de vorm van een cirkel of wiel heeft. Op dezelfde manier wijst chakra op de prānische centra van het lichaam.

Deze fysiologische chakra’s, die feitelijk deel uitmaken van de prānische circulaties en ganglia van het aurische ei en daarom werkzaam zijn in het fysieke lichaam door tussenkomst van het liṅgaśarīra of astrale modellichaam, zitten op diverse plekken van het lichaam, van delen rond de bovenkant van de schedel tot aan de delen rond de schaamstreek ... zou deze mystieke kennis bekend worden gemaakt aan het publiek dan zou die op droevige wijze worden misbruikt, wat niet alleen in veel gevallen zou leiden tot de dood of krankzinnigheid, maar ook tot de verkrachting van elk moreel instinct. Alleen de hoge ingewijden, die feitelijk boven de behoefte van het gebruik van fysiologische chakra’s zijn gestegen, kunnen ze naar wens gebruiken en zullen dat alleen om heilige redenen doen — wat zij in feite slechts heel zelden doen, als het al ooit gebeurt. (OG 26-7)

In exoterische werken worden zes chakra’s genoemd, De Purucker somt er zeven op:

1) muladhara, de delen rond de schaamstreek, onder bestuur van Saturnus;

2) svadhisthana, het gebied rond de navel, onder bestuur van Mars;

3) manipura, de bodem van de maag of het epigastrium, onder bestuur van Jupiter;

4) anahata, de neuswortel, onder bestuur van Venus;

5) visuddha, de holte tussen de frontale sinussen, bestuurd door Mercurius;

6) ajnakhya, de fontanel of de vereniging van de coronale en sagittale suturen, bestuurd door de maan; en

7) sahasrara, de pijnappelklier, bestuurd door de zon.

Men kan het menselijk lichaam zien als een microkosmos die alle vermogens of eigenschappen of krachten van het zonnestelsel bevat ... alle zeven (of twaalf) logoïsche krachten, die oorspronkelijk uit de zon emaneren en in en door de verschillende heilige planeten gaan, worden naar ons mensen overgebracht en rechtstreeks naar het fysieke lichaam. Elk van deze logoïsche zonnekrachten heeft dus zijn overeenkomstige brandpunt of orgaan in het menselijk lichaam, en dat zijn de chakra’s. (BvhO 512)

Chakravartin

(Sanskriet) Cakravartin [van cakra wiel, cyclus + vartin omdraaien, iemand die bestuurt]

Heer van de wereld, universeel heerser. Een titel van verschillende hindoe-keizers, die vooral verwijst naar Vishṇu die in het tetrāyuga in de hoedanigheid van universeel monarch de drie werelden beschermde. Legendes verklaren dat aan het einde van kaliyuga Vishṇu opnieuw zal verschijnen als de Kalki-avatara, of de Maitreya, zoals de boeddhisten zeggen, en bekeert of vernietigt dan de zondigen en luidt een nieuw tijdperk in van spiritualiteit en rechtvaardigheid.

Chakshu

(Sanskriet) Cakṣu [van de werkwoordstam cakṣ zichtbaar worden, zien]

Het oog.

Het gezichtsvermogen, maar eigenlijk eerder de occulte waarneming van geestelijke en subjectieve werkelijkheden ... (TG 323)

Chakshu’s wijst in aanvulling op de betekenis van een oog en zoals het onzijdige zelfstandig naamwoord al aangeeft, op het gezichtsvermogen, licht en helderheid. De samenstelling loka-chakshu’s (oog van de wereld) is een titel van de zon.

Chakshusha

(Sanskriet) Cākṣuṣa

Een van de 14 manu’s, de zaad-manu van de derde ronde en naar analogie de manu van het derde wortelras (SD 2:309, 615n).

Chaldeeën | Chaldeeërs

Tot het zevende onderras van het derde wortelras behoren de verre voorgangers van de mysteriescholen en de nu vergeten geologische geschiedenis van de voorgangers van hen die later de Chaldeeën zouden worden genoemd, samen met de wijzen van de hindoes, Egyptenaren, Perzen en Feniciërs. In hun verslagen wordt melding gemaakt van goddelijke dynastieën die aan de menselijke koningen voorafgaan, en de cyclus van 432.000 jaar. Daar vinden we de oorsprong van al zulke gedachten die kunnen worden aangetroffen in het occulte werk de Nabathean Agriculture, en in hun oude verslagen kunnen we de bron van de oorspronkelijke bijbelse allegorische kosmogonieën terugvinden. De wiskundige en astronomische kennis van de Chaldeeën was in het hele oude Middellandse Zeegebied beroemd: het woord Chaldee betekende vaak simpelweg adept, magiër of astroloog. In de Bijbel worden zij de Babyloniërs genoemd.

De oorsprong van de Chaldeeën en de oorspronkelijke bron van hun heilige kennis kan worden teruggevolgd tot in Centraal-Azië, want er was een erg lange periode, duizenden jaren geleden, waarin deze hele regio nog een gunstig klimaat had en vele dichtbevolkte steden kende en grote landbouwgebieden. Dit gebied werd bevolkt door een volk dat een nauwelijks lager ontwikkelingsniveau had dan dat van ons, en geloof het of niet, in sommige opzichten was hun kennis groter dan die van ons tegenwoordig (vgl. ASP 16-25).

Cham

(Hebreeuws) Ḥām [van ḥām heet, warm, hitte, warmte]

In de Bijbel is hij een van de drie zonen van Noach, waarvan een groot deel van de zuidelijke volken van af zou stammen (Genesis 10). Enkele wetenschappers hebben gesuggereerd dat Cham gelijk is aan Khem (zwart), de oorspronkelijke naam van Egypte, want in de Kabbalah is Chem de naam van Egypte.

Noach en zijn zonen worden in enkele gevallen beschouwd als de vertegenwoordigers van het vijfde wortelras, in andere het derde wortelras, of kosmisch het collectieve symbool van het lagere viertal ...

Cham is het chaotische beginsel. (SD 2:597n)

Chandala

(Sanskriet) Caṇḍāla

Een lid van een gemengde kaste of de kastelozen, een verstotene, een paria. Vooral in het oude India sloeg het woord op de laagste en meest verachtelijke status (soms beschreven als iemand die het kind was van een sudra-vader en een brahmaanse moeder). Nu van toepassing op ieder mens van een gemengde kaste ...

maar in de oudheid sloeg op het op een bepaalde groep mensen die hun recht op een van de vier kasten had verspeeld — brahmanen, kshatriya’s, vaisya’s en sudra’s — en zij werden verdreven uit de steden en moesten naar de wouden vluchten. Daarna werden zij de ‘metselaars’ totdat zij ten slotte ook daar, rond 4.000 jaar voor onze tijd, werden verdreven en het land moesten verlaten. Sommigen zien in hen de voorouders van de eerste joden waarvan de stammen namen droegen die begonnen met A-brahm of ‘Niet-Brahm.’ Tot op de dag van vandaag is het deze klasse die het meest wordt veracht door de brahmanen van India. (TG 323-4)

Chandra

(Sanskriet) Candra [van de werkwoordstam cand schijnen]

De maan. Als een bijvoeglijk naamwoord de schijnende, glinsterende, iets dat de schittering van licht heeft. Soms een synoniem van Soma.

Chandrabhaga

(Sanskriet) Candrabhāgā

De oude naam van de rivier de Chenab in de Punjab.

Chandragupta

(Sanskriet) Candragupta

De onzichtbare maan, de geheime of verborgen maan, door de maan beschermd. De naam van een beroemde koning die wordt gezien als de stichter van de Maurya-dynastie van Magadha en die de grootvader was van de beroemde boeddhistische koning Aśoka.

Chandrakanta

(Sanskriet) Candrakānta [van candra maan + kānta begeren, houden van, van de werkwoordstam kam verlangen naar]

Geliefd als de maan, maan-verliefd. De maansteen, een sieraad waarvan het volksgeloof zegt dat die is ontstaan uit de stolling van de stralen van de maan en zou oplossen in het licht van de maan, vandaar de magische eigenschappen die eraan worden toegekend.

De steen heeft een erg verkoelende invloed bij koorts als die wordt toegepast op beide slapen. (TG 76)

Chandrakanti betekent maanlicht en chandrakanta zou de vrouw van de maan zijn.

Chandramana

(Sanskriet) Candramāna [van candra maan + de werkwoordstam meten]

De maat van de maan. Een van verschillende methoden van tijdrekening in India, waarbij het jaar bestaat uit 360 dagen, de andere twee methoden zijn suryamana en barhaspatyamana.

Chandramanas is ook een van de tien paarden die in de mythologie van de hindoes de strijdwagen van de maan trekken.

Chandramasanjyotis

(Sanskriet) Candramasañjyotis [van candramas maan + sam met + jyotis licht]

Iets dat hetzelfde licht als de maan heeft. Volgens Subba Row is het een symbool voor het devachanische bestaan, want net zoals de maan schijnt door het licht van de zon te reflecteren zo schijnt het ego in devachan door het licht dat uitstraalt van het atma-buddhische of monadische deel van elk wezen. Dit woord was waarschijnlijk bedacht door Subba Row.

Chandravansa

(Sanskriet) Candravaṃśa [van candra maan + vaṃśa afstamming, ras]

Ook Chandravamsa, het maanras. Een van de twee grote koninklijke dynastieën van het oude India. Zoals wordt verteld in het Vishṇu-Purāṇa gaf Soma (de maan), het kind van de rishi Atri, het leven aan Budha (Mercurius) die huwde met Ila, dochter van de andere grote koninklijke dynastie, de Suryavansa (het zonneras). Haar nakomelingen Yadu en Puru, stichtten de twee grote takken van de Chandravansa (respectievelijk genoemd Yadava en Paurava). De laatste belangrijke nazaat van het ras van de Yadu was de avatara Kṛishṇa. In het geslacht van Puru werden Pandu en Dhritarashtra geboren — respectievelijke ouders van de Pandava’s en de Kuru’s, de helden van het Mahābhārata die worden vermeld in de Bhagavad-Gita (hfdst 1).

In het occultisme wordt de mens een zon-maan-wezen genoemd, de zon voor zijn hogere triade en de maan voor zijn lagere viertal. Bovendien schenkt de zon zijn licht aan de maan, zoals de menselijke triade zijn goddelijke licht op de sterfelijke schil van de zondige mens laat vallen. Het hemelse leven stimuleert het aardse leven. (TG 76)

Rama, de held van het Ramayana, was geboren in de Suryavansa, terwijl Gautama Boeddha behoorde tot de Chandravansa (TG 314).

Chandrayana

(Sanskriet) Cāndrāyaṇa [van candra maan + ayana baan, weg]

Het pad of de weg van de maan.

Chang-chub

(Tibetaans) Ook Byang-tzyoobs en Tchang-chubbyang chub (jang-chub, chang-chub)

Vertaling uit het Sanskriet van bodhi (verlichting, bewustworden) en Byang chub sems dpa’ (jang-chub-sem-pa) is de vertaling van het Sanskrietwoord bo­dhi­satt­va, hij die een hoge graad van spirituele kennis en mystieke krachten heeft bereikt.

Een adept die, uit hoofde van zijn kennis en verlichting van ziel, is bevrijd van de vloek van ONBEWUSTE transmigratie — kan, in plaats van alleen na de lichamelijke dood te reïncarneren, dit naar willekeur en herhaaldelijk — tijdens zijn leven doen als hij dat verkiest. Hij beschikt over het vermogen voor zichzelf nieuwe lichamen te kiezen hetzij op deze of op een andere planeet — terwijl hij in het bezit blijft van zijn oude vorm, die hij doorgaans voor zijn eigen doeleinden bewaart. (MB 315-6)

Chantong

(Tibetaans) [van spyan (chen) oog + stong (tong) duizend]

Voorzien van duizend ogen. Dit slaat op de Chenresi, de Ti­be­taanse tegenhanger van Avalokitesvara of Padmapani uit het Sanskriet. Met ‘duizend-armen’ is misschien wel een meer voorkomende bijnaam voor de Chenresi.

Chaos

(Grieks) [van chaino gapen, opensperren]

‘De aarde was zonder vorm en leeg’ zegt Genesis wanneer de eerste kosmogonische stadia worden beschreven. In de Griekse mythologie is er hetzelfde idee van de oorspronkelijke leegte en vormloosheid die de wederbelichaming van een heelal na pralaya beschrijft. Het was de lege en geestelijke ruimte die bestond vóór de schepping van het heelal of de wereld, want uit dat kwamen Duisternis en Nacht te voorschijn. Chaos is alleen ‘chaotisch’ in die zin dat zijn delen ongevormd en ongeorganiseerd zijn. Het is de kosmische vergaarplaats van alle latente of rustende zaden van eerdere manvantara’s. Het betekent ruimte — niet het Grenzeloze parabrahman-mulaprakriti, maar de ruimte van elke bijzondere hiërarchie die afdaalt en tot manifestatie komt. In een andere betekenis is het die toestand van een zonnestelsel of planeetketen tijdens zijn pralaya, die alle elementen bevat in een ongedifferentieerde toestand. Aether en chaos zijn de twee beginselen die direct na het eerste beginsel komen.

Verschillende woorden die min of meer synoniem zijn: ākāśa; het kosmische ei (waaruit Brahmā naar voren kwam als licht); het maagdelijke ei; de maagdelijke moeder; de onbevlekte wortel (bevrucht door de straal); de oerdiepte; de afgrond; en de grote moeder. De goddelijke straal en chaos zijn vader/moeder of kosmisch vuur en water. Chaos-Theos-Kosmos vormen de drievoudige godheid of alles-in-alles. Chaos werd in Egypte vermenselijkt door de godin Neith, die de Vader/Moeder van de Stanza’s van Dzyan is, het ākāśa van de hindoes, het svabhavat van de noordelijke boeddhisten en het ginnungagap van IJsland.

Charachara

(Sanskriet) Carācara [van cara bewegend + acara niet bewegend]

Het totaal van alle wezens en dingen, of ze nu bewegen of bewegingloos zijn. Het omvat alle rijken van de natuur, want de oude hindoes zagen de plantaardige en minerale rijken als begiftigd met ingeboren leven, en verhoudingsgewijs met erbij passende zielen. Bovendien slaat het op de natuurrijken van mens en dier.

Charaka

(Sanskriet) Caraka [van de werkwoordstam car zwerven, rondreizen]

Een zwerver, een richting of school die de oefeningen uitvoert die de Yajur-Veda voorschrijft. In het meervoud staat het voor de leringen en ook de volgelingen van de leer die wordt onderwezen in een afdeling van de zwarte Yajur-Veda.

Het is ook de naam van een legendarische muni en arts die was geboren in Panchanada, Kashmir, die de arts zou zijn geweest van de Indo-Scythische koning Kanishka (1ste of 2de eeuw). Toen Sesha, de koning van de Slangen, de aarde bezocht trof hij overal ziekte en lijden aan. Omdat hij de ontvanger was van een goddelijke bron van de Ayur Veda en kennis bezat van alle geneeswijzen, werd hij vervuld van medelijden en besloot te incarneren als de zoon van een muni om de kwalen van de mensheid te verlichten. Hij kreeg de naam Charaka, omdat hij als een zwerver naar de aarde was gekomen en schreef een nieuwe verhandeling over de geneeskunde die is gebaseerd op de oudere werken van Agnivesa. Hij wordt algemeen beschouwd als een avatara van de slang Sesha ...

een belichaming van goddelijke Wijsheid, aangezien Sesha-Naga, de koning van het ‘Slangen’-ras, synoniem is met Ananta, de zevenkoppige Slang waarop Vishṇu slaapt tijdens de pralaya’s. Ananta is de ‘eindeloze’ en een symbool van de eeuwigheid en als zodanig één met Ruimte, terwijl Sesha alleen tijdelijk is in zijn verschijningen. Vandaar dat terwijl Vishṇu Ananta is, Charaka alleen de avatara van Sesha is. (TG 78)

Charmeren

Ook wel fascinatie: hypnotisering, beheksing, betovering.

Het gebruikmaken van een houding, spreuk of formule om een ander mens of een dier, bewust of onbewust, ten goede of ten kwade (het woord heeft echter vrijwel altijd een negatieve betekenis) in zijn greep te krijgen. Ware charme wordt nooit gebruikt door wie dan ook van het Pad van de rechterhand, want het werk van hen bestaat zonder uitzondering uit het opwekken van de ingeboren geestelijke, intellectuele en psychische vermogens die in anderen sluimeren en in het trainen van een individu om beheersing over deze vermogens te krijgen. Charme of de kracht van fascinatie wordt uitgeoefend op slangen en vogels en door naar dieren te kijken. Charmes worden als een boosaardige kracht door magiërs gebruikt en min of meer bewust door gewone mensen op elkaar. Het wordt zelfs tegenwoordig nog onderwezen in de commercie als een kunst om het denken van klanten te manipuleren en dan zijn er nog die advertenties of commercials waarmee occulte vermogens voor weinig geld worden aangeboden.

Charon

(Grieks) Veerman over de Styx van Hades.

Hij was de zoon van Erebos (duisternis) en ofwel Nux (nacht) of Styx. Hij is gelijk aan de Egyptische Khu-en-ua, de stuurman met een havikshoofd die de zielen over de zwarte wateren brengt die het leven van de dood scheidde. Oorspronkelijk was het Mercurius die de zielen naar de onderwereld bracht. Later zou Charon de taak op zich hebben genomen om de zielen die een munt in hun mond hadden over te zetten. Die munt zou na het overlijden erin zijn gestopt door hun familieleden om zo op de juiste manier te zijn begraven.

Hades is kamaloka waarheen niet alleen de schaduwen van de overledenen gaan maar ook de kandidaten voor inwijding en de hoge adepten die de onderwereld op bepaalde tijden uit mededogen bezoeken, zoals van Jezus wordt gezegd dat hij zou zijn afgedaald in de hel.

Charvaka

(Sanskriet) Cārvāka

Charvaka was een rakshasa (demon) die in het Mahābhārata een vriend was van Duryodhana, hoofd van de Kuru’s en dus een vijand van de Pandava’s. Toen aan het einde van de grote strijd waarin de Kuru’s werden verslagen, koning Yudhishthira in triomf Hastinapura binnenging, had Charvaka de vorm van een brahmaan aangenomen en dreef hij de spot met de koning. Yudhishthira’s brahmanen ontdekten het bedrog en verteerden Charvaka met het vuur van hun ogen tot as, ...

dat wil zeggen, magnetisch door middel van wat in het occultisme bekend staat als ‘de zwarte blik’ of ‘het boze oog’. (TG 79)

Ook een materialistische filosoof waarvan de leringen zouden zijn belichaamd in de Barhaspatya-sutra’s;

... een ontkenner van alles behalve de stof, die als hij weer tot leven zou kunnen komen alle ‘vrijdenkers’ en ‘agnostici’ van die dag zou beschamen. Hij leefde in de tijd van vóór het Rāmāyaṇa, maar zijn leringen en school bestaan nu nog en hij heeft zelfs nu nog volgelingen, die voor het grootste deel kunnen worden aangetroffen in de Bengalen. (id.)

Chatur

(Sanskriet) Catur

Het getal vier als een bijvoeglijk gebruikt telwoord.

Chatur-maharaja’s

(Sanskriet) Catur-mahārāja [van catur vier + mahā groot + rājan koning]

Vier grote koningen. Exoterisch de wachters van de vier delen van de laagste van de zes zinnelijke werelden; esoterisch de vier geestelijke bestuurders in en van ons zonnestelsel, mystiek nauw verbonden met karma.

Zie ook Maharaja’s

Chatur-mukha

(Sanskriet) Caturmukha [van catur vier + mukha gezicht]

Vier gezichten, het hebben van vier gezichten. Dit slaat op elk lid van de Trimurti (Brahmā, Vishṇu en Śiva) waarbij elk wordt afgebeeld met vier gezichten.

Ook gebruikt voor een zijde of vlak van een vierkant.

Chatur-varna

(Sanskriet) Caturvarṇa [van catur vier + varṇa een kaste, kleur, vorm, verschijning]

De chatur-varna zijn de hindoe-kasten zoals die zijn opgenomen in de Wetten van Manu: de Brahmana, priester; Kshatriya, militair en bestuurder; Vaisya, koopman, en ten slotte Sudra, landbouwer en bediende. Deze vier kasten zijn heel erg oud en behoren bij een oeroude beschaving. Het is het gezichtspunt van de hindoe die de uitwerking ziet van karmische verdiensten en gebreken die iemand in herhaalde incarnaties op aarde een bepaalde maatschappelijke positie in het leven geven. Aldus kan een mens een brahmaan zijn, de hoogste van de kasten, maar als hij zijn leven zodanig heeft geleefd dat er een verandering in hem teweeg wordt gebracht, kan dat hem in een volgende incarnatie ofwel een hogere of een lagere maatschappelijke positie opleveren. Een mens kan een slaaf of bedelaar in één leven zijn, maar als hij in het hoogste deel van zijn natuur leeft kan zijn volgende belichaming die van een prins zijn; of een prins kan door karmische tekortkomingen in zijn volgende leven worden geboren als een slaaf.

De werkelijke mens is het wederbelichamende ego die zijn bestemming vorm geeft zoals hij het zelf verkiest, wat wordt weerspiegeld in zijn belichamingen. Het kan eenvoudig zo zijn dat een wederbelichamende ego opzettelijk voor een lichaam en leven kiest wat de wereld ziet als een leven vol tegenslagen, om onder ogen te zien en te overwinnen, met als doel oefening in discipline en verbetering van de ziel. Het is daarom niet altijd in het voordeel van een lerende en ontwikkelende ziel om te worden geboren ‘met een zilveren lepel in zijn mond,’ omdat gedragen door welstand en een hoge maatschappelijke positie een zwakke ziel snel omlaaggerichte tendensen opneemt omdat het de strenge discipline mist die aandringt op de opgaande weg naar het ontwaken van de sluimerende vermogens van de inwonende geest. Luxe, gemak, macht en welstand zijn zeker niet altijd zegeningen, maar zijn voor zwakke zielen vaak simpelweg rampzalig.

Chatur-varna staat ook voor de vier primaire kleuren.

Chatur-yoni

(Sanskriet) Catur-yoni

Vier baarmoeders, de vier manieren om geboren te worden. De vier wegen waarop de weg naar geboorte wordt ingeslagen zoals is vastgesteld door karma. Deze vier wegen zoals die worden beschreven in oude boeken zijn:

1) geboren worden uit een moederschoot, als mensen en zoogdieren;

2) geboren worden uit een ei, als bij vogels en reptielen;

3) geboren worden uit vocht en in de lucht hangende kiemen, zoals insecten; en

4) door plotselinge zelftransformatie van bo­dhi­satt­va’s en goden (anupapadaka — ‘ouderloos’). De anupapadaka-geboorte wordt veroorzaakt door de intrinsieke energie en de karmische verdienste van het individu, waardoor hij zichzelf aldus verandert in een edeler wezen.

Chaturdasa

(Sanskriet) Caturdaśa [van catur vier + daśa tien]

Het getal veertien als een bijvoeglijk gebruikt telwoord. Als een vrouwelijk zelfstandig naamwoord (chaturdasi) wijst het op de veertiende dag in een periode van veertien maan-dagen. Chaturdasaka en chaturdasan betekenen de veertiende.

Chaturdasa-bhuvana

(Sanskriet) Caturdaśa-bhuvana

De 14 loka’s en tala’s, of geestelijke en stoffelijke werelden van bestaan.

Chaturthasrama

(Sanskriet) Caturthāśrama

Het vierde stadium van sannyasa, volledig afstand doen van de wereld. (BCW 2:118)

Chatvaras van Chatvarah

(Sanskriet) Catvāras, Catvāraḥ [eerste naamvalsvorm meervoud van catur vier]

De vier. Vaak gebruikt voor de vier kumara’s die in hindoegeschriften Sanatkumara, Sananda, Sanaka en Sanatana worden genoemd.

Che-ba

(Tibetaans) Groot.

Vaak gebruikt om het Sanskrietwoord maha te vertalen.

Chela

(Hindi) Cela — oude schrijfwijze cheta (ceta) of cheda (ceda).

Bediende, discipel.

Een discipel, pupil, leerling of toehoorder. De relatie van leraar en discipel is oneindig veel heiliger dan die van ouder en kind. Omdat de leraar de ziel zelf geboren laat worden, terwijl de ouders het lichaam aan een binnentredende ziel geven. De leraar leert te zijn en daarom te zien, hij leert het te weten en te worden wat het diep in zichzelf is, een goddelijk wezen.
 Het leven van een chela of het pad van een chela is een prachtig pad, vol vreugde tot aan het einde toe, maar ook een die een beroep doet en behoefte heeft aan alles dat edel en hoog en verheven is in de leerling of discipel, want de vermogens of zintuigen van het hogere zelf moeten tot werkzaamheid worden gebracht om die hoogten van intellectuele en spirituele grandeur die de wereld van de Meesters is, te kunnen bereiken en vast te kunnen houden. Als dat kan worden bereikt, het meesterschap, betekent dat het einde van leerlingschap — maar niet dat dit ideaal alleen maar nagestreeft wordt als iets waar alleen hijzelf voordeel van heeft, want alleen al die gedachte is bijzonder egoïstisch en is daarom een hindernis op het Pad. Het is uiteraard gunstig voor het individu, maar toch is het ware idee dat alles en elk zintuig of vermogen dat in de ziel schuilt naar buiten moet worden gebracht om de hele mensheid van dienst te zijn, want dit is de koninklijke weg, de grote koninklijke reis, van zelfoverwinning. (OG 27-8)

In boek IV van Kiu-ti, het hoofdstuk over ‘de Wetten van upāsana’s’ (discipelen), vinden we de kwaliteiten die van een ‘normale chela’ worden verwacht:

1. Volmaakte fysieke gezondheid.

2. Volstrekte zuiverheid van denken en lichaam.

3. Altruïstische intenties; universele naastenliefde; mededogen met alle levende wezens.

4. Oprechtheid en een onwankelbaar vertrouwen in de wet van karma, onafhankelijk van enige macht in de natuur die tussenbeide zou kunnen komen; een wet waarvan de werking door niets kan worden tegengehouden en door geen gebed of bezwerende exoterische ceremoniën kan worden beïnvloed.

5. Onverschrokken moed in elke noodsituatie, zelfs met gevaar voor eigen leven.

6. Een intuïtief besef het voertuig te zijn van de gemanifesteerde Avalokiteśvara of goddelijke ātman (geest).

7. Kalme onverschilligheid voor, maar een rechtvaardige beoordeling van alles wat tot de objectieve en vergankelijke wereld behoort, ten opzichte van en vergeleken met de onzichtbare sferen.

Zo moeten op zijn minst de aanbevelingen hebben geluid voor iedereen die naar volmaakt chelaschap streeft. Met als enige uitzondering de eerste bepaling, die in zeldzame en uitzonderlijke gevallen misschien kan worden aangepast, is aan elk van deze punten onveranderlijk vastgehouden, en alle moeten in de innerlijke natuur van de chela al min of meer zijn ontwikkeld door zijn zelfstandige pogingen vóór hij werkelijk op de proef kon worden gesteld. (BA 2:170-1)

Chemi of Kemi

Zwart land.

De inheemse naam van Egypte in oude tijden, het kreeg die naam door de zwarte bodem die het gevolg was van de afzettingen van de rivier de Nijl. In sommige dichterlijke beschrijvingen wordt Kemi tegenover Toshri (het rode land) geplaatst — wat verwijst naar de kleur van de woestijn.

Chemis

(Grieks) chemmis, chemi

Volgens de Grieken werd de schimachtige vorm van de Chemi’s (Chemi, het oude Egypte), die drijft op de etherische golven van de sfeer van het empyreum, in het leven geroepen door Horus-Apollo, de zonnegod, die deze uit het wereld-ei tevoorschijn bracht. (SD 1:367)

Chen

(Chinees) Taoïstische uitdrukking voor de werkelijkheid.

Volgens Chuang:

Is chen de hoogste graad van vitaliteit of spiritualiteit; de man die geen spiritualiteit bezit kan onmogelijk een ander bewegen of aansturen. (boek 10, hfd. 31)

Ten overvloede ...

Als iemand de Tao in zichzelf ontwikkelt zal zijn deugd (teh), chen (werkelijkheid) worden. (Tao Teh Ching, sec 54)

Chenresi

(Tibetaans) spyan ras gzigs (chen-re-zi, of chen-re-si) [afkorting van spyan ras gzigs dbang phyug (chen-re-zi-wang-chung) van spyan ras doordringende blik (vgl. Sanskriet avalokita) + gzigs vormt (vgl. Sanskriet rūpa) + dbang phyug heer (vgl. Sanskriet īśvara)]

De Heer die met zijn doordringende blik vormen ziet. Vertaling van het Sanskrietwoord Avalokiteśvara. Exoterisch gezien is Chenresi de grote beschermheer van Azië in het algemeen en van Tibet in het bijzonder en wordt mystiek geacht elf hoofden en duizend armen te hebben, elk met een oog in de palm van de hand. Deze armen schieten van zijn lichaam uit als een bundel stralen: de duizend ogen stellen hem voor als op de uitkijk naar noodsituaties en om de in nood verkerende te hulp te schieten. In deze vorm is zijn naam Chantong (hij met de duizend ogen) en Jigtengonpo (beschermer en verlosser van kwaad).

Zelfs het exoterische verschijnen van Dhyani Chenresi suggereert de esoterische leer. Hij is kennelijk evenals Daksha de synthese van alle voorafgaande rassen en de stamvader van alle menselijke rassen na het derde, het eerste dat volledig was, en hij wordt dus voorgesteld als de culminatie van de vier oorspronkelijke rassen in zijn vorm met elf gezichten. Deze vorm is een in vier rijen gebouwde kolom waarvan elke reeks drie gezichten of hoofden en een andere huidkleur heeft: de drie gezichten voor ieder ras typeren zijn drie fundamentele fysiologische transformaties. De eerste reeks is wit (maankleurig); de tweede is geel; de derde roodbruin; de vierde, waarin slechts twee gezichten voorkomen – de plaats voor het derde gezicht is opengelaten – (een verwijzing naar het voortijdige einde van de Atlantiërs), is bruinzwart. Padmapani (Daksha) zit op de kolom en vormt de top. (SD 2:178)

Exoterisch wordt de Dalai Lama vaak gezien als een incarnatie van Chenresi, want een populaire legende zegt dat waar het geloof in de wereld begint weg te kwijnen Padmapani-Chenresi een schitterende straal van licht uitzendt en daarna direct incarneert in een van de twee grote Lama’s — de Dalai of de Tashi Lama. Esoterisch wordt hij Bodhisattva Chenresi Vanchug (de machtige en alziende) genoemd. Chenresi of Avalokiteśvara ...

de grote logos in zijn hogere aspect en op de goddelijke gebieden. Maar op de gemanifesteerde gebieden is hij, evenals Daksha, de stamvader (in geestelijke zin) van de mensen. (ibid.)

In China is Chenresi de grote godin van mededogen Kwan-yin, voorgesteld als een vrouwelijke figuur die een kind in haar armen draagt.

In zijn ware betekenis is Chenresi de derde logos van ons zonnestelsel en het buddhi-manas van de individuele mens. Het is het actieve aspect van de menselijke spirituele monade. De uitstraling of invloed die uitgaat van Chenresi en die de lagere delen van de menselijke constitutie doordringt, is Padmapani (met de lotus-in-zijn-hand). Padmapani is daarom de bo­dhi­satt­va van Avalokiteśvara of Chenresi en of het nu kosmisch of psychologisch is, is hij gelijk aan de gemanifesteerde macht van Brahmā.

Cherchen*

Een oase in Centraal-Azië die zich ongeveer 1200 meter boven de Cherchen-daria of de rivier de Cheerchenghe bevindt.Nikolaj Michajlovitsj Przjevalski Dit gebied is van groot etnologisch belang aangezien het ooit ...

de bakermat en het centrum van een oude beschaving was, aan alle kanten omgeven door talloze ruïnes, boven en onder de grond, van steden, dorpen en begraafplaatsen van elke soort. (TG 324)

Kolonel Przjevalski schreef jaren geleden dat ...

de oase wordt bewoond door zo’n 3.000 mensen ‘die de overblijfselen zouden zijn van rond de honderd naties en rassen die nu uitgestorven zijn, waarvan de namen tegenwoordig onbekend zijn aan de etnoloog’. (ibid.)

*OV: Moderne schrijfwijze Qarqan.

Cherno Bog

(Slavisch) De zwarte schoonheid.

De hoogste god van de oude Slaven.

Cheru | Heru

(Germaans)

De zwaardgod van de Cherusci. Dit was een oude Germaanse stam die het gebied van de Weser, ten noorden van de Chatten had bezet. Cheru zou verwant zijn aan de Scandinavische Tyr die in de Germaanse mythologie Tio of Zio is. In de legende van het Zwaard van Cheru dat was gemaakt door de zonen van Ivaldi, zien we dat zij ook Thor’s Hamer, de Mjölnir, hadden gemaakt. Het zwaard van Cheru was een magisch zwaard. De Scandinavische mythologie zegt ...

dat het de drager ervan vernietigt wanneer hij onwaardig zou zijn dat te hanteren. Het legt de overwinning en roem alleen in de handen van de deugdzame held. (TG 80)

Cherubim

(Hebreeuws) Ook Cherubijn(en)Kĕrūb, Kĕrūbīm

Hemelse, heilige en occulte wezens van de Hebreeuwse mythologie. In het Oude testament worden diverse beschrijvingen gegeven van de cherubijnen. De gevleugelde entiteit met vier gezichten, van respectievelijk een man, een leeuw, een os en een adelaar komt daarvan het meest voor. In Genesis zijn zij de Wachters van het Paradijs, in Exodus (25:18-22) worden hun afbeeldingen geplaatst in de Zetel van Genade en ook in de Tempel van Salomo (1 Koningen 6:23-35), maar hun meest voorkomende verbondenheid is met de troon of strijdwagen van Yahweh (Jehovah). In Ezechiël en in de Kabbalah worden de cherubijnen voorgesteld als de vier heilige levende dieren.

Deze vier dieren zijn in werkelijkheid de symbolen van de vier elementen en van de vier lagere beginselen in de mens. Niettemin corresponderen zij fysiek en stoffelijk met de vier sterrenbeelden, die om zo te zeggen het gevolg of het geleide van de zonnegod vormen en tijdens het wintersolstitium op de vier hoofdpunten van de dierenriem staan.. (SD 1:363)

In het oude Syrische stelsel waarin de hiërarchieën worden genoemd zijn de cherubijnen gelijk aan de sfeer van de sterren. In de joodse Kabbalah zien we een nauw verband tussen hen en de vier letters van het Tetragrammaton, YHVH, en bovendien met de ‘asiyyatische wereld.

In het stelsel van hiërarchieën zoals dat door Dionysius de pseudo-Areopagiet werd onderwezen, komen de cherubijnen tweede in rang te staan in de eerste drie-eenheid: serafijnen, cherubijnen en tronen. Maar de cherubijnen hebben een nog veel mystiekere betekenis:

de vier hemelse wezens zijn ... de beschermers van de mensheid en ook de werktuigen van karma op aarde. (SD 1:126)

In de Hebreeuwse Kabbalah vormen de cherubijnen een klasse van engelen of half-spirituele wezens die overeenkomen met de lagere shekinah of malchuth, de laagste of tiende van de sefiroth. Nogmaals, ...

het woord cherub betekende in een bepaalde zin ook slang, hoewel de rechtstreekse betekenis anders is, want de cherubim en de Perzische gevleugelde γρῦπεϛ (‘griffioenen’) — de bewakers van de gouden berg — zijn dezelfde, en hun samengestelde naam toont hun karakter, omdat deze is gevormd uit Ƕǩ (kr) cirkel en ǟǣǞ, ‘aub’ of ob — slang — dus: een ‘slang in een cirkel’. (SD 1:364)

De kleur blauw is van de cherubijnen, zoals rood de kleur is van de serafijnen.