Theosofische Encyclopedische Woordenlijst
© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017

Da‘ath

(Hebreeuws) Da‘ath

Kennis of wetenschap, vaak inzicht of wijsheid. In de Kabbalah van Luriah is een triade gemaakt van chochmah (vader), binah (moeder) en da‘ath (zoon). Deze emanatie komt niet voor in de oude Kabbalah, noch is het een van de sefiroth daarin.

Dabar

(Hebreeuws) Dābār, meervoud Dĕbārīm. Woord, spraak.

Vaak een kosmische geestelijk bewuste energie, daarom gelijk aan de Griekse logos of kosmische geest. Ook een orakel of goddelijke communicatie: een oorzaak, de reden. In de Chaldeeuwse Kabbalah is dabar een zuivere abstractie, gelijk aan de Logos ...

het Woord of dabar (in het Hebreeuws). Hoewel dit Woord feitelijk een meervoud wordt, of ‘woorden’ — d(a)b(a)rim — wanneer dit het aspect aanneemt van een menigte (engelen of sefiroth, ‘getallen’) of zich daarin weerspiegelt, is het toch collectief een en op het ideële gebied een nul, 0, een ‘niet-iets’. (SD 1:350)

Dabistan

(Perzisch) Ook Dadistan— Dabistān, Dadistān [van dab van dip geschrift + stān voorvoegsel of plaats]

Een naam van het oude Perzië, maar ook de titel van een boek, Dabistan-i-Madhahib (school van religies) dat rond het midden van de 17de eeuw door de moslim-reiziger Mohsan Fani, een Kashmiri, is geschreven. Het behandelt 12 verschillende religies, de eerste is die van Hushang, waarvan men denkt dat die uit de tijd van vóór Zarathustra (Zoroaster) stamt.

Dache-Dachus

(Chaldeeuws)

De dubbele emanatie van Moymis, het nageslacht van het tweevoudige of androgyne Wereldbeginsel, de man Apason en de vrouw Tauthe. Zoals met alle theocratische volken die bekend waren met de tempelmysteriën, spraken de Babyloniërs nooit over het ‘Ene’ beginsel of het Heelal, noch gaven zij het een naam. Dit was de reden dat Damascius (Theogonieën) opmerkte dat zoals met de rest van de ‘barbaren’ de Babyloniërs er in stilzwijgen aan voorbijgingen. Tauthe was de moeder van de goden, terwijl Apason haar zelfvoortgebrachte mannelijke kracht was, Moymis was het ideale heelal, haar enig verkregen zoon, en emaneerde op zijn beurt Dache-Dachus en op het laatst Belus, de demiurg van het objectieve heelal. (TG 93)

Dactylus

(Grieks) mv. Dactylen [van daktylos vinger]

Vinger(s). In de Griekse mythologie was hij de smid waarvan wordt gezegd dat hij als eerste koper en ijzer ontgon en dat bewerkte en dat hij muziek en ritme in Griekenland zou hebben geïntroduceerd. Het is ook een naam van de Frygische hiërofanten van Rhea Cybelē die magiërs, duiveluitdrijvers en genezers zouden zijn geweest. Vijf of tien in getal, zoals het aantal vingers, werden ze vergeleken met de corybantes — priesters van Atys, de jeugd was geliefd bij Cybelē — samen met de cureten, telchinen en anderen, die ook allemaal verbonden zijn met de kabiri. Maar de kabiri waren de manu’s, rishi’s en dhyani-chohans die incarneerden in de uitverkorenen van het derde wortelras en vroegste deel van de vierde. Aangezien de structuur van de hogere gebieden wordt weerspiegeld in de lagere staan al deze namen ook voor de aardse krachten en hun hiërofanten, die volgens de rite typisch zijn voor de verschillende landen. Ze werden verbonden met de bouwkunst van de Pelasgen (SD 2:345). Maar net als de cyclopen waren ze veel meer dan bouwers.

Dad-Dugpa

(Tibetaans)

Door Blavatsky beschouwd als de broeders van de schaduw, ...

de moordenaars van hun ziel. (Stem 49)

Daduchus

(Grieks) Dadouchos

Een fakkeldrager. Een van de vier voorgangers van de Eleusinische Mysteriën, die voor de Mystae loopt in de processie naar de tempel van Demeter op de vijfde dag van de viering van die rituelen.

Daemon est Deus Inversus

(Latijn) Daemon is een omgekeerde godheid, meer in het algemeen: de Duivel is een omgekeerde god.

Een oud hermetisch en later kabbalistisch aforisme dat wijst op de polaire macht die nodig is om het evenwicht en harmonie in de natuur te behouden. De Een (wanneer die zich manifesteert) wordt Twee en uit de Twee ontvouwt of ontwikkelt zich de rest van het gemanifesteerde bestaan. Geest en stof, goed en kwaad, kunnen als duidelijk herkenbare ideeën alleen bestaan door hun onderlinge tegenstellingen. Er is geen kwaad op zichzelf, maar de menselijke opvatting van het wezenlijke kwaad komt voort uit een onvermogen om het geheel in één keer te zien.

Daemon wordt in het algemeen gebruikt voor alle vormende krachten, van de hoogste tot de laagste. In dit aforisme wijst het op de vormende stralen tijdens hun uitstraling in en op de lagere gebieden van prakriti, die voor de duidelijkheid de lagere pool wordt genoemd. Westers monotheïsme, die de hogere scheppende krachten in een persoonlijke god hebben geantropomorfiseerd, personifieerden ook de lagere krachten in duivels en demonen. Maar Satan of de tegenstander is niet meer dan de boodschapper van God, omdat wat beneden is een weerspiegeling is van wat boven is. Zo maakt dit aforisme duidelijk dat het gehele gemanifesteerde heelal een vertegenwoordiging is van de stoffelijke ompoling of weerspiegeling van de goddelijke essentie en zijn emanaties die als geheel de geestelijke achtergrond en oorzakelijke krachten van het heelal zijn. Bovendien is een spiegelbeeld altijd omgekeerd.

Om te besluiten wijst het aforisme op het astrale licht, dat wordt voorgesteld als een driehoek met zwarte zijden die ligt op een omgekeerde driehoek met witte zijden (SD 1:424).

Daemon

Ook demon [van Grieks daimon, Latijn daemon]

Een god, engel of hemelse macht of geest van wisselende graad van spiritualiteit, beginnende met de hoogste godheid van de hiërarchie en dan in afdalende graden via de grotere goden omlaag, om te eindigen in wat slechts genii en lemuren zijn.

Oorspronkelijk stond het woord daemon simpelweg voor een god, maar later werd het woord vooral gebruikt voor de wezens tussen goden en mensen in, waarbij het deed denken aan de macht en invloeden van die goden. De Grieken en Romeinen hebben daemon soms gebruikt voor het goddelijke ego in de mens. Filosofen als Plato verdeelden de daemonen in drie soorten ...

De eerste twee zijn onzichtbaar, hun lichamen bestaan uit zuivere ether en vuur (planeetgeesten). De daimonen van de derde soort kleden zich in dampige lichamen, zij zijn normaal gesproken onzichtbaar, maar soms maken ze zichzelf vast en worden gedurende enkele seconden zichtbaar. Dat zijn de aardgeesten of onze astrale zielen. (BCW 6:187)

De daemon van Socrates was zijn hogere en geestelijke zelf en komt in deze betekenis overeen met het christelijke idee van de beschermengel. Hesiodus beschouwde hen als de geesten van de gouden eeuw die waren aangewezen om over de mensheid te waken en die te beschermen. We vinden vaak twee daemonen die een individu vergezellen, een die aanspoort tot het goede en de andere die aanzet tot het kwade, terwijl het toch dezelfde genius kan zijn waarvan de invloed op één moment goed wordt genoemd en op een ander moment kwaad.

Zoals met veel kosmische machten en hun symbolen gebeurt, zijn deze andere goden in het jodendom en christendom overgezet naar de kant van de kwade krachten die de mens vijandig gezind zouden zijn, waar we voor moeten vluchten in plaats van met ontzag vereren, of te zien als gehoorzame helpers als ze nog niet de menselijke status hebben bereikt. Het hele idee van de Tegenstander of Duivel is samengevat in het woord daemones. Maar gevallen engelen, die zouden rebelleren tegen God, deden niet meer dan hun natuurlijke evolutionaire plicht door de lagere werelden te ontwikkelen. Als personificatie van het kwaad kan het woord alleen maar naar waarheid worden gebruikt voor die wezens die de mens zelf is, door het opwekken van de slechte gedachten en hartstochten in de lagere lagen van het astrale licht die gaan spoken in kamaloka. Hoe het ook zij, de oude Grieken en Romeinen trokken zelf een scherpe lijn tussen de daemones of die van het meer geestelijke type, de ware spirituele wezens en de lagere, de aan de aarde gebonden daemones, die duidelijk bewoners van de lagere astrale en fysieke rijken zijn, entiteiten die de Ouden — met recht — veel meer vreesden dan de moderne christenen ooit hebben gedaan.

Zie ook Agathodaemon

Daena

(Avestisch) [van da, day kijken, zien, weten]

De tot een mens gemaakte zoroastrische wet of religie, die heerst over de 24ste dag van de maand en aan die dag haar naam geeft. Samen met Khista (godsdienstige kennis, de kennis die leidt tot gelukzaligheid) is zij het onderwerp van de 16de yasht, Din Yasht, Din is Pahlavi voor Daena. Christi (kennis) werd in mithraïsche kringen in dezelfde betekenis gebruikt als Daena in het zoroastrianisme.

Het is het menselijke beginsel van begrijpen dat een parallel vindt in het manas (TG 94), ook het vierde van de vijf vermogens. Op de brug van Chinvat ontmoet de ziel na de dood zijn daena in de hoedanigheid van een maagd waarvan de wisselende verschijningen afhangen van de daden van de ziel op aarde.

Daeva

(Avestisch) Daēva; (Pahlavi) Dev en (Perzisch) DivDīv

In de Avesta zijn het wezens die kwaad in de zin hebben en die onder het volk werden gezien als kwade geesten of demonen in de macht van Angra-Mainyu. Het is een algemene naam voor de klasse van geestelijke, half-geestelijke en etherische wezens die in de mystieke literatuur van andere landen worden beschreven als daimonen, deva’s, geesten enz. Ze variëren zodoende van zelfbewuste wezens van relatief hoog ontwikkelde graad omlaag tot wat in de theosofie elementalen worden genoemd.

In de Vendidad worden de daēva’s ‘boosdoeners’ genoemd en wordt gezegd dat zij wegsnellen ‘naar de diepten van de wereld van de hel’ of de stof ... In deze allegorie worden de deva’s gedwongen te incarneren, als zij zich eenmaal hebben gescheiden van hun ouder-essentie of, met andere woorden, nadat de eenheid na differentiatie en manifestatie een veelheid is geworden. (SD 2:516)

In een andere betekenis ziet Blavatsky de daeva’s als de reuzen van Atlantis (SD 2:772).

In het Perzisch zijn de divs gemene, krachtige wezens die het bewind van de rechtvaardige koningen van Iran tegenwerken.

Dag

(Hebreeuws, Fenicisch) Ook DagonDāg, Dāḡôn [van dāg vis + ōn verkleinwoord; of van dāgān graan]

Vissen of visje. Een Filistijnse god van Ashod en Gaza die op verschillende plaatsen in de Bijbel wordt genoemd (bijv. Richteren 16). Maar hij was toch meer dan een plaatselijke god aangezien er wijd verpreid veel plaatsen zijn die zijn naam dragen. Enkele wetenschappers verklaren dat er een oude kanaänitische godheid met eenzelfde naam was en ook dat zij deze Semitische god verbinden met de Babylonische Dagan. Het wordt algemeen aangenomen dat Dagon als half-man half-vis werd afgebeeld en ook bekend stond als Oannes, hoewel geen enkele afbeelding zijn naam draagt. Enkele wetenschappers citeren Philo Byblius die van Dagon de ontdekker van het graan en de uitvinder van de ploeg maakte, een god van de aarde die overeenkomt met Bel.

De vis als mystiek embleem was misschien wel beter bekend onder de primitieve christelijke sekten dan onder de Hebreeën. De eenvoudige eerste en zelfs latere christelijke iconen laten veel voorbeelden zien van de vis als symbool van de Logos en zijn incarnatie als de messias. Hetzelfde zien we bij de eerste christenen die zichzelf pisciculi (Latijn voor ‘visjes’) noemden en over Christus spraken als de Grote Vis, waarin de Logos een rol speelt als die zichzelf manifesteert in de wateren van de ruimte en daarin zo ongeveer leeft als een vis in het water.

Ook genoemd in Daos

De grote Dag wees met ons

De lipika’s, karmische optekenaars van het heelal, trekken een grens — de zogenoemde ‘ring-verder-niet’ — die tijdens zijn bestaan nooit kan worden gepasseerd, alleen door evolutie, tussen de persoonlijke ego en het onpersoonlijke of kosmische zelf. De incarnerende monaden kunnen deze ‘ring’ niet passeren totdat zij door het evolutionaire opklimmen en het ontwikkelen opnieuw één zijn geworden met de universele of kosmische ziel. De lipika’s ...

zijn direct verbonden met karma en wat de christenen de Dag van het Oordeel noemen. In het Oosten werd het de Dag na het Mahamanvantara genoemd, of de ‘Dag-wees-met-ons.’ Dan wordt alles één, alle individuen gaan op in één, en toch kent ieder dan zichzelf ... dan, zal dat wat voor ons nu niet-bewustzijn is of het onbewuste, absoluut bewustzijn zijn. (TBL 112)

Bij de Egyptenaren wordt dit de Dag-naar-Ons genoemd en wijst naar dat wat de hindoes paranirvāṇa of de grote nacht of eenheid in Brahman noemen.

Dageraad

Vaak wordt er het begin van een nieuwe cyclus mee bedoeld, een grote of een kleine. Venus-Lucifer wordt de lichtgevende zoon van de ochtend of het manvantarische ochtendgloren genoemd en de bouwers zijn de lichtgevende zonen van de manvantarische dageraad. In de Griekse mythologie heeft Apollo (de zon) twee dochters: Hilaira en Phoebe (avondschemering en ochtendgloren); Eos is de dageraad net als Aurora in het Latijn. In de mythologie van de hindoes is de vrouw van Surya (de zon) Ushas (dageraad) en zij is ook zijn moeder. In het Viṣṇu-Purāṇa neemt Brahmā, vanwege de vorming van de wereld, vier lichamen aan — het ochtendgloren, de nacht, de dag en de avondschemering. Van de mens wordt gezegd dat hij is voortgekomen uit het lichaam van de ochtendschemering, want de ochtendschemering betekent licht en de intelligentie van het intellect van het heelal wordt vaak mahat genoemd, de uiteindelijke voortbrenger en inderdaad het uiteindelijke doel van de Hiërarchie van Licht waarvan de menselijke hiërarchie slechts een klein fragment is.

Zie ook Sandhi

Dagoba

(Singalees)

Een koepelvormig bouwwerk (stupa) dat over de resten van een boeddha­ of boeddhistische heiligen wordt gebouwd.

Daimonion

(Grieks) Verkleinwoord van daimon.

De naam die door Socrates was gegeven aan de waarschuwende stem die over hem waakte en zijn handelingen overzag en die hem nooit vertelde wat hij moest doen, maar wat hij niet moest doen. In de praktijk is het hetzelfde als het geweten of de stem van de wederbelichamende ego, die in een mensenleven tot een buitengewoon hoge graad tot leven kan komen.

Dainn

(IJslands) [van deyja flauwvallen]

Een dwerg in de Noorse Edda die het onbewust zijn, of bewusteloosheid voorstelt. De Dainn worden wakker wanneer de werelden gaan rusten en gaan slapen als die werelden ontwaken. Dainn is ook de naam van een van de vier herten die aan de bladeren van de levensboom, de Yggdrasil, knabbelen.

Daiteyi

(Sanskriet) Daiteyī

Ontstaan uit of behorende tot de daiteya’s of daitya’s.

Daitya

(Sanskriet) Daitya

Een groot Atlantisch eiland-continent. Blavatsky geeft het ...

ongeveer 850.000 jaar sinds de overstroming van het laatste grote eiland (een deel van het continent), het Ruta van het vierde Ras of de Atlantiërs; Daitya, een klein eiland dat door een gemengd ras werd bewoond, werd ongeveer 270.000 jaar geleden, omstreeks de ijstijd verwoest. (SD 1:651 — 2:141, 314n, 433, 710)

Zie ook Ruta

Daitya-guru

(Sanskriet) Daityaguru

Leraar van de daitya’s. Een naam van Sukra, heerser van de planeet Venus.

‘De guru van de daitya’s is de beschermgeest van de aarde en de mensen. Elke verandering op Sukra wordt gevoeld op en weerspiegeld door de aarde.’
 Sukra of Venus wordt dus voorgesteld als de leraar van de daitya’s, de reuzen van het vierde Ras, die volgens de hindoe-allegorie eens de heerschappij over de hele aarde verkregen en de lagere goden versloegen. (SD 2:31)

Daitya’s

(Sanskriet) Ook Daiteya’s

Nakomelingen van Diti. Als we onder Aditi mulaprakriti verstaan of de kosmische ruimte is Diti de lage pool van Aditi en kan worden gezien als het totaal van alle prakriti’s. Kosmisch gezien zijn de daitya’s titanen, vaak asura’s genoemd, die als taak hebben alle dingen tot ontwikkeling aan te zetten of op te zwepen, gezien tegen het licht van de onvergelijkelijk veel langzamere, maar onophoudelijke evolutionaire ‘onbeweeglijkheid’ van de enorm grote kosmische machten. Wat de aarde betreft zijn ze de titanen en reuzen van het vierde wortelras. Volgens de hindoe-Purāṇa’s zijn deze daitya’s demonen en vijanden van de ceremoniële offeringen en rituele ceremoniën, maar volgens de geheime betekenis die achter de verhalen schuilgaat, waren sommige daitya’s de naar de toekomst kijkende en een impuls gevende intellectuele entiteiten die tegen de starheid en het dode gewicht van de menselijke natuur optrad.

De demonen, die in de Purāṇa’s zo worden genoemd, zijn vanuit het gezichtspunt van de Europese en orthodoxe opvattingen over deze wezens, heel uitzonderlijke duivels, omdat ze allemaal — dānava’s, daitya’s, piśācha’s en de rākshasa’s — als buitengewoon vroom worden voorgesteld; ze volgen de voorschriften van de Veda’s en sommigen van hen zijn zelfs grote yogi’s. Maar zij verzetten zich tegen de geestelijkheid en tegen rituelen, offers en vormen — precies zoals de volledig ontwikkelde yogi’s in India nog steeds doen — en zij worden daar niet minder om gerespecteerd, hoewel men hun niet toestaat kaste of ritueel te volgen; daarom worden al die reuzen en titanen uit de Purāṇa’s duivels genoemd. (SD 1:415)

Daiviprakriti

(Sanskriet) Daivīprakṛti [van daivī goddelijk, van de werkwoordstam div schitteren + prakṛti oorspronkelijke essentie of natuur]

Goddelijke of oorspronkelijke ontwikkelaar, oorspronkelijke bron, goddelijke stof of oorspronkelijke essentie. Aangezien de oorspronkelijke essentie zichzelf manifesteert in de kosmische ruimten als het oerlicht of het allereerste kosmische Licht ... hebben vele mystici daiviprakriti omschreven als ‘het Licht van de Logos.’ Daiviprakriti is in feite de eerste sluier of het eerste omhulsel van het etherische lichaam dat de Logos omhult, zoals in de Sānkhya-filosofie pradhana of prakriti purusha of brahman omhult, en zoals op een onvergelijkbaar veel grotere schaal, mulaprakriti parabrahman omgeeft. Wanneer daiviprakriti daarom elementale stof is ... stof in zijn eerste en tweede stadia van evolutie van bovenaf gerekend, is het juist wanneer we spreken over een vliesachtige etherische zweem van licht die aan de middernachtelijke hemel kan worden gezien als een fysieke manifestatie van daiviprakriti, omdat als ze geen werkelijk oplosbare nevels zijn, ze wel werelden moeten zijn, of liever gezegd wereldstelsels in ontwikkeling.

Als daiviprakriti een bepaalde evolutionaire toestand of staat heeft bereikt kunnen we er heel juist over spreken door het Ti­be­taanse woord fohat te gebruiken ... hoewel fohat het energiegevende vermogen is dat werkt in en op de gemanifesteerde daiviprakriti, of de eerste werkelijkheid. Als de ruiter op zijn paard is het de kosmische intelligentie, of kosmische Monade, zoals Pythagoras zou zeggen, die door zowel daiviprakriti en zijn differentiërende energie genaamd fohat werkt, wat het leidende en beheersende beginsel is, niet alleen in de kosmos, maar in ieder van de lagere elementen en wezens die in massale hoeveelheden de kosmos vullen. Het hart of de essentie van de zon is daiviprakriti dat op zichzelf werkt en ook in zijn manifestatie die fohat wordt genoemd, maar door het fohatische aspect van daiviprakriti loopt de alles doordringende en sturende intelligentie van de godheid van het zonnestelsel. Een serieuze bestudeerder zou nooit de vergissing moeten maken deze leidende intelligentie van de zon los te zien van zijn sluiers of voertuigen, waarvan een van de hoogste daiviprakriti-fohat is. (OG 32-3)

Blavatsky verklaart de diverse betekenissen van daiviprakriti:

In de esoterie van de Vedānta is daiviprakriti, het door Eswara — de logos — gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van Parabrahmam. In de esoterie van de leringen van over de Himalaja is zij echter — in de hiërarchie van de allegorische en metafysische theogonie — ‘de Moeder’ of abstracte ideële stof, Mulaprakriti, de wortel van de Natuur; — van metafysisch standpunt staat zij in verband met adi-bhuta, gemanifesteerd in de logos, Avalokiteshvara; — en uit een zuiver occult en kosmisch oogpunt met fohat, de ‘zoon van de zoon’, de androgyne energie die voortkomt uit dit ‘licht van de logos’ en die zich op het gebied van het objectieve Heelal manifesteert als de verborgen en ook als de zichtbaar gemaakte elektriciteit — die het Leven is. (SD 1:136)

Verderop zegt ze dat de theosofie ...

onderwijst dat deze oorspronkelijke prima materia, goddelijk en intelligent — de directe uitstraling van het Universele Denkvermogen, de daiviprakriti (het goddelijke licht dat voortkomt uit de logos) — de kernen van al de ‘zelfbewegende’ bollen in de Kosmos vormde. Zij is de bezielende, altijd aanwezige drijfkracht en het levensbeginsel, de levende ziel van de zonnen, manen, planeten en zelfs van onze aarde. (SD 1:602)

Dakhma

(Avestisch) [van dag verbranden, cremeren]

Een gebouw voor de uitvaart of crematie van de Parsi’s, de Toren van Stilte.

Dakini

(Sanskriet) Ḍākinī

Vrouwelijke demonen, vampieren en bloeddrinkers die leven van mensenvlees, ook de dienares van Kali, partner van Śiva. Een soort kwaadaardige elementaal. Afgezien van mythologische verklaringen kan van de dakini’s worden gezegd dat zij tot de gevorderde elementale wezens behoren.

Maar met het vierde ras bereiken we de zuiver menselijke periode. De tot dan toe halfgoddelijke wezens, die zich hadden opgesloten in lichamen die alleen uiterlijk menselijk waren, werden fysiologisch veranderd en namen vrouwen tot zich die volkomen menselijk waren en mooi om naar te kijken, maar in wie lagere, meer materiële, hoewel toch siderische wezens waren geïncarneerd. Deze wezens in vrouwelijke vormen (Lilith is het prototype hiervan in de joodse overleveringen) worden in de esoterische verslagen ‘khado’ (dakini in het Sanskriet) genoemd. Allegorische legenden noemen het hoofd van deze Liliths, Sangye Khado (Boeddha Dakini in het Sanskriet); aan allen wordt de kunst van ‘het lopen in de lucht’ toegeschreven en de grootste vriendelijkheid tegenover stervelingen; maar geen verstand — alleen dierlijk instinct. (SD 2:284-5)

Zie ook Lilith

Daksha

(Sanskriet) Dakṣa [van dakṣ geschikt, sterk]

Handig, geschikt, intelligent, slim; wanneer gebruikt als een eigennaam staat het voor een intelligente kracht of kundigheid. Daksha was een van de belangrijkste prajapati’s, kosmische scheppende intelligenties, geestelijke entiteiten. De synthese of het totaal van de aardse voorouders, waaronder de pitri’s.

Daksha duidt op intelligentie of competentie maar draagt gewoonlijk ook het idee met zich mee van een scheppende of ontwikkelende kracht.

Hij is een zoon van Brahmā en Aditi, en volgens andere versies een zelf-geboren kracht, die evenals Minerva uit het lichaam van zijn vader tevoorschijn kwam. ... En de Rig Veda zegt dat ‘Daksha voortkwam uit Aditi en Aditi uit Daksha’, een verwijzing naar de eeu­wi­ge cyclus van wedergeboorte van dezelfde goddelijke essentie. (SD 2:247)

Als de voorouder van de werkelijke fysieke mens was Daksha, de zoon van de Prachetasas en Marisha, de eerste ‘uit een ei-geborene.’ Hij begint het tijdperk van mensen die worden voortgebracht door seksuele gemeenschap. Maar deze manier van voortplanten vond niet van de ene op de andere dag plaats, zoals sommigen misschien denken, maar nam een enorm lange periode in beslag voordat het de ene ‘natuurlijke’ manier werd. Daarom is te zien dat zijn offer aan de goden werd dwarsgezeten door Śiva, de vernietigende godheid, de evolutie en vooruitgang gepersonifieerd door ... Virabhadra, ‘vertoevend in het gebied van de geesten (etherische mensen) ... schiep uit de poriën van de huid (Romakupa’s), de machtige Raumas (of Raumya’s).’ Wel, hoe mythisch de allegorie ook mag schijnen, het Mahābhārata is net zo historisch als de Iliad, zij laat de Raumya’s [de harigen] en andere rassen zien, die op dezelfde manier tevoorschijn komen als de Romakupa’s, haar- of huidporiën ...

In het verhaal van het Vayu Purāṇa over het offer van Daksha is gezegd dat het in aanwezigheid van schepselen plaats vond die waren geboren uit een ei, uit damp, vegetatie, huidporiën en als laatste uit de moederschoot.
 Daksha staat model voor het vroegde Derde Ras, heilig en zuiver, maar nog steeds zonder individueel Ego, en heeft niet meer dan passieve eigenschappen. Brahmā gaf daarom aan hem de opdracht te scheppen (in de exoterische teksten; toen aan de opdracht gehoor werd gegeven, maakte hij ‘lagere en hogere’ (avara en vara) nakomelingen (putra), met twee voeten en met vier voeten; met zijn wil liet hij vrouwen geboren worden ... voor de goden, de Daitya’s (de reuzen van het vierde Ras), de slangengoden, dieren, vee en de Danava’s (Titanen en demon-magiërs) en andere wezens.
... ‘Vanaf die periode werden levende schepselen voortgebracht door seksuele gemeenschap. Vóór de tijd van Daksha werden ze op verschillende manieren voortgebracht — door de wil, door het zien, door te voelen en door de kracht van Yoga.’ [citaten uit het Vishṇu-Purāṇa]. (SD 2:182-3)

Daksha-Savarna

(Sanskriet) Dakṣasāvarṇa

Een van de 14 manu’s, de wortel-manu van de vijfde ronde (SD 2:309).

Dakshinayana

(Sanskriet) Dakṣiṇāyana [van dakṣiṇa zuidelijke + ayana weg, pad]

De weg naar het zuiden, de weg naar het rijk van Yama, de vooruitgang van de zon zuidelijk van de evenaar, het winterse halve jaar. In de mystieke filosofie van de hindoes is dakshinayanam anuya (het volgen van de weg naar het zuiden) gebruikt om het stervensproces te beschrijven.

Dalada

De ‘tand’ van de Boeddha. Foto: lankapura.com(Sanskriet) Daladā

Een relikwie van Gautama Boeddha, het zou gaan om de linker hoektand van de Boeddha die wordt bewaard in Kandy, Sri Lanka.

Helaas is de relikwie niet echt. De tand is meer dan vele honderden jaren geleden veilig opgeborgen, direct na een schandalige en kwezelachtige poging van de Portugezen (destijds de heersende macht in Sri Lanka) om die te stelen en met het werkelijke overblijfsel ervandoor te gaan. Dat wat is te zien in plaats van het werkelijke ding is de monsterachtige tand van een of ander beest. (TG 95)

Dalai Lama

[van Mongools ta-le oceaan]

De titel van de Grote Lama of abt van het Gedun Dubpa klooster te Lhasa, Tibet. Voornamelijk gebruikt door Chinezen en Mongolen. Een sleutel tot de symbolische naam van Dalai Lama (oceaan-lama betekent oceaan van wijsheid), kan worden gevonden in de school van de grote zee van kennis of geleerdheid dieDe 14de Dalai Lama, Tenzin Gyatso. Foto: Tibet.net vele eeuwen lang kon worden gevonden waar nu de uitgestrekte vlakten van de Shamo of Gobiwoestijn te vinden zijn (SD 2:502). De Tibetanen noemen hem rgyal be rinpoche (geliefde overwinnaar) of vaak simpelweg Kun-dun (de Aanwezigheid). Algemeen wordt gedacht dat hij een incarnatie is van Chenresi (Avalokitesvara) en wordt beschouwd als de wereldlijke leider van Tibet.

De eerste drie opvolgers van Tsong-kha-pa als leiders van de Gelukpa-sekte waren zijn meest getrouwe discipelen Gyel-tshab-je (Rgyal tshab rje), Khe-dub-je (Mkhas grub rje) en zijn neef Gen-dun-dub (Dge ’dun grub). Gendundub, die het klooster van Tashi-Lhunpo had gesticht en de Gelukpa-orde had opgezet, werd herkend als de eerste Dalai Lama. Hij werd opgevolgd door Gen-dun Gya-tsho (Dge ’dun rgya mtsho), die werd herkend als de reïncarnatie van Gendundub. Gendun Gyatsho werd vervolgens opgevolgd door zijn reïncarnatie Sonam Gyatsho (Bsod nams Rgya mstho).

In 1578 ontving Sonam Gyatsho de steun van Altan Khan, leider van de Tumed Mongolen, die aan hem de beleefdheidstitel van Ta-le Lama gaf, die postuum werd doorgegeven aan de voorgangers van Sonam Gyatsho. Vanaf dat moment ontvingen de Gelukpa’s steun en bescherming van de Mongolen en breidden zij hun school uit onder de Mongolen — in feit was de vierde Dalai Lama de achterkleinzoon van Altan Khan. Het was de vijfde Dalai Lama die opdracht gaf tot de bouw van het Potala-paleis en die met de hulp van de leider van de Mongolen, Gushri Khan, de Gelukpa-orde als de overheersende macht van Tibet installeerde en de Dalai Lama in Lhasa als de wereldlijk leider van het land.

Overzicht van Dalai Lama’s:

1. Gendundub (Dge ’dun grub) 1391-1474
2. Gendun Gyatsho (dge ’dun rgya mtsho) 1475-1542
3. Sonam Gyatsho (Bsod nams rgya mtsho) 1543-88
4. Yonten Gyatsho (Yon tan rgya mtsho) 1589-1616
5. Ngawang Lobsang Gyatsho (Ngag dbang blo bzang rgya mtsho) 1617-82
6. Tsangyang Gyatsho (Tshangs dbyangs rgya mtsho) 1683-1706
7. Kelsang Gyatsho (Bskal bzang rgya mtsho) 1708-57
8. Jampel Gyatsho (’Jam dpal rgya mtsho) 1758-1804
9. Lungtog Gyatsho (Lung rtogs rgya mtsho) 1806-15
10. Tsultrim Gyatsho (Tshul khrims rgya mtsho) 1816-37
11. Khedub Gyatsho (Mkhas grub rgya mtsho) 1838-56
12. Thinle Gyatsho (’Phrin las rgya mtsho) 1856-75
13. Thubten Gyatsho (Thub bstan rgya mtsho) 1876-1933
14. Tendzin Gyatsho (Bstan ’dzin rgya mtsho) 1935-

Dama

(Sanskriet) Dama [van de werkwoordstam dam onderdrukken, overwinnen]

Zelfbeteugeling, zelfbeheersing.

Damaghosha

(Sanskriet) Damaghoṣa

Koning van de Chedi en vader van Sisupala, de demon-reïncarnatie van Ravana die door de avatara Kṛishṇa was gedood.

Dambulla

Een kolossale rotsDambulla grottempel, Sri Lanka. Foto: Infotel.lk in Sri Lanka, met diverse grote, oude, uit één rots uitgehouwen grottempels (vihara’s). De Maharaja Vihara (52 x 23 meter) bevat meer dan 50 boeddha­beelden, waarvan sommige groter dan levensecht en uit één stuk steen gemaakt. Bij de Mahadewiyo Vihara is er een 14 meter lang liggend beeld van Gautama Boeddha, rustend op een bank met kussen, uitgehakt uit één stuk steen.

Damkina

(Chaldeeuws, Babylonisch) Soms geschreven als Davkina.

Echtgenote van Ea of Hea, godin van de waterige gebieden, zij heeft ook de eigenschappen van Ea, vandaar dat zij Damgal-nunna (grote dame van de wateren) wordt genoemd en is dezelfde als Nin-Ki (dame van dat wat onder is, dat wil zeggen, de waterige diepten of de onderwereld). Moeder van Marduk (of Merodach).

Dana

(Sanskriet) Dāna [van de werkwoordstam geven]

De daad van het schenken; een gift of donatie; in het boeddhisme de eerste van de pāramitā’s:

... de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde. (Stem 45)

Zie Chatur-Varna

Danava’s

(Sanskriet) Dānava’s

Kinderen van Danu (of Danayu) en Kasyapa, vaak herkend als de daitya’s en asura’s en beschouwd als vijanden van de goden of deva’s. De titanen en demon-magiërs van het vierde wortelras, bijna gelijk aan de daitya’s of reuzen en de onverzoenlijke tegenstanders van die groepen van het vierde wortelras die vasthielden aan ritualisme en afgodenverering.

Dand

(Sanskriet) Ook dandadaṇḍa, stok of staf.

De bamboe met drie en zeven knopen van de sannyasi’s die na hun inwijding aan hen waren geschonken als teken van macht. (BCW 2:119)

Gebruikt door raja yogi’s om de essentie van de kracht van de yogi erin op te slaan:

Wanneer hij deze kracht in zichzelf herkent, draagt hij die over op een bepaald object en concentreert die kracht in dit object ... Dan, in een bepaalde situatie, gebruikt hij zijn eigen wil en verstand en richt die kracht in één richting of een andere, waarvan de tweevoudige eigenschap aantrekking en afstoting is ... Door middel daarvan verandert hij de staf of daṇḍa in een vahana, vult het met zijn eigen kracht en geest en geeft het voor de tijd die nodig is zijn eigen eigenschappen. (Caves and Jungles 594; ook 596-8)

Dangma

(Senzar-Tibetaans) Gezuiverde ziel.

Gebruikt ten noorden van de Himalaya’s voor iemand waarin het geestelijke oog actief is en die daarom een jīvanmukta of hoge mahātma is. ‘Het geopende oog van de dangma’ wordt gebruikt in de Stanza’s van Dzyan voor de ontwaakten, het actieve vermogen van geestelijke visie en intuïtie, waardoor rechtstreekse, zekere kennis verkrijgbaar is van welk ding of onderwerp dan ook waar de ingewijde zijn aandacht op richt. Het wordt in India het Oog van Śiva genoemd en door theosofen het spirituele derde oog.

Daniël

(Hebreeuws) Dāniyyē’l

Het boek Daniël van het Oude Testament bestaat uit twaalf hoofdstukken, waarvan de eerste zes historisch verhalend zijn en de laatste zes profetisch. Volgens de eerste zes delen was Daniël populair rond 600 v. Chr., werd toen met andere joden door Nebukadnezar als gevangenen weggevoerd naar Babylon en werd daar een Magus. Zijn vaardigheid in het interpreteren van dromen bezorgde hem de gunsten en het gouverneurschap van de provincie van Babylon. Later werd hij de eerste president van het gehele Medo-Perzische rijk.

De wetenschap vindt het echter moeilijk de bijbelse informatie in overeenstemming te brengen met de gegevens uit andere bronnen.

Danu

(Sanskriet) Danu

Een dochter van Daksha en Kasyapa, moeder van de danava’s, vaak in hindoeverhalen demonen, reuzen of titanen genoemd omdat ze bijna hetzelfde zijn als de daitya’s. Zij zijn de vijanden van de goden die behoren bij zinloze rituelen of ceremonieën.

Daos

(Chaldeeuws)

Zesde koning (herder) van de Babylonische goddelijke dynastie die 36.000 jaar heerste.

In zijn tijd maakten vier Annedoti, of Man-Vissen (Dagons) hun opwachting. (TG 96)

Darasta

(Kolarisch)

Ceremoniële magie die werd uitgevoerd door stammen in centraal-India, vooral door de Kolariërs. (TG 96)

Dardanus

(Grieks)

Een van de halfgoden of goddelijke leraren, de zoon van Zeus en Elektra, de dochter van Oceanus en Tethys. Hij was de koning van Arcadië die de kabiri-goden overbracht naar Samothrake en van daar naar het Midden-Oosten, waar hij de voorouder werd van het koningshuis van Troje.

Darha

(Kolarisch)

De geesten van de voorouders van de Kolariërs (TG 96).

Darom

(Hebreeuws) Dārōm

Het zuiden, of het zuidelijke land. Ook gebruikt voor een zuidelijke wind.

Darsana

(Sanskriet) Darśana [van de werkwoordstam dṛs zien, waarnemen]

Zien, visie, gezichtspunt, opinie, leer, filosofische mening. Als meervoudsvorm verwijzen de darsana’s vooral naar de zes scholen (ṣaḍ-darśana) van de oude hindoefilosofie: 1) de Nyāya (school van logica); 2) de Vaiśeṣika (atomistische school); 3) de Sānkhya; 4) Yoga; 5) de Purva-Mīmāṃsā (eerste school van de Vedānta); en 6) de Uttara-Mīmāṃsā (laatste of hogere school van de Vedānta).

Deze scholen zijn onderling verbonden door filosofische beginselen en vooronderstellingen, wat wil zeggen dat wanneer we heel precies het ware en volledige karakter van het heelal en van de gehele menselijke constitutie als een entiteit willen begrijpen, zoals die zijn uitgewerkt door de grote Indiase denkers die deze zes scholen hadden gesticht, dan zouden we alle zes moeten bestuderen. De verschillende stelsels van deze scholen zijn opgebouwd op basis van uiteenzettingen over de kosmische en menselijke natuur volgens de ideeën van de respectievelijke stichters van de mysteriën, van het geestelijke tot aan het fysieke, verklaard en filosofisch voorgesteld.

Darwinisme

De school van het wetenschappelijke denken die de theorie van Charles Darwin verdedigt.

De aanhangers stellen dat de oorsprong en voortplanting van soorten in de dieren- en plantenrijken door natuurlijke selectie plaatsvindt, wat leidt tot het overleven van de geschiksten. Deze ideeën werden in de 19de eeuw gepopulariseerd door Thomas Huxley en Ernst Haeckel, in de 20ste eeuw werden de kennis van de genetica en mutaties door het neodarwinisme in de darwinistische theorie opgenomen.

Terwijl het darwinisme heeft geleid tot een brede acceptatie van het idee van evolutionaire ontwikkeling, nemen theosofen vaak afstand van zijn exclusieve nadruk op een ononderbroken evolutie tot het einde toe, door de verandering van fysieke lichamen, waarbij het uitsluitend afhangt van toeval en fysieke oorzaken, naast het ontbreken van geest of bewustzijn in het evolutieproces. Het darwinisme stelt dat de eenvoudigste chemische samenstellingen heel geleidelijk eenvoudige organische entiteiten opleveren door willekeurige natuurkundige processen en dat natuurlijke, stoffelijke krachten door aanwas en ervaringen in het milieu, vervolgens steeds complexere en verder ontwikkelde structuren produceren die een continuüm van de fysieke evolutie vormen, totdat bewustzijn ontstaat. Langs deze weg zou de mensheid zich zeer recent hebben ontwikkeld uit de mensapen.

De theosofie heeft een hele andere visie. Volgens de theosofie werken bij het begin van de manifestatie van een planeet, de geestelijke, hoogontwikkelde entiteiten samen met de minst ontwikkelde rijken van de natuur, en heel geleidelijk worden de innerlijke en uiterlijke voertuigen die nodig zijn voor de expressie van het ingeboren bewustzijn van de grote hoeveelheid verschillende entiteiten van de natuurrijken, opgebouwd. De lagere natuurrijken kunnen zich manifesteren door middel van de verder ontwikkelde rijken, wat betekent dat het mensenrijk de wortel of oorsprong is van alle natuurrijken eronder, die werden geboren uit de proto-menselijke stam in eerdere evolutionaire perioden.

Aldus stelt de theosofie dat alle evolutieprocessen latent aanwezig zijn in de essentie van iedere entiteit, ...

de evolutie van de mens en van de onder hem staande wezens en van het heelal zelf kan niet logisch en volledig worden verklaard op grond van het algemeen aanvaarde wetenschappelijke patroon of de zogenaamde wetenschappelijke feiten, die uitsluitend berusten op fysische en chemische werkingen. Dit zijn niet de enige factoren die bij de evolutie van wezens een rol spelen; en het voornaamste verschil (met weglating van andere belangrijke feiten) tussen de theosofische opvatting over evolutie en de tot nu toe in de wereld gangbare theorieën is dat de laatstgenoemde weigeren achter en in de functionerende fysische machine het bestaan te erkennen van een psychovitale motor — of liever van ingenieurs, noem hen geestelijke entiteiten zo u wilt. (MeE 115)

Zie ook Antropoïden; Evolutie

Dasa

(Sanskriet) Daśa

Het rangtelwoord tien.

Dasa-sila

(Pali) Dasasīla

De tien morele regels en de bijbehorende gedragsregels die de ethische code vormen waarnaar elke boeddhistische priester moet leven. Daarnaast zijn het de tien regels die, als ze in acht worden genomen, leiden tot de ontwikkeling van een goed karakter en gedrag en die niet anders zijn dan onthouding van:

1) panatipata veramani — het nemen van een leven;

2) adinnadana — het nemen van wat niet aan iemand is gegeven;

3) abrahmachariya — overspel plegen, anders genoemd kamesu michchha-chara;

4) musavada — vertellen van leugens;

5) pisunavachaya — laster;

6) pharusa-vachaya — hardvochtige of onbeleefde spraak;

7) samphappalapa — frivool en onzinnig geklets;

8) abhijjhaya — hebzucht;

9) byapada — kwaadwillendheid, en ten slotte

10) michchhaditthiya — ketterse gezichtspunten.

De eerste vier, waaraan onthouding van het gebruik van bedwelmende middelen moet worden toegevoegd, vormen de Pansil (Pañca-śīla in Sanskriet) of de verplichtingen die moeten worden nagekomen als een nieuwe volgeling het boeddhisme accepteert en het pad ervan gaat bewandelen.

Dasadis

(Sanskriet) Daśadiś [van daśa tien + diś duidelijk maken, aanwijzen]

Een gebied, deel, of richting in de ruimte. Dasadisa’s (mv.) slaat op de tien regionen: de acht kardinale punten van het kompas met boven en beneden. Dit is gebruikt door oude Sanskriet-schrijvers om er de tien vlakken of kanten van het heelal mee aan te duiden. Zulke woorden verwijzen niet echt naar de punten van het kompas, hoewel die er wel onder worden begrepen, maar eerder naar de feitelijke oude esoterische indeling van de ruimte die als een onbegrijpelijk immens pleroma of volheid van het AL werd beschouwd.

Zie ook Ashtadisas

Dasein

(Duits) In oud-Duits ‘daseyn’ [van da daar + sein zijn]

Worden. Verschilt van sein als het Latijnse existere verschilt van esse [bestaan tegenover essentie]. Door Fichte gebruikt om het vele te onderscheiden van het Ene: we kennen het Sein alleen door het Dasein. Het ongemanifesteerde is en wordt wanneer het zich manifesteert.

Zie ook Zijn en Niet-zijn

Dasturs

(Perzisch) Ministers, autoriteiten, raadsheren, zoroastrische priesters.

De hoogste klasse van de parsi-priesters, de tweede klasse zijn de mobeds. Hoewel de zoon van een dastur niet een dastur hoeft te zijn, kan niemand die niet de zoon van een dastur is er een worden.

Dat

Dit is de vertaling van het Sanskrietwoord tat of tad, het is dat wat geen naam heeft, ofwel het on­uit­sprekelijke. Als het gaat om dat wat voorbij het uiterste ligt dat kan worden gekend, kan het niet anders dan dat wordt gesteld dat het niet kan worden gekend; dat wat voorbij de uiterste grenzen van het begrijpelijke ligt, moet iets zijn dat we niet kunnen begrijpen: het AL, gesymboliseerd door een cirkel zonder een punt in het midden. Het is de abstracte ruimte en de punt of het centrum is aditi of ruimte in potentie. Het is de Ene, dat Brahman is en pums (geest) en pradhana (oorspronkelijke materie), onveranderlijk omdat het een abstracte ruimte is zonder kenmerken of eigenschappen, die aan alle manifestaties vooraf gaat en die overblijft als alle manifestaties tijdens pralaya zijn verdwenen. Daarom is het niet-zijn voor ons in de zin van dat het Zijn-heid is, abstracte ruimte en grenzeloze duur in één.

Het equivalent in de Kabbalah is ’eyn soph (zonder grenzen) dat bestaat vóór alle getallen, het is dat waaruit alle getallen ontspringen.

Dattatraya

(Sanskriet) Dattātreya

De universele heer. Gewoonlijk ...

de drie-eenheid van Brahmā, Vishṇu en Śiva, geïncarneerd in een Avatara — natuurlijk als een drievoudige essentie. De esoterische en ware betekenis is de eigen drie-eenheid van de adept, van lichaam, ziel en geest; die drie zijn door hem allemaal verwezenlijkt en zijn werkelijk, bestaand en vol kracht. Door het beoefenen van yoga wordt het lichaam zuiver als een beker van kristal, de ziel is gereinigd van al zijn grofheid en de geest, die aan het begin van het proces van zelfreiniging en ontwikkeling voor hem niet meer dan een droom was, is nu een werkelijkheid geworden — de man is nu een halfgod. (BCW 2:160)

Dattoli

(Sanskriet) Dattoli — Varianten: Dattotti, Dattoi, Dattali, Dattotri, Dattobhri, Dambhobhi en Dhambholi.

Een naam van Agastya, een wijze uit het eerste manvantara. In zijn eerdere geboorte was hij de zoon van de voorouders van de rakshasa’s. Deze ...

zeven varianten hebben elk een geheime betekenis en slaan in de esoterische toelichtingen op verschillende etnologische classificaties en ook op fysiologische en antropologische mysteriën van de oorspronkelijke rassen. Want de rakshasa’s zijn beslist geen demonen, maar eenvoudig de oorspronkelijke en woeste reuzen, de Atlantiërs, die over de oppervlakte van de aarde waren verspreid, evenals het vijfde Ras nu. Vasishta bevestigt dit, indien zijn woorden — gericht tot Parasara, die de rakshasa’s probeerde te vernietigen met behulp van een beetje jadoo (toverij), dat hij ‘offer’ noemt — iets te betekenen hebben. Want hij zegt: ‘Er mogen niet meer van deze onschuldige ‘geesten van de duisternis’ worden vernietigd. (SD 2:232n)

Dava

(Tibetaans) zla ba (da-wa)

De maan.

Dayyan’ishi

(Hebreeuws) Dayyan’īshī [van dayyān rechter, advocaat + ’īshī mijn man, mijn zelf, iedereen]

Rechter of advocaat van iedereen.

De god die door de joden en andere Semitische stammen werd aanbeden, als de ‘heerser over mensen.’ Dionysos — de zon, vandaar Jehovah-Nissi, of Iao-Nisi, die dezelfde is als Dio-nysos of Jove van Nyssa. (TG 97)

Decade

Tien, of een groep van tien.

Een heilig getal omdat het heelal is gebouwd naar het model van de decade,De tetraktis van Pythagoras zowel het individu als het heelal als een geheel zijn tienvoudig, hoewel zevenvoudig wanneer gemanifesteerd. Van de Een of de kosmische monade wordt soms gezegd dat daar de ‘negen’ uit emaneren en door de Een erbij te tellen, krijgen we de tien stralen van de Logos, de sefiroth, enz., waarover wordt gesproken als de zeven van het gemanifesteerde heelal. De decade kan worden beschouwd als een dubbele vijf of als drie driehoeken en een eenheid. De decade werd in het oude Griekenland door de pythagoreeërs de tetraktys genoemd, waarvan de drie bovenste punten het ongemanifesteerde heelal voorstellen en de lagere zeven het gemanifesteerde.

De decade is ook de wortel of oorsprong van het decimale stelsel dat afkomstig is uit het oude India.

Zie ook Tien

Dei Termini

(Latijn) Goden van het eindpunt.

Hermae of standbeelden van Hermes die door Grieken op kruispunten van wegen werden geplaatst. Ook een algemene naam voor godheden die heersen over grenzen en omheiningen.

Deïst

Gewoonlijk een volgeling van de natuurlijke religie, die het bestaan van een godheid erkent maar ontkent dat laatstgenoemde zichzelf heeft onthuld langs de gebruikelijke religieuze wegen. Speelde vooral een rol in de 18de eeuw toen het een vorm van rationalisme was en een reactie op de dogmatische theologie ten gunste van een vrij gebruik van het intellect.

Delios

(Grieks) Van Delos.

In de Griekse mythologie is Delios een naam van Apollo die was geboren op het eiland Delos. Ook ta Delia, het feest van Apollo te Delos.

Delirium Tremens

(Latijn) [van delirare razen + tremere trillen, beven]

Bevend delirium. Het is het delirium dat ontstaat door alcoholvergiftiging en dat zich manifesteert in een constant beven, slapeloosheid, enorme uitputting en beangstigende illusies en hallucinaties. Het abnormale bewustzijn in deze toestand is het aantoonbare bewijs van het bestaan van een astrale wereld die de wereld van de materie doordringt, impregneert en beïnvloedt. De kenmerkende hallucinaties laten groteske, boosaardige vijanden en diverse verschrikkelijke dieren en insecten zien die actief proberen de opgewonden en verwarde lijder aan de visioenen die overduidelijk bewust is op de lagere gebieden van het astrale gebied, angst aan te jagen en kwaad te doen. In de droesem van het astrale licht kunnen alle slechte en gemene gedachten en daden van het menselijke leven in alle vrijheid ronddolen, en de allerslechtste dierlijke impulsen worden weerkaatst naar de wereld waarin wij leven, de mensheid en de dieren. Hier worden ook de actieve kwaadaardige elementaren of kama-rupische entiteiten naar elk menselijk slachtoffer getrokken en krijgen kracht door de dampen van de alcoholische dranken waarmee de persoon zijn lichaam heeft verzadigd.

Aangezien het drinken van alcohol het hogere verstand en gevoelens verdoven en tegelijkertijd de lagere natuur verkwikt, leeft het slachtoffer vrijwel zonder de normale zelfbescherming van een gezond oordeel, eigen wil en geweten en koerst af op zijn eigen lage dierlijke niveau van bestaan. Dat hij al die tijd leeft in het bewustzijn van zijn eigen astrale lichaam verklaart ...

a) de buitengewone kracht die hij vaak laat zien;

b) de disoriëntatie die hem zegt dat hij ‘naar huis wil gaan’;

c) dat hij dit alles na afloop is vergeten; en als laatste ...

d) de stuiptrekkingen of spasmen, waarvan men, als ze aanwezig zijn, zou zeggen dat die niet te onderscheiden zijn van een epileptische aanval.

Aan het leeglopen of wegsijpelen van de vitale stroom door de voortdurende rusteloosheid en gewelddadige activiteit van de aanvallen, moet de abnormale spanning door bezetenheid van een of andere ontlichaamde entiteit worden toegevoegd, die ten koste van de lijder aan kracht is gegroeid.

Zie ook Bezetenheid; Obsessie

Delos

(Grieks) Delos is een eiland dat deel uitmaakt van de Cycladen, een groep eilanden in het Griekse deel van de Middellandse Zee. Het was door de drietand van Neptunus opgeroepen uit de diepte en dreef rond tot Zeus het aan de ketting legde om de geboorteplaats te worden van Apollo en Artemis. In de tijden van Homerus was het de ontmoetingsplaats van de Ioniërs om godsdienstige en politieke zaken te bespreken.

Delos, het asteria* van de mythologie, lag niet werkelijk in Griekenland, want dat land bestond nog niet in de tijd waarnaar de mythen verwijzen. Verschillende schrijvers hebben laten zien dat het een veel groter land of eiland was dan Griekenland. Diodorus Siculus noemt het Basileia (eiland van goddelijke koningen), omdat de goddelijke dynastieën van Atlantis daar vandaan kwamen, en ons wordt gesmeekt het te zoeken onder de eilanden die door Nordenskiöld in arctische streken waren gevonden (SD 2:773).

*OV: plaats van orakels en profetieën.

Delphi

Tempel van Apollo.Een van de heiligste plekken van het oude Griekenland en bekend als de zetel van de beroemdste Griekse orakels, vaak door de Grieken zelf het centrum of de navel van de wereld genoemd, hoewel deze heilige centra, bergen enz. groot in aantal zijn, zijn het toch niet echt bijzondere plaatsen. Delphi ligt in een komvormig dal op de Parnassus in Phocis. Zijn oorspronkelijke naam zoals Homerus die geeft is Pytho, waardoor Delphi wordt verbonden met de tempel en het orakel van Apollo die zich daar bevonden. Het was ook de plaats waar de Pythiaanse spelen werden gehouden en was een van de twee ontmoetingsplaatsen van de Amphictyonische Raad.

De orakels die gedurende vele eeuwen in Delphi zijn geweest, waren fameus in de oude geschiedenis en in legenden. Ze werden algemeen vereerd en geconsulteerd door vele oude wijzen uit vele landen. Het orakel als instituut, dat door diverse oorzaken ontaard was geraakt, verloor geleidelijk de onvoorwaardelijke eerbied van weleer, om uiteindelijk samen met de val van de Griekse beschaving in zijn geheel te verdwijnen.