© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Fafnir

Fafnir is in de Noorse Edda een mythologische draak. In het lange en meeslepende verhaal Kinderen van de Nevel (Niflungar, beter bekend als de Nibelungen van Wagner), doodt Fáfnir zijn vader vanwege zijn gouden schat, waar een vloek van de dwerg Andvari [van and geest + vari bewaker of beschermer] op rust. Fáfnir neemt de vorm van een draak aan en gaat voor het goud op de Gnipaheden (hoge heide) op wacht liggen. Zijn broer Regin die ook een deel van het goud wil hebben, weet zijn bewaker, de held Sigurd, te bewegen de draak te doden en zijn hart voor hem te koken. Maar terwijl Sigurd daarmee bezig is, brandt hij zijn vinger. Instinctief stopt hij die in zijn mond en merkt heel rap dat zodra het bloed van de draak zijn tong raakt hij in staat is de taal van de vogels te verstaan en hun gesprekken te kunnen volgen.

Dit verhaal is als met zoveel andere mythen een allegorische geschiedenis van de vroege rassen van de mensheid waarin de achtereenvolgende ontwikkelingen van typische kwaliteiten en begripsvermogens tevoorschijn komen. Veel mythen laten het verslaan van de draak of slang van wijsheid zien om een gouden schat (wijsheid) te kunnen bemachtigen, waar in veel gevallen een vloek op rust, wat wijst op het belang van onderscheidingsvermogen bij het gebruik ervan.

Fakir

(Arabisch) [van faqir arm]

Een islamitische bedelaar, synoniem van dervish of derwisj. Het woord wordt ook her en der gebruikt voor elke bedelaar vanuit een religieuze overtuiging, of een yogī in India. Volgens T.P. Hughes zijn er in Noord-India en Pakistan vijf belangrijke ordes van fakirs: de Naqshbandia, Qadiria, Chishtia, Jalalia en Sarwardia — die allemaal ba-shara (volgens de wet of zogenaamd ‘officieel’) fakirs zijn — zij die zich gedragen volgens de beginselen van de islam. Fakirs zouden niet moeten worden verward met sannyasins of hindoe-yogi’s.

Fallus

Ook Fallicisme en Fallisch [van Grieks phallos penis]

De fallus speelde een bijzondere rol in de Griekse mythologie en in mystieke vertolkingen: de fallus werd gedragen door Pan, tijdens bacchische processies werd die opgevoerd, en uitgesneden en op sokkels van de Hermae in de straten van Athene geplaatst. Maar er is geen reden om afgezien van fatsoen, de voorkeur te geven aan één lichaamsdeel boven een ander, of één bijzonder deel van het lichaam te negeren als het slechts om de symboliek gaat, zodat de fallus van Pan dezelfde aandacht verdient als de vleugels aan de voeten van Hermes. Maar het symbool is door vele fasen van verval gegaan, van een symbool voor geestelijke voortbrenging tot een dat alleen maar wijst naar voortplanting, terwijl de voortplanting zelf, die ooit zuiver was en met goddelijke eerbied werd gerespecteerd pas later associaties van onzedelijkheid, zonde en schande verwierf.

Die woorden worden voornamelijk in De geheime leer gebruikt wanneer wordt gewezen op de val van de oude leer en het ritueel van de oorspronkelijk verheven stoffelijke vorm, of het nu om de Hebreeuwse stelsels gaat, de dionysische of bacchische rituelen, hindoeceremonieën enz.

De prehistorische mens en die van de recente oudheid waren zwaar verslaafd aan het uitdrukken van geestelijke en abstracte kosmische waarheden in voorwerpen die tastbaar en zichtbaar waren. Dus werd niet alleen de zon, die gedurende de gehele levensduur van het heelal schijnt, heel vaak tot een embleem van het licht van de kosmische geest of Logos gemaakt, maar werd ook de maan als symbool voor het lagere denken genomen, het hersenverstand dat het Licht van de geest weerkaatst, net zoals de maan het licht van de zon reflecteert.

Met deze abstracte en onpersoonlijke wijze van illustreren symboliseerden de Ouden de vormende, scheppende of voortbrengende krachten van het heelal, net zo exact als die van het zonnestelsel en zelfs van de aarde. Precies zoals de liṅga in India altijd een uitdrukking is geweest van dezelfde cyclus van het denken werd om dezelfde reden het vrouwelijke geslachtsorgaan gebruikt om de scheppende en moederlijke voortbrengende krachten van de natuur tot uitdrukking te brengen. De moderne wereldwijze mens is echter niet bereid deze waarheid te accepteren en eist dat aan deze symbolen de meest offensieve gedachten worden gegeven. Toch heeft zelfs de Westerse religieuze iconenleer dezelfde lijn van denken gevolgd en of we nu wijzen naar het lam of naar de slang of de duif, we bedoelen allemaal exact hetzelfde.

Familieras

De kleinste onderverdeling van een wortelras.

In de theosofie wordt ieder van de zeven grootste cyclussen van een wortelras eerst onderverdeeld in zeven onderrassen, waarvan elk onderras opnieuw is onderverdeeld in zeven subrassen, en die subrassen worden weer onderverdeeld in zeven zogeheten familierassen. De duur van een familieras zou in het algemeen gelijk zijn aan die van een precessionele cyclus (25.920 jaar).

Fantoom

[Van Grieks, Latijn phantasma verschijning]

Spook, geest. Een fantoom wordt soms gebruikt als een verwijzing naar de eerste (astrale) rassen van de mensheid, maar staat soms ook voor het astrale dubbel, of de verschillende wezens van het astrale gebied, of zelfs voor een van de hogere menselijke beginselen (de goddelijke fantoom).

Afgezien van het feit dat het slechts mentale beelden zijn die vaak door een onbewuste wilskracht tot quasi-objectiviteit worden geprojecteerd, komen alle fantomen voort uit het astrale licht dat de aarde omringt en dat alles op een veel grondiger manier doordringt dan de lucht of de atmosfeer. Als gevolg hiervan zijn er vele verschillende soorten fantomen. Het woord wordt ook vaak een beetje onnauwkeurig gebruikt voor de verschijning van een mayavi-rupa (een door het denken geprojecteerd lichaam) van een adept aan een levend mens. De verklaring hiervoor is dat wanneer het nu gaat om iets dat het astrale gebied binnendringt of om een mayavi-rupa, beide louter verschijningen zijn en daarom als vanzelfsprekend fantomen kunnen worden genoemd.

Fantoomsofie

[van Engels phantom + Grieks sophia kennis]

Een door Meester KH bedachte term om te wijzen op de communicatie door middel van mediums (ML 47).

Farbauti

(IJslands) [Van far reizen, schip + bauti slaan, jagen]

In de Noorse mythologie is hij een reus, vader van Loki, waarvan de moeder wisselend Lofo (schaduwrijk groen eiland, de aarde) wordt genoemd of Nal (naald). Farbauti stelt de wind voor die op het schip van het leven beukt of het achtervolgt of opjaagt en kan allegorisch worden verbonden met de manifestatie van levende dingen. Dit zorgde op zijn beurt voor de ontwikkeling van de menselijke intelligentie (Loki).

Fargard

(Pahlavi)

De delen of hoofdstukken van de Vendidad, het voornaamste boek van de Avesta.

Faunen

Faunus was een oude Italiaanse god, beschermer van boeren en kuddes, en orakel. De Romeinen herkenden er later de Griekse Pan in en omdat er zoveel manieren zijn waarop de natuurkrachten zich laten gelden, veranderde het woord in het meervoud in fauni wat nog later weer veranderde in het Griekse woord saters. De faunen werden in het volksgeloof voorgesteld als boosaardige, grillige kabouters, bezorgers van nachtmerries.

Feest van de doden | Allerzielen

Rooms-katholiek feest dat op 2 november wordt gevierd.

Het is dezelfde gedachte of angst die iedere ziel, die aan de aarde is gebonden, kwelt wat aan de basis van Allerzielen ligt. (BCW 3:483)

Zie ook Allerzielen, Allerheiligen, Halloween

Feng Shui

(Chinees) Ook Fung Shui.

Wind, regen of water. Feng Shui is de wetenschap en kunst die is gericht op het realiseren van het ideale doel dat ieder menselijke woonplaats — dorp of stad, velden en de omliggende gebieden, wegen, poorten, tempels, in feite alles dat verbonden is met menselijke activiteiten op aarde — zo wordt geplaatst en geconstrueerd dat het heelal voor zover als mogelijk is, zijn gunstige invloeden erop kan uitoefenen. Men zegt dat de gouverneurs van feng shui de drie boeddha­’s (triratna) zijn. Vandaar dat in dit aspect het taoïsme is vermengd met het boeddhisme.

In de Han-literatuur ook wel khan yu (hemel en aarde) genoemd.

Feniciërs

De Feniciërs vormden een oud volk dat een kuststrook ten westen van Palestina bewoonde, met Tyrus en Sidon als hoofdsteden. Zij zijn onder andere bekend om hun grote ontwikkeling in handel en zeevaart. De Feniciërs zelf en hun buren de Israëlieten noemden hun land Kanaän (Khena‘an). Volgens Herodotus (2:44) was Tyrus rond 2300 jaar voor zijn tijd gesticht, ofwel 2756 v. Chr.

De oude goden van Fenicië en hun godsdienst, zoals die van andere oude volken, waren spiritueel en fysiek verbonden met de grote krachten en processen van de natuur. Dit ging werkelijk zo ver dat elke rivier, bron, kaap enz. onder de invloed van een bepaalde god stond. Maar er kan niet aan worden getwijfeld dat voorbij en boven al deze hiërarchische onderverdelingen altijd het on­uit­sprekelijke, ondenkbare, eeuwig-intelligente leven stond.

Naarmate de tijd verstreek werden in het theologische denken bepaalde goden op vooraanstaande posities gezet, zij kregen dan hemelse en wereldse eigenschappen, zoals Ba‘al, Astartē (die volgens Plutarchus gelijk was aan Isis) en de Tyrische Melqarth (wordt geassocieerd met Herakles). Oorspronkelijk droeg elke mannelijke god de titel Ba‘al (‘heer,’ gelijk aan het Babylonische Bel), en de godinnen droegen de titel ’Amma (moeder), net zoals de oude Hebreeën spraken over hun ’em of ’ammah (bron, begin, baarmoeder, moeder). De goden werden ’elohim of ’elim genoemd van de oorspronkelijke Semitische wortel ’el. De god van de maan was Sin, de god van de vlam of de bliksem was Resh Reshuf en Eshmun was de god van levenskracht of genezing (vooral aanbeden te Sidon) — het is duidelijk dat ’Eshmun van de Semitische werkwoordstam ’esh (vuur, kosmisch vuur of levenskracht) stamt — kosmische vitale elektriciteit of fohat. Blavatsky zegt dat de Feniciërs ook de kabeiroi gunstig wilden stemmen, de goden van Samothrake.

Feniks

[van Grieks phoinix feniks, dadelpalm, Fenicisch]

De heilige vogel die mogelijk is afgeleid van de Egyptische benu. De bekendste Europese legende rond de feniks dateert van een vroege middeleeuwse periode, waarin een vogel in India 500 jaar lang van de lucht leeft wanneer die zijn geboorteland verlaat en naar de tempel van Heliopolis vliegt, waar zijn vleugels vol specerijen blijken te zitten. Wanneer hij naar het altaar is gevlogen verbrandt hij zichzelf op het heilige vuur, waarna uit de as een nieuwe of jonge feniks opstaat. De jonge vogel heeft op de dag die volgt op de zelfmoord van zijn ouder, die als zijn spiegelbeeld was, nieuwe veren. Als zijn vleugels op de derde dag zijn volgroeid, vliegt hij weg.

Plinius en Herodotus hebben hun eigen versies met kleine verschillen. De oude kunst maakte afbeeldingen van de feniks als een vogel met deels gouden en deels rode vleugels. Hij had de contouren en afmetingen van een arend.

De ouden gaven verschillende jaartallen aan de cyclus waarvoor de feniks een symbool was: 500 jaar, 600 jaar (de naros van de Babyloniërs), 1461 jaar en andere, aangezien de feniks niet een of andere cyclus symboliseerde maar een algemeen embleem van de cyclussen zelf was.

De Feniks — door de Hebreeën Onech ענֶק (van Phenoch, Henoch, het symbool van een geheime cyclus en inwijding) en door de Turken Kerkes genoemd — leeft duizend jaar, waarna hij een vlam ontsteekt en zichzelf verteert; en vervolgens, uit zichzelf herboren, leeft hij opnieuw duizend jaar, tot zeven keer zeven toe ... wanneer de dag van het oordeel komt. De ‘zeven keer zeven’, 49, zijn een doorzichtige allegorie en een toespeling op de negenenveertig ‘Manu’s’, de zeven Ronden en de zeven keer zeven menselijke cyclussen in elke Ronde op elke bol. De Kerkes en de Onech staan voor een rascyclus en de mystieke boom Ababel – de ‘Vader Boom’ in de koran – ontwikkelt nieuwe takken en bladeren bij elke herrijzenis van de Kerkes of Feniks; de ‘dag van het oordeel’ betekent een ‘kleine pralaya... ‘de Feniks is heel duidelijk gelijk aan de Simurg, de Perzische roc, en het verhaal dat ons is meegedeeld over deze laatste vogel, bevestigt nog beslister de opvatting dat de dood en de herleving van de Feniks de opeenvolgende vernietiging en nieuwe voortbrenging van de wereld voorstellen, die volgens velen afwisselend werd teweeggebracht door middel van een vurige vloed’ ... en door een watervloed. (SD 2:617)

In de hindoeliteratuur vinden we het equivalent in Karttikeya die rijdt op zijn pauw. In China is de feniks de koning van de vogels die alleen bamboeloten eet en uitsluitend het water van een bepaalde bron drinkt. Zijn rustplaats is de tung-boom.

Fenomeen

[van Grieks phainomena verschijning(en) van phainomai verschijnen]

De niet-permanente, altijd veranderende uiterlijke verschijning van dingen, als tegengesteld aan onta, de permanent blijvende werkelijkheden erachter. Ook de waargenomen objecten als tegengesteld aan de objecten die we begrijpen, dus dat wat wordt waargenomen door de zintuigen dat is tegengesteld aan dat wat wordt waargenomen met het denken. Het woord fenomeen maakt onderscheid tussen beide betekenissen van noumena. Over de eerste betekenis kan worden gezegd dat in één opzicht alles fenomenaal is met uitzondering van de ene Werkelijkheid, maar het woord kan ook een relatieve betekenis hebben. Wat de tweede betekenis betreft kunnen we van fenomenen spreken als een woord nadruk legt op het mechanische aspect van dingen, in tegenstelling tot de ongeziene intelligenties erachter, bijvoorbeeld bij de tegenstelling tussen de krachten van de wetenschap en de intelligente noumena waarvan zij niet meer dan manifestaties zijn.

In het algemeen wijst het ook op een buitengewone gebeurtenis, zoals de uitoefening van occulte of magische vermogens of ook als een voorteken, wat de klassieken vroeger een wonder of een bovennatuurlijk verschijnsel zouden hebben genoemd.

Fenris

(Scandinavisch, IJslands) Ook Fenrir

De Noorse wolf uit de mythologie die aan het einde van zijn leven de zon zal verslinden. Fenris is een van de drie monsterachtige nakomelingen van Loki, de andere twee zijn Hel, koningin van de rijken van de dood, en Iormungandr, de slang die de aarde omcirkelt in de diepten van de oceaan.

Volgens een populair sprookje groeide Fenris zo snel dat de goden alarm sloegen en wilden voorkomen dat hij zó snel zou groeien dat hij de zon al voor zijn vastgestelde tijd zou verslinden. Zij probeerden hem herhaaldelijk met zware kettingen vast te leggen maar zonder succes. De dwergen smeedden daarna een magische draad, Gleipnir (lenige of soepele band) waarmee de goden de wolf konden vastbinden, maar alleen als een van de goden, Tyr (Mars) zijn hand in zijn opengesperde kaken wilde houden. Tyr offerde zijn hand op zodat Fenris tot aan het einde van de cyclus ongevaarlijk zou blijven.

Ferho

(Gnostisch)

Gebruikt door de nazareense gnostici in de Codex Nazaraeus voor het leven an sich, wat in essentie onbekend en zonder vorm is, omdat het de productieve kosmische vitaliteit is achter en in de werelden van de vorm.

Voordat enig schepsel tot bestaan kwam, bestond de Heer Ferho reeds. (Codex Narazaeus 1:45)

Hij wordt beschreven als de hoogste Heer van glans en licht, stralend en schitterend, gemanifesteerd als het ongeopenbaarde kosmische leven dat in eeuwigheid als Ferho bestaat.

Als Blavatsky de gnostische namen in paren van drie in tabelvorm zet, plaatst ze Ferho aan het hoofd van de eerste drie-eenheid van Ferho, Chaos en Fetahil, gelijk aan Vader, Moeder en Zoon (IU 2:227). Dit is de verborgen of ongemanifesteerde drie-eenheid, gelijk aan het ongemanifesteerde of de eerste logos van de theosofische literatuur. Tegelijkertijd is Ferho ...

... de Heer Ferho — het leven dat geen leven is — de hoogste God. De oorzaak die het licht teweegbrengt of de logos in het verborgene. (IU 2:295)

Ferho werd daarom de ene keer gezien als het Brahmā van de hindoes, de vormende en scheppende kosmische kracht, en op een ander moment als het Brahman. Kosmisch leven heeft dezelfde dubbele betekenis: het is ofwel de wortel van het leven of de onbekende bron van Alles, of ook het gemanifesteerde leven, de maker en vormer van werelden.

Feruer

(Perzisch) Ook Ferouer [van fravashi of farvarshi]

Een zeer mystiek woord uit de oude Perzische theologie dat in het algemeen een geestelijke sluier, bekleding of voertuig dat staat voor een nog geestelijker en nog hoger origineel. Als gevolg hiervan hoeft de feruer of fravashi in het mystieke denken niet per se altijd van de hogere geestelijke soort of klasse te zijn. Als de originele of oorspronkelijke godheid niet hoogstaand is, is zijn feruer, zijn bekleding of voering of schaduwkant, ook niet van een hoge geestelijke natuur.

Fetahil

(Gnostisch) Ook Ptahil.

Voor de gnostische nazarenen was hij de bouwer van de stoffelijke werelden. In de Codex Nazaraeus, opent Abatur, de Vader, een poort en loopt naar het donkere water (chaos) en schouwt erin. Het donkere water weerkaatst zijn beeld waarna een zoon verschijnt of wordt geëmaneerd, het is de Logos of demiurg, Fetahil. Omdat Fetahil zo wordt geschapen om de te verschijnen werelden te maken, beschrijft de Codex hem als ondergedompeld in de diepten van de oorspronkelijke stof of materie (chaos) en in de vorm van een monoloog om zijn ongeschiktheid te benadrukken om dit alles zonder hulp van anderen te maken, waarop Spiritus (de gnostische ‘Moeder’) verschijnt en zich verenigt met Karabtanos, kosmisch kama dat in de oorspronkelijke materie zit opgesloten en zo zeven sterrengeesten voortbrengt. Die geesten zijn echter zeven onvolmaakte figuren ...

die tevens de zeven hoofdzonden voorstellen, de nakomelingen van een astrale ziel die is gescheiden van haar goddelijke bron (geest) en van stof, de blinde demon van de wellust. Als hij dit ziet, strekt Fetahil zijn hand uit naar de afgrond van de stof en zegt: ‘Laat de Aarde bestaan, zoals ook de woonplaats van de machten heeft bestaan.’ Terwijl hij zijn hand in de chaos steekt, die door hem wordt verdicht, schept hij onze planeet. (SD 1:195)

De eerste gnostische drie-eenheid, gelijk aan Vader-Moeder-Zoon, is samengesteld uit Ferho, Chaos en Fetahil — deze eerste triade is verborgen of de ongemanifesteerde — een zuivere abstractie voor ons (IU 2:227).

In de Codex Nazaraeus wordt Fetahil ook voorgesteld als een van de scheppende krachten die waren opgedragen de mens te vormen en die ook gehoorzaamde maar faalde omdat hij te zuiver was, waarna een andere en lagere macht — Iukabar Zivo — erbij werd geroepen om het werk af te maken. In de hiërarchische structuur van het heelal, kunnen alle zogenaamde scheppende machten die een te hoge rang hebben de mens niet voortbrengen omdat hun spirituele zuiverheid en te verheven staat het hun onmogelijk maakt om op de lagere gebieden iets te scheppen en komen niet verder dan de tussenliggende gebieden, waar zij zich op de langzaam afdalende ladder van het leven hebben ontwikkeld of tot manifestatie zijn gekomen.

Fetisjisme

[Van Latijn facticius kunstmatig]

Fetisjisme wordt in de moderne wetenschap gebruikt voor de praktijk van het vereren van verschillende voorwerpen, zoals natuurlijke objecten als een tand of nagel van een of ander dier, of iets kunstzinnigs als een uitgesneden beeld (afgodsbeeld). Het is een overblijfsel van de oude kennis die betrekking heeft op de onderlinge relaties tussen alles dat er in de kosmos is, waarbij gebruik wordt gemaakt van objecten en symbolen die een relatie hebben met de bijbehorende bijzondere kosmische krachten, als een middel om die krachten op te roepen. Het is een relikwie van de archaïsche magie die nu in veel gevallen niet veel meer is dan bijgeloof. Hoewel sommige sympathieke studenten hebben ontdekt dat bepaalde groepen van vele zogenaamde primitieve stammen wat dit betreft nog steeds veel meer kennis in huis hebben dan ze willen delen met een voor hun onsympathieke buitenstaander. Het onderwerp raakt dat van de ceremoniële magie, talismans en dergelijke, waarmee natuurkrachten kunnen worden beïnvloed.

Fiat Lux

(Latijn) En er zij licht! (Genesis 1:3)

Het licht dat hier wordt bedoeld is de kosmische verschijning van de zonen van Licht of de hiërarchie van Licht, de vormende logoi in hun hiërarchische eenheid.

Fiat lux ex nihilo (Laat er licht zijn uit niets), deze andere Latijnse frase verwijst naar de veronderstelde schepping van licht uit niets, dat zonder betekenis is tenzij het ‘niets’ wordt gezien als de oorspronkelijke chaos van het heelal, de kosmische leegte of śūnyatā (leegheid).

Filioque Dogma

[Van Latijn filioque of et filio en van de Zoon]

Dit is de oorspronkelijke christelijke geloofsbelijdenis die simpelweg de overtuiging van het bestaan van een heilige geest tot uiting brengt, hieraan werd later toegevoegd qui ex Patre procedit (die van de Vader komt). Nog later volgde de bepaling filioque of werd et filio toegevoegd door een van de concilies van de Westerse kerk. De plaats van de inlassing van deze zin in de geloofsbelijdenis markeert een van de belangrijkste verschillen die te zien zijn in Westerse en Oosterse kerken, de eerste stelt dat de Heilige Geest naar voren komt uit de Vader en de Zoon, terwijl de laatste altijd heeft vastgehouden aan de veel authentiekere christelijke gedachte dat de Heilige Geest voortkwam uit de Vader en een vrouwelijk karakter heeft, en uit beiden kwam de Zoon naar voren. Dus de voortbrenging zoals die in de Westerse kerk wordt geformuleerd ziet er zo uit: Vader, Zoon en Heilige geest, terwijl in de Oosterse kerk het altijd is geweest: Vader, Heilige geest en Zoon. Het verschil in het tot ontstaan komen van de Heilige Geest was een van de belangrijkste oorzaken van de breuk van de christelijke kerk in zijn twee belangrijkste oorspronkelijke takken, de vroege of Grieks-orthodoxe kerk en de Westerse, waarvan de Roomse kerk het typische en grootste voorbeeld is.

Filosofie

Het Griekse philosophia betekent liefde voor wijsheid, maar met dezelfde krachtige betekenis — hoewel etymologisch misschien niet helemaal correct — kan het ook de ‘wijsheid van liefde’ betekenen. Het slaat ook op het systematische onderzoek van en het onderricht in feiten en theorieën die van belang worden geacht bij het bestuderen van waarheid. In gewoon algemeen gebruik wijst het op de mentale en morele wetenschappen die in sommige opzichten bijna gelijk zijn aan de metafysica en bevat ook een aantal afdelingen.

Theosofen spreken van een triade van filosofie, religie en wetenschap die door de theosofie tot een eenheid zijn gemaakt. De wetenschap zelf werd ooit natuurlijke filosofie of filosofie van de natuur genoemd, zodat er een belangrijk onderscheid tussen geloof en weten moet worden gemaakt.

Fimbulvetr

(IJslands) [van fimbul machtig + vetr winter]

In de Noorse mythologie staat dit begrip voor de immens lange periode van levenloosheid die tussen de cycli van universeel bestaan liggen, gelijk aan het Sanskrietwoord pralaya. In de Edda wordt die ook wel verwisseld met de ijsreus Ymer of Ymir die door de goden bij iedere nieuwe schepping wordt ‘gedood’.

Firmament

Firmament staat voor een combinatie van betekenissen als ondersteuning, ruimte en grens.

Een vertaling van het Latijn firmamentum (ondersteuning) laat het Griekse stereoma (een fundament) zien. In het Hebreeuws is het raqia‘ (uitgevouwen of ruimte). In de gewone Europese betekenis is het de hemelkoepel of het zwerk. Het wordt vaak gezien als de lucht die dan de adem van de dragers van de hemelkoepel wordt genoemd in de mystiek van de islam. In India is de etherische ruimte het domein van Indra en we kunnen lezen over de 1008 afdelingen van de devaloka (godenwerelden) en de firmamenten. Het vertelt ook over de ondersteuners, de pilaren of kosmocratoren in zo veel oude kosmogonieën, waarvan wordt gezegd dat zij de wereld omhooghouden of ondersteunen.

In dit verband hebben de ‘wateren’ in het Hebreeuws vaak de mystieke betekenis van ethers of aether, wat de scheiding van de wateren van boven en de wateren van beneden verklaart, wat niet verwijst naar de gewone vloeistof. In deze zin wijst firmament naar een aspect van de Ring-verder-niet, de scheidslijn tussen de ene hiërarchische afdeling en de andere, welke afdelingen, ringen of firmamenten elkaar ondersteunen en aanvullen en op die manier het web of het weefsel van de kosmische structuur vormen.

Flagae

Gebruikt door Paracelsus die daarmee verwijst naar een orde van geestelijke wezens die overeenkomen met de christelijke beschermengelen of wat in de theosofie de hogere pitri’s worden genoemd of de zesvoudige dhyani-chohans — die klasse van de dhyani-chohans waarin zes van de zeven basisbeginselen van de natuur min of meer actief gemanifesteerd zijn, ofwel geopenbaard.

Flamma

(Latijn) Vuur, vlam.

Een alchemisch of Westers hermetisch begrip voor een van de vier elementen die overeenkomen met het alchemische zwavel en duidt op geest.

Flogiston

[van Grieks phlog vuur]

In de 17de eeuw stond de moderne chemie nog in de kinderschoenen en ideeën op het gebied van de alchemie waren toen nog springlevend, vooral die rond de vier elementen en van de triade van zwavel, zout en kwik.

Stahl (1660-1734) noemde vier elementen — water, zuur, aarde en flogiston. De flogistontheorie werd verder uitgewerkt door Priestley (1733-1804). Alle brandbare lichamen, zo werd gezegd, bevatten flogiston en wanneer zij verbranden verlaat het flogiston zijn slapende toestand en ontsnapt uit het lichaam in de vorm van warmte en licht en laat as of een residu zonder flogiston achter. Magnesium bijvoorbeeld staat zijn flogiston af door intens licht te geven, waarna inerte as achterblijft. De latere chemie sprak echter de banvloek uit over de onweegbaren en formuleerde een fysiek stelsel dat was opgebouwd op basis van weegbare stof en meetbare energie. En toen werd aangetoond dat de as meer woog dan de oorspronkelijke substantie, werd zoals te verwachten was, de flogistontheorie in de prullenmand gegooid en daarvoor in de plaats kwamen abstracte en vage ideeën die net zo moeilijk te verklaren waren als de flogistontheorie zelf, die op één hoop kunnen worden geveegd met de algemene term energie, die warmte, licht, chemische energie, enz. omvat. De recente vooruitgang van de wetenschap heeft aangetoond dat het atomair/mechanische-stelsel, wat staat voor de visie op de fysieke wereld als deelbaar in stof en energie, of massa en beweging, hoe nuttig dat ook mag zijn voor de moleculaire fysica en dat praktische toepassingen mogelijk maakt, niet voldoende is voor een goed begrip van de intra-moleculaire wereld. Het onderscheid tussen materie (of massa) en energie wordt genegeerd.

In de De Mahatma Brieven wordt verklaard dat flogiston de laagste en dichtste vorm van een universele essentie is en het voertuig is voor dhyānī’s van een overeenkomstige graad (MB 63), de naam is ook gegeven aan het magnetisch/elektrische aura van de fotosfeer (MB 182). Het idee van flogiston vertoont een overlap met dat van de calorie, waarmee het soms wordt verward.

Fo-chu

(Chinees) Ook Fo-ch’ou [van fo Boeddha + chu heer]

Een boeddha­, boeddha­-leraar, een leraar die de leringen van de boeddha­’s onderwijst.

Foh-maeyu

(Chinees) Ook Fo mai-yu [van fo boeddha­ + miao tempel]

Tempel van de Boeddha. Een tempel die is gewijd aan Sakyamuni Boeddha.

Fohat

(Tibetaans-Mongools) [van Mongools pho, fo boeddha­, buddhi]

Kosmisch leven of vitaliteit. De bipolaire kosmische vitale elektriciteit, gelijk aan het licht van de Logos, daiviprakriti, eros, de vurige wervelwind enz. Als de brug tussen geest en stof is fohat het collectief van intelligente krachten waardoor de kosmische ideatie zichzelf tot uitdrukking brengt op het wezenlijke of de werkelijkheid, waarmee aldus de verschillende gemanifesteerde werelden worden gevormd. In het gemanifesteerde heelal is het ...

die occulte elektrische levenskracht die, door de wil van de scheppende logos, alle vormen verenigt en samenbrengt en deze de eerste impuls geeft, die te zijner tijd wet wordt ... de stuwende kracht, de werkzame macht die veroorzaakt dat het Ene wordt tot Twee en Drie ... dan wordt fohat omgezet in die kracht die de elementalen-atomen samenbrengt en maakt dat ze zich verenigen en zich met elkaar verbinden. (SD 1:109)

Fohat is altijd aanwezig en altijd actief, van het allereerste begin van een manvantara tot aan het allerlaatste einde en feitelijk houdt het zelfs dan niet op met te bestaan, maar wordt kalm of latent als het ware, slapend of sluimerend tijdens het kosmische pralaya (OG 51).

Fohatische magnetisme(n)

Het individuele geestelijke magnetisme of de elektriciteit van elke entiteit, van het subatomaire tot aan sterrenstelsels.

De twaalf tekens van de dierenriem hebben elk hun eigen fohatische magnetisme die met elkaar hun kenmerkende kwaliteit aan het melkwegstelsel geven. Deze twaalf magnetismen die in feite zes bipolaire magnetismen zijn, zijn ook verantwoordelijk voor de precessie van de equinoxen (BvhO 154).

Elke planeetketen en elke bol daarvan, is niet slechts voortgebracht door haar eigen monadische svabhāva, maar ... de twaalf fohatische magnetismen van de twaalf sterrenbeelden zijn nauw betrokken bij deze inherente magnetische svabhāva’s bij het voortbrengen van de planeetketens en hun respectieve bollen. (BvhO 157) (en FSO 125, 127, 139)

Fons Vitae

(Latijn) Bron van leven.

Latijnse naam van het belangrijkste werk van Ibn Gebirol (Avicebron), de Arabisch joodse filosoof van de 11de eeuw, velen zien in hem een diepzinnig kabbalist. De Hebreeuwse naam luidt Meqor Hayyim (Bron van Levens).

Fosfor

(Grieks) Phōsphoros — licht brengen.

Equivalent van het Latijnse Lucifer (de morgenster, een fakkeldrager, bijvoorbeeld Hecate, een aspect van de maan). Satan was volgens de christelijke legende ooit Phosphorus, de verlosser. Ook een vermenselijkt aspect van het astrale vuur en het licht van de anima mundi. Éliphas Lévi spreekt over de innerlijke phosphorus en bedoelt dan het astrale licht.

In de alchemie en chemie wordt deze term (fosforescerend) gebruikt voor elke stof die licht geeft maar was uiteindelijk voorbehouden aan dit bekende chemische element dat voor het eerst in 1669 werd geïsoleerd door Brandt [hoe toepasselijk] in Hamburg.

Fotosfeer

Het schijnbaar glanzende oppervlak van de zon. Zonnevlekken die in de fotosfeer verschijnen, zien er alleen donker uit vanwege de intense schittering van hun omgeving. De heldere gebieden die gewoonlijk eromheen worden gezien, worden faculae genoemd. Vanuit theosofisch standpunt zijn de fotosfeer, naast de spiegelende laag en de chromosfeer, drie verschillende vormen van het aura waarin de zon zichzelf als een levend wezen hult. Deze aura is het solaire prana of de vitaliteit die zichtbaar is geworden voor het menselijke oog door de typische frequentie van straling waarmee de zon uitzendt. Waren onze ogen niet zo ver ontwikkeld om deze bijzondere zevenvoudige straling, die we licht noemen, te zien dan zou de zon onzichtbaar zijn, hoewel we die toch zouden waarnemen en mogelijk zelfs zijn aanwezigheid intellectueel zouden beseffen. Uiteindelijk straalt elk wezen juist omdat dat wezen leeft en zijn eigen typische aura heeft die, als we de ogen hadden om dat te zien, we zouden ervaren als een fonkelend en glinsterend lichtspel rond de vorm van die entiteit. Neem de mens als voorbeeld, hij emaneert of straalt uit zichzelf een vitaal aura uit, wat voor die mens precies zo is als het solaire aura voor de zon zelf is.

Fravashi

(Avestisch) Fravashi, ook (PahlaviFravahr, (oud-Perzisch) Fra­vati, soms Farvarshi [van fra voor + var groeien in rechtschapenheid, omhoog neigen, oprecht zijn]

Oorspronkelijke waarheid. Het alter ego of de geestelijke tegenhanger van iedere entiteit.

De fravashi is de innerlijke kracht in elk wezen die het onderhoudt en zorgt dat het kan groeien en bestaan. Oorspronkelijk waren de fravashi’s dezelfde als de pitri’s van de hindoes of de manes van de Latijnen, dat wil zeggen, de altijd blijvende en vergoddelijkte zielen van de doden; maar in de loop van de tijd kregen zij een groter domein en niet alleen mensen, maar ook goden en fysieke dingen, zoals de lucht en de aarde, enz. hadden elk een fravashi. (Darmesteter, Farvardin Yasht 179)

In Yasna 26 worden vijf verschillende vermogens voor het begripsvermogen of vijf stadia van bewustzijn genoemd: ahu, daena, baudha, urvan en fravashi (het belang van het rechtschapen groeien).

In de Bundahish (hfdst 1) vormt Ahura-Mazda een voorbereidende schepping van embryonale en onstoffelijke bestaansvormen, het zijn de prototypen, fravashi’s, geestelijke tegenhangers van de beschermengelen van de geestelijke en stoffelijke creaturen die later worden geschapen.

Voor de stoffelijke schepping overlegt Ahura-Mazda met de fravashi’s van mensen (de zonen van Licht) en deze beschermengelen van mensen kiezen ervoor om in een fysiek lichaam tegen hun tegenstander Ahriman te strijden

Kosmisch gezien is fravashi het hemelse dubbel van de lagere hemelse wezens, de kosmische christos of universele geest (SD 2:478).

Frey

(IJslands, Scandinavisch) Ook Freyr en Fro [van fro zaad, Angelsaksisch frea, Zweeds frojda verheugen]

De Noorse god die wordt geassocieerd met de aarde: in de theosofie staat hij voor de planeetketen aarde waarvan de zielenwereld (Alfhem) helemaal aan het begin van de tijd zijn ‘cadeautje van de tandenfee’ was. Frey en zijn zus Freya, godin van de planeet Venus, zijn de kinderen van Njörd, de Noorse Saturnus-Chronos.

Tijdens de vorming van de aarde, waarin Frey werd belichaamd, modelleren de dwergen voor Frey het magische schip Skidbladnir [van skida ski + blad plaat] dat het zaad van alle levende dingen bevat maar dat als een zakdoek kan worden opgevouwen wanneer het einde van zijn leven wordt bereikt. Frey heeft ook het magische zwaard (geestelijke wil) dat onoverwinnelijk is in de strijd tegen de reuzen (materie) voor zover de gebruiker ervan zuiver en vindingrijk is. Hij is de god van de zonneschijn en vruchtbaarheid.

Bij de vorming van onze aarde maakten Sindre en Brock, zonen van Ivaldi, passende geschenken voor Odin, Thor en Frey.

Freya

(IJslands, Scandinavisch) Ook Freyja en Froja, vrouwe.

Freya is de Noorse godin van Venus en zuster van Frey, god van de planeet aarde. Beide zijn kinderen van Njörd, de Noorse Saturnus-Chronos, beschermheilige van de planeet Saturnus en de vertegenwoordiger van de tijd. Dus Frey en Freya zijn de kinderen van tijd en zullen met de tijd eindigen.

Freya, de godin van liefde en schoonheid, komt overeen met de Griekse Aphroditē en de Romeinse Venus. Als de hogere intelligentie van de planeet aarde is zij de stimulans voor en ondersteuner van het moederschap, de familie en van het ras van mensen. Zij draagt op haar borst de Brisingamen het ‘vurige juweel,’ dat de beste eigenschappen van de mensheid verbeeldt. Vaak wordt zij verward met Frigga maar is in bepaalde opzichten met haar verwisselbaar, in die zin dat de goden van het zonnestelsel sterk op elkaar lijken.

De vrijdag is gewijd aan Freya (net als het Franse vendredi) en Venus.

Frigga

(IJslands, Scandinavisch) Ook Frigg

In de Noorse Edda is zij de partner van Alvader Odin en wijze moeder van de Aesir (goden) en van de hele schepping. Zij spint de wolken (nevelvlekken) en kent het lot van elk wezen. In het walhalla ‘ontvangt zij de helft van de gevallenen’ — de krijgers van Odin die dagelijks strijden op Vigridsslätten (de vlakte van toewijding en heiliging). Zij is verbonden met de planeet Venus, maar het is juister te zeggen dat dat Freya moet zijn die soms wordt verward met Frigg.

Fulgur

(Latijn) Bliksem.

Fulgur is een aspect van Zeus of Jupiter als een kosmische god, in de vorm van Jupiter fulgurans (wanneer hij zijn kracht toont als hij de bliksem werpt).

Fylogenie

[van Grieks phylo ras + geneia vormen, maken]

De ontstaansgeschiedenis van de organismen van rassen, in tegenstelling tot ontogenie of de geschiedenis van een individu. Fylogenie slaat op het proces. Deze tak van biologie houdt rekening met de affiniteiten van een organisme binnen een ras en vormt een belangrijk onderdeel van de wetenschap van evolutie.

Het fysieke lichaam

Het is het meest stoffelijke omhulsel of instrument dat wordt gebruikt door de krachten die in en door de samengestelde menselijke natuur stromen. Ons lichaam is het evolutionaire eindresultaat van de ervaringen van de innerlijke mens tijdens zijn enorm lange tijdperken durende reis in en door alle natuurrijken heen. Het wederbelichamende ego, dat een grondige kennis van de geopenbaarde vormen en krachten van de aarde heeft verworven, combineert of stemt de beginselen en voortbrengselen van de mineralen en plantaardige levens­atomen af op zijn dierlijke lichaam, terwijl hij zich verder ontwikkelt tijdens vele incarnaties als mens. De atomen van het lichaam van een mens die zich na zijn dood over de aarde verspreiden, worden in het volgende leven door karma opnieuw aangetrokken. Aangezien de kwaliteit van gedachten en gevoelens van een mens zijn afgedrukt op die atomen, verzekert dat hun automatische magnetische terugkeer en verklaart de rechtvaardigheid van zijn door hemzelf teweeggebrachte fysieke erfenis.

De voortdurende uitwisseling van de materialen van de aarde zelf en alles dat erop is, voorziet het lichaam van voedsel, van duurzaamheid en vernieuwing. Dat alle stoffen, chemisch en anderszins van de aarde en de mens, bij elkaar passen is zo geweest vanaf het moment dat de eerste wazige vormen van de vroege wortelrassen op de toen nog condenserende aarde begonnen te verschijnen. Toen de aarde zijn diepste stoffelijke punt had bereikt tijdens het midden van het Atlantische of vierde wortelras, waren de fysieke lichamen van de Atlantiërs de allergrofste en ruwste ten opzichte van elk ander lichaam voor en na deze lange periode. Sinds die tijd is alles onderweg op de opgaande of lichtende boog. De materie en de mens stralen langzaam fijnere kwaliteiten van substantie en kracht uit. Deze voortschrijdende verfijning van de stof is een weerspiegeling van de mentale en geestelijke evolutie van een mens en zal zich zo voortzetten totdat in de verre toekomst het menselijk ‘lichaam’ relatief transparant zal zijn, of doorschijnend en lichtgevend — het zal een etherisch lichaam zijn van gecondenseerd licht.

Het lichaam kent ‘manasische en kamische organen’ zodat de cellen reageren op fysieke, mentale en geestelijke impulsen. Het hogere ego van de mens kan niet direct zijn lichaam bereiken, aangezien zijn bewustzijn op een heel ander en hoger gebied van ideatie ligt. Het moet dan ook handelen middels zijn alter ego — het persoonlijke zelf (BCW 12:368-9, of St. in Oc. 90-1). Het inerte fysieke lichaam is cel voor cel opgebouwd op de onzichtbare substantie van het astrale modellichaam of liṅgaśarīra. Dit laatste bevat de werkelijke organen voor het waarnemen en ontvangen van prikkels en geeft mentale, emotionele en instinctmatige impulsen waarop het fysieke lichaam reageert. Het lagere denken handelt op basis van de fysieke organen en hun cellen, maar alleen het hogere denken kan de atomen in deze cellen beïnvloeden en de hersenen prikkelen om een mentaal beeld van geestelijke ideeën te laten zien. Met andere woorden de ideale, mentale en fysiologische gezondheid hangen af van het feit of de atomaire, geestelijke impulsen de verlangens van de zelfzuchtige kama-manasische natuur kan bedwingen. De reikwijdte van de persoonlijke natuur gaat wat zijn handelen betreft niet verder dan de stoffelijke, moleculaire cel. Dit subtiele maar praktische spel van de fysieke en boven-fysieke natuur wijzen op een gezamenlijk en natuurlijk doel in de wereld van ethiek en fysiologie. Met het vermogen om goed en kwaad te kennen en een vrije wil om te kiezen, is de mens verantwoordelijk voor het verfijnen en vervolmaken van zijn stoffelijke, persoonlijke natuur tot hij een krachtig en actief medium voor het naar buiten brengen van zijn hogere intellectuele individualiteit is geworden. De innerlijke mens handelt altijd volgens de kosmische evolutionaire drang naar verdere perfectie van de soort. Het is dit reïncarnerende ego dat leiding geeft aan het atomaire leven van de bevruchte kiemcellen wanneer het lichaam volgens een patroon wordt opgebouwd. Hij is de mysterieuze organisator die alle analyses van biologische onderzoekers weet te omzeilen. Op dezelfde manier ontvangen de moreel en intellectueel onverantwoordelijke entiteiten van de lagere natuurrijken impulsen, naast de drang van elke individuele monade van een entiteit, om door de instinctmatige fase van het universele denken te gaan dat wordt gestuurd door hemelse wezens die handelen op basis van de zogenaamde wetten van de natuur.

Het heelal is een levend organisme dat in zijn geheel op een bewuste manier werkt en kent zijn analogie in de fysiologische werkingen van het menselijke lichaam. Vandaar dat wanneer biologen rommelen met de natuurlijke indeling van chromosomen of die kunstmatig combineren in verschillende embryonale elementen in plaats van de problemen van het leven zelf op te lossen, zij alleen kunnen werken met de stof die de bewust scheppende vermogens van de ideeënwereld aan hen tonen.

Zie ook Sthūla-śarīra; Organen