Theosofische Encyclopedische Woordenlijst
© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017

Ha-’Idra’ Zuta’ Qaddisha’

(Aramees) Hā-’Idrā’ Zūṭā’ Qaddīshā’

De minder (of kleine) heilige bijeenkomst. Een traktaat van de Zohar dat de verhandelingen van rabbi Shim‘on aan zijn zes overblijvende discipelen over de Sephiroth bevat, wat is gebaseerd op de Ha-’Idra’ Rabba’ Qaddisha’ (Zie volgende onderwerp).

Ha-’Indra’ Rabba’ Qaddisha’

(Aramees) Hā-’Idrā’ Rabbā’ Qaddīshā’.

De grote heilige bijeenkomst. Een beschouwing van de Zohar die uit verhandelingen bestaat van rabbi Shim‘on voor zijn bijeengekomen discipelen over de vorm van de godheid en over de doctrine van de heilige geest. Het wordt gezien als een verder ontwikkelde versie van de Siphra di-Tseni‘utha’, het oudste deel en de basis van de Zohar.

Ha-Hoser

(Hebreeuws) Ha-Ḥoser

De verkleinde, de verzwakte, wat een afleiding en weerspiegeling impliceert. De gereflecteerde lichten vormen een kabbalistische term voor een kleinere hiërarchie van bouwers van een lagere macht.

Haan

Een erg occulte vogel, zeer geliefd onder de waarzeggers van de oudheid onder andere om zijn symbolische waarde. Volgens de Zohar kraait de haan drie keer voor iemand komt te overlijden ... En aangezien de haan altijd al een symbolische betekenis voor de zon (of zonnegoden), voor dood en wederopstanding had, kreeg hij ook zijn verdiende plaats in de vier evangeliën in de profetie ten aanzien van Petrus die zijn meester verloochent voordat de haan drie keer heeft gekraaid. De haan is de meest magnetische en de gevoeligste van alle vogels, vandaar zijn Griekse naam alectruon. (TG 86)

In de zoroastrische Avesta wordt de haan Parodarsh genoemd ‘hij die het komende ochtendgloren voorziet’ en wordt ook wel de trommel van de werelden genoemd, want hij kraait in de ochtend zo luid dat hij de demonen van de Avesta in opperste verwarring op de vlucht jaagt: op die manier behaalt hij in de ochtend de eer van de overwinning.

Haas

De haas speelt een prominente rol in talloze mythen, vooral in die van het oude Egypte. We kunnen het symbool van de haas dan ook vrij vaak afgebeeld zien in hiërogliefen, zoals de god Unnu met de kop van een haas, met zijn partner Unnut — het zijn oude goden van Hermopolis, laatstgenoemde zou nauw verbonden zijn met Sekhet.

We kunnen een opvallende overeenkomst ontdekken met de mythologie van de Algonquin-indianen van Noord-Amerika. Hun hoogste god was een machtige haas met de naam Menabosho of Michabo, waar men na de dood naartoe ging. Eén verhaal ziet hem in het oosten, een ander in het westen. De oude Germaanse en Scandinavische volken kenden ook de symboliek van de haas, die gewijd zou zijn aan de natuurgodin Freyja. Net zoals de Angelsaksische Ostara, die de godin van de lente was. Men gelooft dat hier de oorsprong ligt van de rol die het konijn of de haas met Pasen speelt. Dit idee wordt ook aangetroffen onder andere volkeren, vaak bij de Mongolen, Chinezen, Japanners en andere volken van het Verre Oosten.

De haas wordt beschouwd als een androgyn wezen, wat een typische eigenschap van de scheppende Logos is. Eros, de god van seksuele liefde, werd ook wel afgebeeld met een haas in zijn handen. De haas was ook gewijd aan Osiris en daarom een symbool van de maan.

Habel

(Hebreeuws) Hebel [van de werkwoordstam hābal ademen, blazen, ijdel zijn, kortstondig, vergankelijk, vervagen]

Adem, mist, damp, leegheid. Alles wat maar met illusie te maken heeft, dat wat niet duurzaam is, en komt daarom overeen met het Sanskriet-begrip maya. In het boek Prediker (1:2) wordt habel vertaald met ijdelheid:

‘IJdelheid der ijdelheden; alles is ijdelheid’, zegt Prediker. (BvhO 115)

Hij is ook de zoon van Adam en Eva, Abel.

Zie ook Abel

Hachamim

(Hebreeuws) Hakhāmīm, ook (Aramees) HakkimHakkīm.

Wijze mensen, filosofen, staatslieden, magiërs — ook een enkele keer de historische magiërs.

Hades of Aides

(Grieks) [van aides, Aidoneus de onzichtbare]

Zoon van Kronos en Rhea, broer van Zeus en Poseidon. Toen de wereld onderling door de drie broers werd verdeeld kreeg Hades de lagere sferen, die soms werd vergeleken met Dis, Orcus of de Tartarus. Na Homerus werd dit gebied de Hades genoemd, waar hij met zijn partner Persephone het gezag over had. Dit komt overeen met de onderwereld, die gebieden van het astrale licht die zich uitstrekken vanaf de hoogste sfeer van kamaloka tot aan de diepste diepten van avīchi. Hoewel het meer beperkte gebruik van Hades slaat op kamaloka. Hades wordt beschreven als een duister rijk in de diepten van de aarde, omgeven door rivieren. Maar de betekenis van onderwereld verschuift net naar gelang het standpunt dat op dat moment wordt ingenomen, zodat zelfs de aarde zélf soms wordt genoemd als de Hades.

De god Hades wordt soms Pluto genoemd, schenker van rijkdom omdat graan in de aarde groeit en in dit opzicht werd hij aanbeden als een god van de landbouw.

Hagar

(Hebreeuws) Hāgār

De Egyptische dienstmaagd van Sarai (Sarah) die Abraham een zoon schonk, Ishmaël (Genesis 16). Sommige vertalers zien in Hagar de berg Sinaï, omdat de numerieke vertaling van haar naam 235 is, wat het aantal maancycli in 19 jaar is (SD 2:76).

Haima

(Sanskriet) Haima [van heman goud, winter]

Goud, gelijk aan hiranya, ook winters. Mystiek gezien bepaalde dingen of entiteiten die als van goud werden beschouwd in de zin van het allerbeste, het voortreffelijkste. Aldus werden de Himalaya’s zo genoemd omdat zij werden gezien als de beste onder de bergen en daarom vaak ‘haima’ (van goud) werden genoemd. Maar mogelijk werd pas later het woord vaker gebruikt om niet meer dan het idee dat iets van goud is gemaakt over te brengen en had het zijn oorspronkelijke inhoud verloren.

Hakem

De wijze.

De aanstaande messias van de druzen of de discipelen van Hamsa (TG 133).

Hakim

(Arabisch)

Ḥakīm [van ḥakama: benoemen, kiezen, rechter]
Een wijze, een wijs man of een arts.

ākim [ook van ḥakama (zie boven)]
Titel van een gouverneur of rechter.

Halfgoden

Een van de ordes van halfgoddelijke leraren, geestelijke wezens in menselijke gedaante.

Als een van de Griekse schrijvers zegt Herodotus dat de mensheid achtereenvolgens werd geregeerd door goden, halfgoden, helden en mensen. De Lemurische-Atlantiërs waren onder de eersten die een dynastie kenden van spirituele koningen of geestkoningen, hoogontwikkelde levende deva’s of halfgoden. Er zijn ook de Chinese halfgoden Chin-nanga en Chan-gy, de Peruaanse Manco-Capac, de hindoe-rishi’s en de gepopulariseerde halfgoden van de oude Grieken, Romeinen en Egyptenaren. In het Gouden tijdperk van Saturnus zouden alle mensen halfgoden zijn geweest, en vele figuren in de mythologie die op een gegeven moment historische figuren blijken te zijn geweest en op een ander moment goden of symbolen, waren in feite halfgoden die ooit, lang geleden, onder de mensen leefden en die het grondplan voor nieuwe beschavingen hadden neergelegd en de mens hadden onderwezen en geleid en aan iedereen de kunsten en wetenschappen bekend maakten.

Halfgoden uit historische en prehistorische tijden die letterlijk waren neergedaald en de mensheid hadden onderwezen waren onder andere Osiris, de eerste Zoroaster, Kṛishṇa en Mozes.

Hallucinatie

Normaal gesproken staat een hallucinatie voor de waarneming van dingen die als onwerkelijk worden beschouwd, of als de ervaring van sensaties zonder een van buiten komende oorzaak waarbij vrijwel altijd de gedachte opkomt dat er iets mis is met het zenuwstelsel. Maar voor de occultist is hallucineren iets heel anders:

Het is een toestand die soms wordt veroorzaakt door een fysieke aandoening, soms door mediumschap en op andere tijden door dronkenschap. Maar het ontstaan van visioenen heeft weinig met het lichaam zelf te maken. Al die visioenen, vooral wanneer die door mediumschap worden teweeggebracht, worden voorafgegaan door een ontspanning van het zenuwstelsel waardoor altijd abnormale magnetische omstandigheden ontstaan die typische golven van het astrale licht aantrekken. Het zijn precies die golven van het astrale licht die de verschillende hallucinaties veroorzaken. Deze zijn echter niet altijd wat artsen zeggen dat ze zouden zijn, inhoudsloze en onwerkelijke dromen. Niemand kan zien wat niet bestaat — dat wil zeggen, wat geen indruk maakt — in of op de astrale golven. Een ziener kan echter bepaalde zaken en gebeurtenissen zien (of die zich nu in het verleden of het heden afspelen, of in de toekomst) die helemaal niets met hem of haar te maken hebben. Hij kan ook diverse zaken waarnemen die geheel los staan van elkaar en die toch tegelijkertijd zien, wat zo de meest groteske en absurde beelden op kan leveren. De dronkaard, de ziener, het medium en de adept, zien hun visioenen in het astrale licht. Maar terwijl de dronkaard, de krankzinnige en het ongetrainde medium, of iemand die lijdt aan hersenvliesontsteking simpelweg zien omdat zij het niet kunnen helpen en de chaotische visioenen onbewust voor zichzelf tevoorschijn roepen, hebben de adept en de geoefende ziener wél de keuze en de beheersing over zulke beelden. Zij weten waar zij hun blik op moeten richten, hoe zij de gebeurtenissen die ze willen zien stabiel en kalm kunnen krijgen en hoe ze kunnen zien voorbij de hoogste en buitenste lagen van het astrale licht. Voor de eerstgenoemden is zo’n vluchtige blik in de golven een hallucinatie, voor de laatstgenoemden is het een getrouwe weergave van wat feitelijk is geweest, zich nu afspeelt of zal zijn. De willekeurige kortstondige waarnemingen die het medium weet op te vangen en zijn flikkerende visioenen in het bedrieglijke licht, worden getransformeerd door de leidende wil van de adept en de ziener tot stilstaande afbeeldingen, de waarheidsgetrouwe weergaven van dat wat hij wil dat binnen het brandpunt van zijn waarneming valt. (TG 133-4)

Halo

De uitstraling uit het hoofd van een heilig mens.

Zie ook Aureool

Haltiat

(Fins) Meervoudsvorm, enkelvoud: haltia.

[Onzichtbare] bestuurders of genii. Volgens de Finse mythologie wordt alles in de natuur bestuurd door deze onzichtbare goden of kosmische geesten, die in het algemeen paarsgewijs worden voorgesteld. Zij zouden onsterfelijk zijn, in het bezit van een geest en kunnen worden onderscheiden in individuele vormen. De kleine van de hiërarchie waren als voertuig en wat hun krachten betreft echter minder goed te onderscheiden dan die van een hogere orde.

Halvemaan

[Van Engels crescent halvemaan } Latijn crescere toenemen]

De maan in haar eerste kwartier of het figuur van een ronde boog of halvemaan. Een symbool van de maan dat in zijn hoogste betekenis de koningin van de hemel voorstelt, Diana, de eerbiedwaardige moeder van de aarde, zoals de zon de grote vader van alles is. In Egypte is zij verwant met Isis, in Griekenland en Rome met Aphroditē en Venus, in het Midden-Oosten met Astartē of Astaroth en vele andere maangodinnen, die vaak worden afgebeeld met de hoorns van een koe.

De rooms-katholieke Maria wordt soms staande op een halvemaan afgebeeld en als Venus-Lucifer werd ze veranderd in Satan, en zo veranderde de halvemaan in de hoorns van de duivel. Het symbool vindt ook een parallel in de ark of argha en is opgenomen in het Egyptische symbool van de zonneboot, en daarmee duidelijk maakt dat de maan het voertuig is van de zon. Daarnaast is de maan een drievoudig symbool en kan ook staan voor het lagere astrale licht, het liṅgaśarīra, en de vrouwelijke voortbrengingsfunctie. In het teken van Mercurius C stelt de halvemaan de mens voor. De halvemaan stelt zo ons lagere denken of de ziel voor, de cirkel is dan het hart of de geest en het kruis, staat voor de functies of het lichaam. Deze symboliek is ook terug te vinden in de symbolen van andere planeten: Saturnus G heeft het kruis boven de halvemaan, terwijl in het symbool van Jupiter F de halvemaan linksboven het kruis staat. Daarnaast is de halvemaan en de ster (onze zon) het embleem van de islam.

Hamadryade

[van Grieks ‘ama samen met + dryade boomziel]

Bijna hetzelfde als een dryade maar wijst meer op het feit dat het leven van deze boom-elementaal verbonden was met die boom. Bij een dryade denkt men aan het feit dat de boom slechts de expressie is van het inwonende leven of de boomziel, een elementaal die zichzelf tot uitdrukking brengt door een boom. Bij de hamadryade ligt de nadruk op het idee dat de boom niet alleen de expressie is van een boomziel, maar dat deze boomziel én de boom in essentie en zelfs fysiek één zijn, en dat de dryade of boomziel zelf opnieuw de uitdrukking is van een nog hogere monadische essentie.

Hamingja

(IJslands) Ook fylgja.

Geluk, lot of rijkdom in de Noorse Edda. De beschermengel van een mens, de geestelijke ziel die hem leidt naar zijn bestemming. Zij daalde af van de nornen, die de hamingja’s van de wereld zijn. Het schenken van de eigen hamingja aan een ander is iemand zijn zegen geven of geluk toewensen. Wanneer een mens sterft vertrekt zijn hamingja en trekt zich terug in haar eigen goddelijke rijk.

Hamitische rassen

In het algemeen zijn het de volken of stammen waarvan men aanneemt dat die afstammen van Cham, volgens de bijbelse legendes een van de zonen van Noach. Tegenwoordig worden de hamitische rassen door wetenschappers voornamelijk voor een filologische reden gebruikt, waarbij men verwijst naar een groep talen die voornamelijk door de oude Egyptenaren werd gebruikt naast de voor een belangrijk deel aangepaste versies die tegenwoordig nog door de moderne afstammelingen worden gebruikt, waaronder de kopten, de Libische of Berber-talen van Noord-Afrika en de Ethiopische talen van Oost-Afrika.

Hamsa

(Sanskriet) Ook HansaHaṃsa

De mystieke zwaan of gans die de goddelijke wijsheid voorstelt buiten het bereik van de mens. Exoterisch een sprookjesachtige vogel die, toen melk werd gemengd met water, alleen de melk dronk en het water liet staan — waarbij melk een symbool is voor geest en water voor stof. Anagrammaticaal is hamsa ...

gelijk met a-ham-sa ... die betekenen ‘ik ben hij’, terwijl het woord op een andere manier verdeeld, ‘so-ham’, ‘hij (is) ik’ wordt gelezen – soham is gelijk aan sah, ‘hij’ en aham, ‘ik’, of ‘ik ben hij’. Alleen al hierin bevindt zich voor wie de taal van de wijsheid verstaat, het universele mysterie, de leer dat de essentie van de mens identiek is met de goddelijke essentie. Vandaar het teken van en de allegorie over kalahansa (of hamsa), en de aan Brahmā (onzijdig, later aan de mannelijke Brahma) gegeven naam van ‘Hansa-vahana’, ‘hij die de hansa als zijn voertuig gebruikt’. Hetzelfde woord kan men ook lezen als ‘kalaham-sa’, of ‘ik ben ik’ in de eeuwigheid van de tijd, dat beantwoordt aan het bijbelse, of liever zoroastrische ‘ik ben die ik ben’. (SD 1:78)

Hansa-Vahana

(Sanskriet) Haṃsa-vāhana

Hij die de hansa (de zwaan) als zijn voertuig gebruikt. Een titel van Brahman (onzijdig).

Hanuman

(Sanskriet) Ook HanumatHanumān, Hanumat

De aap-god van het Rāmāyaṇa. De zoon van Pavana, god van de winden of van de geest. Hanuman is legendarisch en zou elke vorm aan hebben kunnen nemen die hij zou wensen, slingerde grote rotsblokken weg, verplaatste bergen, steeg op in de lucht, greep de wolken en zou zich met Garuda hebben kunnen meten als het om de snelheid van het vliegen gaat. Volgens het verhaal waren Hanuman en zijn leger van halfmenselijke apen de bondgenoten van Rama, de avatara van Vishṇu, in zijn oorlog tegen de Rakshasa-koning van Lanka, Ravana, die de vrouw van Rama, de beeldschone Sita, had ontvoerd. Als adviseur van Rama en leider van zijn leger was Hanuman ongeëvenaard in durf, scherpzinnigheid en wijsheid, waardoor hij veel kon bereiken.

De diepe verering die de hindoes van alle tijden voor dit aapachtige wezen hebben gekoesterd is gebaseerd op een intuïtieve, maar niettemin doorgegeven herinnering aan de verbondenheid van mensen en de (kleinere) apen, die veel hechter was dan tegenwoordig, in Atlantische en zelfs Lemurische tijden. Hoewel de kleinere apen tegenwoordig een opzichzelfstaande stam vormen, waren zij oorspronkelijk door de Lemurische mensheid op de wereld gezet, net zoals de mensapen later waren voortgebracht door de geslachtsgemeenschap van onontwikkelde Atlantische wilden met de aapjes uit dat grijze Lemurische verleden. Daardoor kan er nog een spoor van onontwikkeld manas in de mensapen en de aapachtigen worden waargenomen.

Haoma

Ook Hum, Homan. De levensboom van de mazdeeërs.

Er zijn twee haoma’s: de gele of gouden wereldse haoma die, als die was bereid door mensen, werd gebruikt om te offeren en de koning van de geneeskrachtige planten was, de heiligste en krachtigste van alle offers die in de geschriften van de mazdeërs worden beschreven. Deze haoma is gelijk aan het soma van de hindoes — de heilige drank die werd genuttigd in de tempels en waarvan nu wordt gezegd dat hij die ervan drinkt het vermogen van het verstand of het denken ontvangt.

De witte haoma (of hom) wordt de Gokard genoemd, de heilige boom van het eeu­wi­ge leven die door Ahura-Mazda was geschapen en die in het midden van de Farakhard oceaan (de grenzeloze oceaan of de wateren van de ruimte) groeit, omgeven door de tienduizend geneeskrachtige planten, die ook door Ahura-Mazda waren geschapen om de 99.999 ziekten tegen te gaan die in de wereld zijn gebracht door Angra-Mainyu. Door van de Gokard te drinken zullen de mensen, volgens de Bundahish, onsterfelijk worden op de dag van de wederopstanding. Uit de witte haoma werd ook de heilige baresma van de mobeds gesneden.

In de latere esoterische Perzische literatuur neemt Simurg de plaats van de haoma in bovenop de top van de berg Alborz. Uiteindelijk wordt hij de mythische vogel die geluk en rijkdom brengt aan hen die hij beschermt.

De vrucht van de haoma was de vrucht van de boom van kennis en wijsheid (later getransformeerd in de verboden vrucht) en lijkt op de appels van wijsheid en de pippala.

Zie ook Asvattha; Gokard

Hap of Hapi

(Egyptisch) Ḥāp of Ḥāpi, god van de Nijl.

Hep (later Hap) is een naam waarvan men gelooft dat hij is gegeven aan de Nijl door de voor-dynastieke Egyptenaren. Deze god werd altijd beschreven als een man met de borsten van een vrouw: het symbool van vruchtbaarheid en voeding.

Aangezien Egypte was verdeeld in een noordelijk en zuidelijk deel, nam de god twee aspecten aan: Hap-Reset, de noordelijke Nijl, en werd dan afgebeeld met een bos papyrusplanten op zijn hoofd, en als Hap-Meht, de zuidelijke Nijl, werd hij afgebeeld met lotusplanten. Hij werd de opwekker genoemd, de schepper van dingen die bestaan, vader van de goden. In een opzicht was Hap-Osiris vooral Osiris-Apis of Serapis. Daarom zou Isis zijn partner zijn. Op dezelfde manier had hij de eigenschappen van Nu overgenomen, de waterige afgrond uit de oertijd waaruit Ra, de zonnegod, opkwam op de eerste dag van de nieuwe cyclus van de wereld. Dat was ook de reden waarom hij was aangewezen als de vader van levende dingen, want zonder de wateren van Hap zou al het leven omkomen. Blavatsky wijst op zijn rol van uitvaartbegeleider en zijn overeenkomst met de engel Gabriël (BCW 10:55-6).

Hap zou volgens de oude Egyptenaren in twee vormen hebben bestaan, een hemelse en een aardse en in dit opzicht was hij voor Egypte wat de Jordaan werd voor de joden en christenen, zowel in mystieke als wereldse zin. Hap is dus zowel de rivier van het leven als de rivier van de dood die moet worden overgestoken aan het begin van de reis van de overledene.

Har-Ru-Bah

(Egyptisch) Ḥeru-āa-ȧbu

Het hart van Horus. Een titel van Horus in Het Egyptische Dodenboek.

Hara

(Sanskriet) Hara [van de werkwoordstam hṛ dragen, wegnemen]

Dragen, wegnemen, wegvoeren, vernietigen. Ook de ‘vernietiger,’ gebruikt voor Śiva, eigenlijk in zijn rol als vernieuwer.

Hari

(Sanskriet) Hari [van de werkwoordstam hṛ nemen, weghalen, geel zijn]

Dit is vooral een bijnaam van Kṛishṇa als een avatara van Vishṇu. Op deze manier ook wel gebruikt voor andere goden, in het algemeen voor Śiva. Bovendien is het een alternatieve naam voor het teken Simha, de leeuw van de dierenriem — het woord betekent een leeuw en is ook de naam van de zon, de maan, de paarden van Indra en van een van de negen varsha’s of delen van de wereld.

Als een bijvoeglijk naamwoord staat hari voor de kleur geel of groen.

Harikesa

(Sanskriet) Harikeśa [van hari geel + keśa haar]

Een van de zeven belangrijkste stralen van de zon, ook staat het voor Savitri. Als een bijvoeglijk naamwoord staat het voor gele of gouden haren (blond?). Het is een titel die vooral aan Śiva wordt gegeven.

Hari’s

(Sanskriet) Hari’s

Dit zijn de twaalf grote goden of jaya’s die uitstralen uit Brahmā als hij het heelal en alles dat erin is tevoorschijn brengt.

Harivamsa

(Sanskriet) Ook HarivansaHarivaṃśa

De lijn van afstamming van Hari of Kṛishṇa. Een beroemd gedicht dat uit 16.374 verzen bestaat en dat in het algemeen wordt geacht een deel van het Mahābhārata te zijn, maar sommigen denken dat die van een veel latere datum is dan het grote heldenverhaal. Het behandelt de avonturen van de familie van Kṛishṇa en bestaat uit drie delen: een introductie die de dynastie beschrijft, het leven en de wederwaardigheden van Kṛishṇa en de omstandigheden tijdens het kaliyuga die een toekomstig beeld van de wereld geven.

Harmachis

(Egyptisch) Ook Harmachus, Heru-khuti, Ḥeru-khuti

Horus van de twee horizonnen. Een aspect van de god dat vooral verwijst naar de zonnegod Ra. De twee horizonnen stellen de dag-zon en de nacht-zon voor, oftewel zonsondergang en zonsopkomst. De voornaamste plekken voor deze aanbidding waren te Annu (Heliopolis) en Apollonopolis. Het grootste monument van Heru-khuti is de beroemde sfinx dichtbij de piramides van Gizeh. De betekenissen van Harmachis, de Sfinx, zijn zowel groot in aantal als verbazingwekkend, maar een van de meest tot de verbeelding sprekende is die dat die het symbool was van de opgestane god-mens, het grote voorbeeld van succes dat was bereikt na de moeilijkste en zwaarste beproevingen van de inwijdingscyclus.

Harpocrates

(Egyptisch) ook Heru-pa-khartḤeru-pa-kharṭ

Horus de Jeugdige of Horus de zuigeling. Afbeeldingen van moeder Isis met kind zijn in Egypte erg populair. Osiris, Isis en Harpocrates vormen een drie-eenheid van vader-moeder-zoon. Harpocrates werd beschouwd als de nieuwe soort van geboorte en leven, denk aan de eerste uren van de dag, de eerste dagen van de maand en de eerste dagen van het jaar, vooral die perioden werden met hem geassocieerd. Hij was de god van zwijgzaamheid of van de Mysteriën en er is tot op vandaag weinig meer bekend geworden ten aanzien van dit aspect van deze god.

Uiteindelijk werden enkele belangrijke aspecten van zijn eigenschappen en verering door zowel de Grieken als de Romeinen overgenomen, al beschouwde men hem wel als een buitenlandse god.

Harshana

(Sanskriet) Harṣaṇa

Opgewonden van vreugde of verlangen. Dit betreft een bijzondere sraddha (rite) en slaat ook op een god die heerst over sraddha’s.

Het Hart

Het hart is in de mens de zetel van het buddhische bewustzijn en is verbonden met de anahata chakra die wordt bestuurd door de planeet Venus. Er zijn drie belangrijke centra in het menselijk lichaam: het hart als het centrum van geestelijk bewustzijn, het hoofd als het centrum van mentaal bewustzijn en de navel als het centrum van kamisch of emotioneel bewustzijn. Het hart is het orgaan waardoor het hogere ego handelt en daarmee probeert het lagere ego te bereiken, dat werkt met behulp van het brein. In deze betekenis is het hart het belangrijkste orgaan in het lichaam en als het is ontwikkeld leidt het tot geestelijke beheersing, de vereniging van atma-buddhi-manas. In een andere betekenis is het hart verbonden met prāṇa, ...

maar alleen omdat prāṇa en het aurische ei in essentie hetzelfde zijn, en ook omdat Jiva hetzelfde is als het universele goddelijke. (BCW 12:694)

Kosmisch gezien is de zon het kloppende hart van het zonnestelsel en de cyclus van de verschijnende zonnevlekken van ongeveer 12 jaar stellen de cyclus van het kloppende hart voor, als de circulerende vitaliteit die het zonnestelsel voedt, die op en naar vele gebieden transporteert en terugontvangt. De zon ...

is een kloppend hart; in een ander opzicht is hij een hersenverstand. Het is verleidelijk de woorden hart en hersenverstand letterlijk te gebruiken, wat niet ver van de werkelijkheid is. Maar de fysieke bol is niet het werkelijke hoofd en hart, behalve als het om het fysieke heelal gaat. Het werkelijke hoofd en het werkelijke hart, die verenigd als één werken, is het goddelijke achter en boven en binnen het fysieke voertuig van onze schitterende dagster. (BvhO 332; vgl. SD 1:541-2)

Leer van het Hart

In het mahayanaboeddhisme zijn het de verborgen of esoterische leringen die het tegenovergestelde zijn van de leer van het oog, die de exoterische leringen voor het grote publiek vormen. In de theosofie wordt de leer van het hart gezien als de diepere en meedogende leringen die verdergaan dan de letterlijke interpretatie van de leringen die in het openbaar worden gegeven.

Haryasva

(Sanskriet) Haryaśva [van hari roodbruin, vossig + aśva paard]

Een roodbruin paard. Een woord dat zowel voor Indra als Śiva is gebruikt. In de Harivansa worden de Haryasva’s voorgesteld als de vijf of tienduizend zonen van de patriarch Daksha die is geboren om de aarde te bevolken, maar de rishi Narada kon hem bewegen celibatair te blijven, waarna zij zichzelf verspreidden over de gebieden en niet terugkeerden. Dit betekent ...

dat zij allen als stervelingen waren geïncarneerd. De naam wordt gegeven aan alle van nature geboren mystici en celibatair levenden, van wie wordt gezegd dat zij incarnaties zijn van de ‘Haryaswa’s’. (TG 136)

Hatha yoga

(Sanskriet) Haṭha-yoga

Hatha-yoga is een lagere vorm van yoga waarbij lichaamshoudingen worden gebruikt voor de ontwikkeling van het zelf. Van deze yoga wordt gezegd dat het mogelijk zou zijn om door lichaamsoefeningen en -houdingen en het reguleren van de ademhaling of door bepaalde andere psycho-lichamelijke methoden, een zekere mate van psychomentale abstractie te bereiken en om enkele van de lagere vitaal-astrale vermogens te ontwikkelen. Deze methoden worden door de theosofie en de oude wijsheid afgeraden, want zij zijn buitengewoon gevaarlijk, behalve wanneer zij in een onschuldige mate worden beoefend onder supervisie van een wijze leraar en, wat nog belangrijker is, als de beoefening ervan door andere yoga-vormen wordt geleid.

Hatha yoga kan zeer gevaarlijk zijn voor de gezondheid, zowel psychologisch als lichamelijk. Die gevaren kunnen uit een onzichtbare hoek komen en het gezonde verstand bedreigen. In extreme gevallen kan het het verstand zelfs uit zijn normale en natuurlijke zetel verdrijven en krankzinnigheid veroorzaken.

Maar het lichaam loopt ook gevaar als de oefeningen de natuurlijke stromen van prana verstoren. Wanneer, zoals in een normale gezonde situatie, de prana’s worden genegeerd en zonder verstoring hun natuurlijke weg volgen, zorgt dat voor een gezond lichaam maar wanneer ze worden verstoord door er bewust mee bezig te zijn, zorgt dat voor ziekte.

Een aspect van hatha-yoga is pranayama (bewuste beheersing van de ademhaling), wat een afwijkend patroon betekent en dus een verstoring van een normale en gezonde ademhaling, een oefening die vrij gemakkelijk tuberculose kan veroorzaken. Het is het diepe ademen dat gezond is en zoals het gezonde verstand ons al zegt, doet dat het lichaam goed omdat dan het bloed beter van zuurstof wordt voorzien wat een betere lichamelijke conditie oplevert. Alleen in erg zeldzame gevallen, wanneer een chela mentaal en geestelijk relatief ver is gevorderd, maar nog een ongelukkig en zwaar lichamelijk karma moet dragen dat nog niet is uitgewerkt, kan het goed zijn om onder leiding van een ware leraar, de hatha yoga-methoden in een beperkte mate te beoefenen, maar alleen onder het toeziend oog van de leraar. Hiervoor waren de hatha yoga-boeken die een enkele keer in de theosofische literatuur worden genoemd, oorspronkelijk ook bedoeld — de Yoga Aforismen van Patanjali bijvoorbeeld, is zo’n hatha yoga-werk, maar wel een van de hoogste soort. Maar in het algemeen zijn hatha yoga-oefeningen schadelijk en is het daarom onverstandig daarmee bezig te zijn, zij leiden de aandacht af van de zaken van de geest en zorgen ervoor dat er meer aandacht wordt geschonken aan de lagere delen van de constitutie.

Helaas schijnen lichaamsoefeningen van verschillende soorten bijzonder aantrekkelijk voor de gemiddelde mens te zijn, misschien vooral omdat die in de sfeer liggen van bewegingsvormen die ‘gemakkelijk te doen zijn.’ Men kent de gevaren niet die hier op de loer liggen, maar feitelijk is het zo dat als we zelfs maar het kleinste resultaat willen behalen, dat alleen maar bereikt kan worden door een volmaakte of perfecte beoefening, wat een grote inspanning en het overwinnen van grote moeilijkheden betekent. En die moeten onder ogen worden gezien wanneer we onze ogen richten op de edeler vormen van yoga. Het is altijd veilig, en inderdaad voor een leerling noodzakelijk, om de hogere takken van yoga te beoefenen zoals jnana yoga, raja yoga, bhakti yoga of karma yoga, wat betekent de yoga van onzelfzuchtige activiteit in het dagelijks leven. Dan wordt duidelijk dat wanneer we kiezen voor de meer nobele vormen van yoga we ontdekken dat er niet een greintje spiritualiteit in hatha yoga zit.

Hathor

(Grieks) Hathor, (Egyptisch) Het-Hert, Ḥet-Ḥert [van ḥet-ḥert het huis boven]

Een van de oudste bekende Egyptische goden. Het-Hert verwijst naar de lucht of de hemel en is bij de Grieken bekend als Hathor. Oorspronkelijk was Hathor een kosmische godin, partner van Ra, moeder van licht — de vorming ervan werd gezien als de openingshandeling van de kosmogonie, schepper van de tweelinggoden Shu en Tefnut (de lucht en het vocht van de lucht). Later werd zij gezien als de grote Moeder die alle goden en godinnen schept — de gepersonifieerde Moeder Natuur. Zij werd in verband gebracht met alle godinnen van Egypte en heeft een deel van al hun eigenschappen. Maar haar voornaamste naam was Vrouwe van Amentet (het Heilige land of onderwereld).

De Grieken herkenden in Hathor hun Aphroditē, want zij was de schutspatroon van schoonheid en vreugde in het leven, van kunstenaars en hun scheppende werk net zoals de hemelse en aardse Venus. Haar belangrijkste functie was echter godin van de onderwereld. Zij voorzag de overledenen van voedsel en drank.

Astronomisch gezien werd ze in verband gebracht met de ster Sept (Sothis of Sirius) die als een zon opkwam op de eerste dag van het Egyptische Nieuwjaar. Toen de zonnegod Ra op zijn boot stapte ging Hathor met hem mee en nam haar plaats in als een kroon op zijn voorhoofd.

Hathor was nauw verbonden met Neith (te Saïs) en in de tijden van Ptolemaeus met Nekhebet, Uatchet en Bast.

Hathor is de helse Isis, de godin bij uitstek van het westen of de onderwereld. (SD 1:400n)

En toch was dit alleen maar het laagste aspect van Hathor, Neith en Isis. Neith, of de hemelse Hathor, was een van de meest spirituele, moeilijkste te doorgronden en abstracte van alle goden van het Egyptische pantheon, in dit opzicht is zij de hemelse moederschoot van licht, waaruit als in een hiërarchische processie de wereld of kosmos met alles erin tevoorschijn is gekomen.

Zie ook Neith

Havik

Een symbool dat in het oude Egypte staat voor de zon. Waar ook maar sprake was van zonaanbidding was de havik aanwezig, vooral te Hiëraconopolis (de stad van de havik) ten zuiden van Thebes. Deze roofvogel was vooral gewijd aan Horus, Ra, Osiris en Seker. Horus en Ra (vooral laatstgenoemde in zijn relatie met Menthu, de heer van Thebes) werden vaak afgebeeld met het hoofd van een havik, beiden waren zonnegoden.

De gouden havik werd vaak gezien als de bennu (de Egyptische feniks) en was ook de havik van de goden zelf die werd gezien als het kind van de god Tem en in verband gebracht met Horus in zijn aspect als de zoon van Osiris.

De havik wordt ook wel afgebeeld met delen van de menselijke constitutie, de ziel, die dan vaak zwevend boven de mummie te zien is.

De betekenis verandert naar gelang de houding van de vogel. Als hij als het ware voor dood ligt, stelt hij de overgang voor, de larvae-toestand of de overgang van de toestand van het ene leven naar een andere. Wanneer hij zijn vleugels heeft geopend betekent het dat de overledene is opgestaan in Amenti en opnieuw bewust zijn ziel bezit. De pop is de vlinder geworden. (TG 136)

Ook is de havik — en soms een ander vliegend wezen — in veel andere landen het symbool van de menselijke ziel.

Zie ook Khensu

Havyavahana

(Sanskriet) Havyavāhana

Het vuur van de goden. Het offervuur dat de offers voor de goden ontvangt. In de Purāṇa’s wordt Suchi het vuur van de zon, de ouder ervan gemaakt.

Hay-Yashar

(Hebreeuws) Hay-yāshār

Blavatsky schreef het als hayasscher. De eerlijke, oprechte of rechtvaardige, de krachten van het licht. Gebruikt in de Kabbālāh voor een groep of kleinere hiërarchie van krachten of energieën van een lagere kwaliteit, maar die nog steeds gerekend worden tot de krachten van het licht.

Hayyah

(Hebreeuws) Ḥayyāh [van ḥāyāh leven, vitaliteit]

Soms Chiah, Chayah, Hay-yeh, enz. Leven als een abstractie, als een bijvoeglijk naamwoord: levende, een levend wezen of ding. Vandaar dat het vaak een beest of dier is, als collectief meervoud staat het voor levende wezens met inbegrip van mensen.

In zijn verbinding met nephesh is het gelijk aan het Griekse psyche of het Latijnse anima, waar vaak de frase nephesh hayyah (levend wezen) wordt gevonden. Ook gelijk aan het prana uit het Sanskriet of de vitaliteit, als er sprake is van een entiteit komt het nauw overeen met de astrale monade, want prana of vitaliteit moet zijn astrale voertuig of lichaam hebben om doorheen te kunnen werken, zoals het liṅgaśarīra.

De vitale geest of levensgeest gaat door al de zeven beginselen heen of die nu van een mens of van de kosmos zijn, zodat er een rechtstreeks en duidelijk onderscheiden toepassing van dit woord is zelfs van het hoogste of meest spirituele deel van welk wezen ook. Werkelijk, het leven zelf doordringt de gehele menselijke en kosmische constitutie die oorspronkelijk is afgeleid van de geestelijke monade, wat verklaart waarom hayyah in zijn betekenis is verbonden met neshamah (geest) wat gelijk is aan buddhi.

Hayyim

(Hebreeuws) Ḥayyīm [mannelijk meervoud of vrouwelijk ḥāyyāh leven]

Levens, levende wezens.

Zie ook Hayyah

Hayyoth Haq-Qadosh

(Hebreeuws) Ḥayyōth haq-Qādōsh [van ḥayyāh een levend wezen + haq bepaald lidwoord + qādōsh heilig]

Heilige levende wezens. Kabbalistisch woord voor de vier wezens van het visioen van Ezechiël, in het algemeen wordt er verwezen naar de cherubijnen. Deze heilige levende wezens zijn de vier symbolische ‘dieren’ van de dierenriem: Taurus (stier), Leo (leeuw), Scorpio (schorpioen) en Aquarius (waterman).

Hazim

(Hebreeuws) Ook Hozim, Ḥozīm [van het meervoud ḥāzāh zien, aanschouwen, contemplatie van geestelijke of goddelijke dingen; enkelvoud ḥozeh staat voor profeet of ziener]

In ouden tijden waren er bekende scholen ofwel hozim die de occulte wetenschappen onderwezen. Van Samuël wordt gezegd dat hij het hoofd van zo’n school in Ramah was, terwijl Elisha er een in Jericho zou hebben gehad.

Hdu-Byed

(Tibetaans) (hDu-bYed) ’du byed (du-je)

Gelijk aan samskara van het Sanskriet. Dit heeft vele betekenissen waaronder de vierde van het boeddhistische rijtje van vijf skandha’s.

of Hei ƈ

(Hebreeuws) Hē’, Hēi

De vijfde letter van het Hebreeuws alfabet, ƈ, wat wordt geacht een weduwe of een opening te zijn. Blavatsky suggereert dat zijn betekenis in het Tetragrammaton (IHVH) ƈŻƈƝ de moederschoot is. De getalswaarde is 5.

Wat uitspraak betreft ligt het tussen de zachte alef ż en de hardere heth Ɨ in, en dus wordt het in de uitspraak en het schrift soms verwisseld met deze twee andere letters.

Hebdomad

[van het Grieks hebdomas een groep van zeven]

Een groep van zeven, een zevenvoud. Een periode van zeven dagen of zeven jaren, enz. zoals in de cycli van sabbaticals.

Hebel de-Garmin

(Aramees) Ook Hebel de GerminHebel de-Garmīn [van hebel adem, damp + gerem een bot]

De adem (leven) van de beenderen, door sommige kabbalisten weergeven als het lichaam van de wederopstanding waarbij men verwijst naar de tselem (het beeld) van de overledene waarvan men gelooft dat er een onvernietigbaar voorbeeld van achterblijft. Komen we ook tegen in het Oude Testament in het visioen van Ezechiël (hfdst 37) waar een leger van beenderen met de adem tot leven wordt gebracht. Hetzelfde in Daniël en Jesaja.

Een bijna gelijk idee komen we tegen in het Egyptische Dodenboek:

Sta op, o Osiris, u heeft uw ruggengraat, o kalme van hart, u heeft uw nekwervels en uw rug. (hfdst 155)

Hebel is ook volgens de Hebreeuwse schrijfwijze de tweede zoon van Adam, gewoonlijk vertaald als Abel, de broer van Kaïn.

Hecate

Het standbeeld van Hecate (3de eeuw n.Chr.) Foto: Flickr

(Grieks) Hekate

Deze godin, dochter van Perses en Asteria, had haar krachten ontleend aan Zeus in de hemel, aan de aarde en de zee. Zij was een mysterieus figuur, vaak beschreven als een godin van toverij en hekserij en hing vaak rond bij kruispunten en begraafplaatsen, zwierf ’s nachts alleen rond en was dan zichtbaar voor honden, als zij blaften betekende dat dat zij zou naderen. Ook herkend als Artemis en Persephone, zij werd geacht dezelfde te zijn als Selene of Luna in de hemel, Artemis of Diana op aarde en Persephone of Proserpina in de onderwereld. Vandaar dat zij ook wel Tergemina, Triformis, Triceps (drie hoofden op één hals), enz. werd genoemd. Zij is de vermenselijkte maan, waarvan de fenomenen een triade vormen en is een van de oervoorbeelden van de christelijke drie-eenheid (SD 1:387).

Zoals Diana wordt gezien als de schittering van het maanlicht aan de nachtelijke hemel, zo wordt Hecate gezien als duisternis en verschrikkingen, en zij is dan ook het beste bekend als de godin van de onderwereld, die afschuwelijke fantomen uitstuurt en heerst waar er ook maar zwarte magie wordt uitgeoefend.

In de orfische leringen was zij trimorphas (drievormig) ...

het verpersoonlijkte symbool van de verschillende en opeenvolgende aspecten, die door de maan in elk van haar drie fasen wordt weergegeven; en dit was al de interpretatie van de Stoïcijnen, . . . terwijl de Orfiërs de benaming (Τρίμορϕοϛ) [Trimorphos] verklaarden uit de drie natuurrijken waarover zij regeerde. (SD 1:395)

Hedonisme

[Van Grieks hedone, plezier]

In de ethiek is het de leer die zegt dat de bevrediging van natuurlijke neigingen het hoogste goed is en dat daarmee aan een moreel gebod wordt beantwoord. Maar de invloed van deze leer hangt in zijn geheel af van wat wij onder plezier of deze neigingen verstaan. Op zijn best is het dat wat Epicurus en zijn volgelingen beschouwden als een manier om het summum bonum of het hoogste doel van menselijk streven te bereiken en deze school maakte haarfijn duidelijk dat noch geluk noch vrede ooit gerealiseerd kunnen worden door het onderwerpen van het denken, verstand en geweten aan de instincten of neigingen van het lichaam. Bepaalde kanten van het moderne utilitarisme kunnen worden beschouwd als een vorm van hedonisme, maar de leer zoals die is uiteengezet kan gemakkelijk worden verlaagd en in zijn ergste vorm wordt het het najagen van sensuele genoegens. In feite is hedonisme als een woord en zoals het nu zelfs door velen wordt begrepen, zelfs in oude tijden, precies het tegenovergestelde van wat de eerste filosofen geloofden en onderwezen.

Zie ook Epicurische filosofie

Heer van de lotus

(Sanskriet) Kumuda-pati

Dit woord staat voor de diverse vormende intelligente krachten in de natuur en op macrokosmische schaal staat het voor de voortbrengende Heren van heelal. De lotus is het symbool van het gemanifesteerde heelal, de matrix van de natuur, zodat de Heer van de Lotus de activerende productieve kracht is.

Heersers

Hermetische naam voor zeven bouwers, kosmische ontwikkelaars of planeetgeesten. Of voor meer dan een zo’n zevental, aangezien de zeven stralen van de logos elk zevenvoudige onderverdelingen hebben. Gewoonlijk wordt er verwezen naar de zeven kosmische geesten, die volgens het hermetische stelsel de activiteiten van de natuur stimuleren en leiden en in het klein worden weerspiegeld in de mens. Soortgelijke termen zijn rectores mundi, cosmocratoren, ’elohim, heersers, enz.

Goddelijke Heersers

De volkeren van de klassieke oudheid als de Egyptenaren, Chaldeeën en Grieken, bezaten overleveringen van de eerste goddelijke heersers over het ras van mensen en geestelijke dynastieën die voorafgingen aan de menskoningen. In de latere rassen vertegenwoordigden de menselijke heersers de dynastieën van de goden, rishi’s, pitri’s, manu’s enz. die zoals in de theosofie wordt gezegd, zichzelf zouden hebben belichaamd in het derde wortelras op deze bol gedurende de huidige ronde, om telkens opnieuw te worden geboren als spirituele leraren in volgende cycli voor de instructie van volkeren waarin zij van tijd tot tijd verschijnen.

Heiden

[Van Latijn paganus een inwoner van een land, een dorpeling, een boer]

Deze Duitse benaming voor degene die geen christen, jood of moslim waren, werd in oorsprong ook gebruikt om een onderscheid te maken tussen een stedeling of ontwikkeld persoon en iemand die op het land woonde of onbeschaafd was. En zo werd dit woord gebruikt om minderwaardigheid en later ook schande uit te drukken.

Heilig water

In de rooms-katholieke kerk is het ritueel vrijwel gelijk aan dat van de oude Egyptenaren: het water dat werd gezegend of geheiligd wordt gebruikt om volgelingen en voorwerpen tijdens een kerkdienst te besprenkelen. Het is zonder twijfel overgenomen van de oude Mysteriën en werd een ritueel van uiterlijke symbolische zuivering. In Egypte en het heidense Rome ...

maakte het deel uit van de rite van het brood en de wijn. ‘Heilig water werd door de Egyptische priesters op dezelfde manier over de beelden van hun goden gesprenkeld’ en over de gelovigen. Het werd zowel geschonken als gesprenkeld. Er is een borstel gevonden waarvan men dacht dat die tot op de dag van vandaag voor dat doel werd gebruikt.’ (Bonwick Egyptian Belief 418). Wat het brood betreft: ‘De koeken van Isis ... werden op het altaar gelegd. Gliddon schrijft dat zij ‘gelijk in vorm waren als de geheiligde koeken van de roomse en Oostelijke kerken.’ Melville verzekert ons dat ‘de Egyptenaren dit heilige brood het merkteken van het andreaskruis gaven.’ Het brood van de Tegenwoordigheid werd gebroken voordat het werd uitgedeeld door de priesters aan het volk en werd geacht het vlees en bloed van de god te zijn geweest. Het wonder werd verricht door de hand van de dienstdoende priester die het voedsel zegende ... Rougé laat ons weten dat ‘het geofferde brood het merkteken van de vingers dragen, het teken van heiliging’ (Id. 418). (TG 144-5)

Heilige der heiligen

Het is het Latijnse sanctum sanctorum, een heilige plaats in tempels of kerken waar alleen de priester of hiërofant toegang toe heeft, of had. In voorchristelijke tijden kende elke oude tempel zijn bijzondere heiligdom waarin een altaar of schaal of iets dergelijks, of een ark, kist of misschien zelfs een sarcofaag, was geplaatst.

Het Heilige der Heiligen was in beginsel een zetel, de verblijfplaats van een god of godin aan wie de tempel was gewijd en uit vroomheid werd altijd gedacht dat de goddelijke macht zich daar concentreerde. Zo worden ook nu nog de kansel en het altaar in christelijke kerken beschouwd.

Het Heilige der Heiligen moet echter niet worden verward met de inwijdingskamers die in de oudheid in veel tempels en grotten te vinden waren, waar tijdens de inwijdingsrituelen de neofiet verbleef, werd ingewijd en daarna de heilige ruimte als herboren verliet. In het oude Egypte was het heilige der heiligen van deze laatste 1koningskamer234567voorvertrekkoninginnekamergrote galerijingangschacht‘put’8910afdalende gangopgaande gang‘ventilatie-schachten’1234567891010soort de koningskamer in de Grote Piramide en de sarcofaag daarin werd gebruikt voor inwijding. De sarcofaag was een symbool van het vrouwelijke beginsel, als van het vrouwelijke beginsel in de natuur, als een moeder, waaruit het nieuwe ‘kind’ of de discipel werd geboren, die nu de tweemaal geborene is geworden. Het idee van de tweemaal geborene was dat de lichamelijke geboorte door een menselijke moeder gebeurde en de mystieke geboorte door de moederschoot van de natuur plaatsvond, waarvan de inwijdingskamer het embleem was. Vandaar dat op een veel latere datum het fallische idee van de joden ontstond dat de moederschoot in de mens de maqom (de plek, locatie) is.

Terwijl een deel van de hindoeceremonieën het noodzakelijk maakten dat de neofiet door een gouden koe ging, wat ook een embleem is van moeder-natuur, ging de neofiet in het oude Egypte door de galerij van de oude piramide en moest dan diep bukken om de koningskamer te kunnen betreden.

De ceremonie van het gaan door het Heilige der Heiligen (nu gesymboliseerd door de koe), in het begin door de tempel Hiranya garbha (het stralende ei) – op zichzelf een symbool van de universele abstracte natuur – betekende geestelijke conceptie en geboorte, of liever weder-geboorte van het individu en zijn regeneratie: de bukkende mens bij de ingang van het Sanctum Sanctorum, gereed om door de schoot van moeder natuur te gaan, of het stoffelijke wezen, dat gereed is om opnieuw het oorspronkelijke geestelijke Wezen, de prenatale mens, te worden.. (SD 2:469-70)

Het Heilige der Heiligen had een specifieke betekenis in verband met het joodse tabernakel, zoals wordt uitgelegd in Exodus, en wijst op het innerlijke deel van de westerse verdeling van het tabernakel. Drie zijden van de heilige plaats bestonden uit de muren van het tabernakel zelf, terwijl de vierde of oostelijke zijde van het heiligdom was afgesloten met een gordijn of sluier — waarop de figuren van de cherubijnen waren afgebeeld — en was opgehangen aan vier palen van het vergulde hout van de shittahboom of acacia. Het idee was dat dit Heilige der Heiligen de vorm van een volmaakte kubus* zou krijgen: lengte, breedte en hoogte waren elk tien el. In dit heiligdom werd de Ark van het Verbond of Testament geplaatst, dat ook uit verguld shittahzhout was gemaakt. Op de Ark bevond zich de gouden zetel van mededogen (de kapporeth), daarnaast waren er ook twee gouden cherubijnen die naar het midden keken. In plaats van een ...

sarcofaag te zijn (het symbool van de matrix van de natuur en de wederopstanding) zoals in het sanctum sanctorum van de heidenen, hadden zij hun ark nog realistischer gemaakt, door bij het construeren die twee cherubijnen tegenover elkaar op de kist of ark van het verbond te plaatsen met hun uitgespreide vleugels op zo’n manier dat er een volmaakte yoni mee vormden (zoals nu in India kan worden gezien). Bovendien werd dit voortbrengende symbool in zijn betekenis versterkt door de vier mystieke letters van Jehovah namelijk ƈŻƈƝ of Ɲ wat Jod (membrum Virile, zie Kabbalah) betekent; (hé, de moederschoot); Ż (vau, een haak, een spijker), en nogmaals ƈ (wat ook ‘een opening’ betekent); het geheel vormt het volmaakte dubbelgeslachtelijke embleem of symbool of Y(e)H(o)V(a)H, het mannelijke en vrouwelijke symbool’ (SD 2:460).
 Echter, de verering van de ‘god in de ark’ dateert uit de tijd van David; en duizend jaar lang kende Israël geen fallische Jehovah. (SD 2:469)

Zie ook Ark

*OV: Denk ook aan de Ka'aba (الكعبة) in Mekka.

Heilige geest

[Van Grieks hagion pneuma heilige geest of adem]

De Heilige Geest of Geest is in het Westen normaal gesproken de derde persoon van de christelijke drie-eenheid, of de goddelijke drie-in-één. De typische vorm van de eerste filosofische en kosmogonische triade is Vader-Moeder-Zoon met de vrouwelijke macht die zowel de rol speelt van moeder, als die van echtgenote en dochter van de Zoon. De Heilige Geest is strikt genomen het vrouwelijke beginsel van de christelijke drie-eenheid en in het vroege eenvoudige christendom werd die op de tweede plaats van de reeks gezet en is op een later moment in het Westen, op gezag van de rooms-katholieke kerk, van de tweede naar de derde plaats verhuisd. Derhalve zag de oorspronkelijke reeks er als volgt uit: Vader, Heilige Geest (of Moeder) en Zoon, terwijl het Westen de reeks nu ziet als Vader, Zoon en Heilige Geest. En deze andere opvatting in de middeleeuwen was een van de belangrijkste factoren waarom de christelijke kerk zich had gesplitst in de Oosterse of Grieks-orthodoxe en de Westerse. In het christendom zegt men dat de Zoon de manifestatie van God is in een bepaalde man, de Heilige Geest is de goddelijke geest die in alle mensen actief is en hen gelijk maakt aan het beeld van de Zoon, of Christus.

De Heilige Geest is de geestelijke straal van de centrale zon die afdaalt door de gemanifesteerde gebieden en alle hiërarchieën doordringt op zijn weg omlaag en daarom ook het menselijke denken als die in de ziel wordt toegelaten. Die geestelijke straal is gelijk aan het Licht van de Logos, daiviprakriti, de gnostische Sophia, de kabbālistische shekinah (of misschien sefira), de Moeder van het Achttal en in het Indiase denken de vrouwelijke śakti. Maar terwijl daiviprakriti het licht van de Logos is, is dit alleen maar omdat de Logos het licht van boven naar zichzelf doorgeeft.