Theosofische Encyclopedische Woordenlijst
© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017

Mahoraga

(Sanskriet) Mahoraga [van mahā grote + uraga slang]

Grote slang. Een bijnaam van Sesha, de grote slang van de eeuwigheid, oneindige tijd.

Maia

(Grieks)

De dochter van Atlas en moeder van Hermes door Zeus. Bij de Romeinen bekend als de godin van de lente, Maia Maieslas, ook genoemd Fauna, Bona Dea en Ops.

Maitra

(Sanskriet) Ook MaitreyaMaitra, Maitreya [van mitra vriend, een naam van de geestelijke zon]

Als een bijvoeglijk naamwoord: vriendelijk, weldadig, aardig. Het mannelijke zelfstandig naamwoord verwijst naar diverse individuen: een bo­dhi­satt­va en toekomstige boeddha­; de god Mitra en met betrekking tot mensen staat het voor een vriend van alle wezens, iemand die de hoogste staat van perfectie heeft bereikt. Het slaat ook op een van de volmaakte toestanden van het boeddhisme en wordt soms genoemd als een van de tien paramita’s.

Maitreya is bovendien een bekende boeddhistische arhat.

Maitreya-Boeddha

(Sanskriet) Maitreya-Boeddha

Dezelfde als de Kalki (het witte paard)-avatara van Vishṇu, als Sosiosh en andere messiassen. De populaire leer verklaart dat Gautama Boeddha hem in zijn hemelse verblijfplaats had opgezocht en hem had gevraagd 5000 jaar na zijn overlijden als zijn opvolger naar de aarde te komen. Maar de theosofische filosofie zegt dat de volgende boeddha­ pas in het zevende onderras van deze ronde zal verschijnen [dus eerder miljoenen dan duizenden jaren].

Makara

(Sanskriet) Makara

Een dier van de zee. Het tiende teken van de dierenriem, Capricornus. Makara vertegenwoordigt ook het pentagon of de vijfhoek. Het teken van het volledig stoffelijke heelal is een dodecaëder, een figuur met twaalf vijfhoeken. Makara stelt zowel de microkosmos als de macrokosmos voor, maar ook de uiterlijke voorwerpen die worden waargenomen.

Zie ook Capricornus

Makara-ketu

(Sanskriet) Makara-ketu [van makara vis + ketu vaandel]

Het vaandel van Makara of de visbanier. Een naam van de god Kama omdat zijn vaandel een afbeelding van Makara droeg, het teken Steenbok van de dierenriem.

Makara’s

(Sanskriet) Makara’s

De vijf woorden die beginnen met een M en die een rol spelen bij de onwaardige beoefeningen van tantra: madya (wijn); mamsa (vlees); matsya (vis); mudra (mystieke gebaren) en maithuna (seksueel verkeer).

Mal’achim

Ook mal’achayya’ en mal’akhimmal’ākhīm, mal’ākhayyā’ [meervoud van mal’ākh boodschapper]

Een algemene uitdrukking voor boodschappers, dienaren, bedienden of engelen in de oorspronkelijke betekenis van contactpersonen of middelaars tussen de geestelijke en de meer stoffelijke rijken. Dus van toepassing op alle tien klassen van engelen van de kabbalistische hiërarchie. Vooral gebruikt voor de boodschappers van God in de Bijbel, in het algemeen vertaald als engelen, ook Benei-’Elohim (zonen van de goden) genoemd.

Zie ook ’Ishim

Malchuth

(Hebreeuws) Ook malkuth of malkhuthmalkhūth

Koninkrijk, domein. De tiende sefiroth van de Kabbalah, de drager of bevatter van de negen voorafgaande sefiroth en de laatste en laagste emanatie die alle voorafgaande negen machten omvat. Malchuth wordt beschouwd als het fundament van de middelste zuil van de sefiroth­boom. Zijn goddelijke naam is ’Adonai. In de orde van engelen wordt die voorgesteld als cherubijnen. Wanneer het woord wordt gebruikt voor het menselijk lichaam als een vertegenwoordiger van het kosmische lichaam, wordt die in of onder de voeten geplaatst. Wanneer gebruikt in de context van de zeven bollen van onze planeetketen stelt malchuth onze bol D voor. Deze sefira wordt matrona’ genoemd of matronitha’ de lagere Moeder, de koningin en bruid van de microprosopus — de eerdere zes of negen sefiroth. In één aspect is die de lagere shekinah [van de Hebreeuwse en Chaldeeuwse werkwoordstam shachan verblijven in, wonen in] wat op een woning, verblijfplaats of voertuig slaat, dus het woord koninkrijk als de verblijfplaats of woning van alle innerlijke gezagsdragers en machten van de gehele levensboom of het stelsel van sefiroth. Er is een goddelijke of geestelijke shekinah die de sluier is van, maar ook de verblijfplaats of het koninkrijk van de spirituele monade. Malchuth is gelijk aan mulaprakriti of parabrahman of, op een enigszins lager gebied, prakriti of purusha, of nogmaals het pradhana van Brahman. Dus is er behoorlijk veel te vinden in authentieke kabbalistische geschriften over het goddelijke licht of leven, wat de glorie van de verborgene met een schitterende sluier in zich sluit, omhult en manifesteert — wat de Kabbalah de Oude van de Ouden of de Oude van Dagen noemt, of wat in de theosofische filosofie de spirituele monade wordt genoemd.

Malum in se

(Latijn)

Het kwaad in zichzelf. Meer inherent kwaad vanwege zijn eigen aard dan door toevallige eigenschappen of relaties. De traditionele Satan van de theologie is in feite niet een inherente kwaadaardige kracht, maar een kracht die tegenwerkt of vijandig is in zijn werking en dus door de vroege christenen een Tegenstander werd genoemd, wat overeenkomt met het Griekse woord diabolos. In de theosofie wordt niets van zichzelf kwaadaardig geacht, de tegenstelling tussen goed en kwaad is niets anders dan een manifestatie van dualiteit. Maar dit wil niet zeggen dat er in het geheel geen boosaardigheid of kwaad is — dat goed en kwaad gelijk zouden zijn zodat we een neutrale houding in ons gedrag aan zouden kunnen nemen.

In feite is het zo dat wanneer wij het kwaad als een ingeworteld iets ontkennen we eigenlijk bevestigen dat het relatief is, en zolang wij in een wereld van tegenstellingen leven, hebben we toch te maken met een keuze tussen twee paden, een ervan is juist of goed en de andere is verkeerd. Als het waar is dat alles deel uitmaakt van een plan van eeu­wi­ge rechtvaardigheid en wijsheid, moet het ook waar zijn dat we ons nog niet kunnen aanmatigen dat we het vermogen van alwetenheid zouden kunnen missen.

Mamitu

(Chaldeeuws)

De godin van het lot.

Mamo-chohans

(Tibetaans?)

In de theosofie zijn zij de Heren van Duisternis en de krachten van pure materie — de duistere en sinistere geesten en werkingen van de natuur die de activiteiten zijn van de menigten van kosmische monaden die langzaam omhoog klimmen maar nu nog zijn verzonken in de diepe geestelijke slaap van het stoffelijke bestaan. Dus de mamo-chohans zijn de achtergebleven of onontwikkelde planeetgeesten of monaden. De dhyani-chohans komen overeen met licht, kennis en evolutie; de mamo-chohans daarentegen met duisternis, onwetendheid, vernietiging enz.

De Dhyan Chohans beantwoorden aan Buddh, Goddelijke Wijsheid en Leven in gelukzalige kennis, en de Ma-mo’s zijn de personificatie in de natuur van Shiva, Jehovah en andere verzonnen monsters met Onwetendheid in hun gevolg. (MB 516)

De dhyani-chohans hebben de leiding aan het begin en gedurende het hele manvantara, terwijl de mamo-chohans heersen aan het begin van een pralaya en gedurende de hele duur ervan.

Mana

(Sanskriet) Māna

1 [van de werkwoordstam mandenken]

Mening, opinie, opvatting, idee. Ook verwaandheid, arrogantie, trots (vooral in de samenstelling aham-mana). In het boeddhisme is het een van de zes slechte gevoelens of een van de tien banden die moeten worden afgeworpen. Als een onzijdig zelfstandig naamwoord, overweging, respect, eer. In de astrologie is het de naam van het tiende huis.

2 [van de werkwoordstam meten]

Als een mannelijk zelfstandig naamwoord staat het voor een verblijfplaats, gebouw of huis. Als een onzijdig zelfstandig naamwoord: opmeting, afmeting, berekening (met betrekking tot tijd). In filosofische zin: bewijs, aantonen.

Zie ook Pramana

[Voor een groter overzicht klik hier]

Manas

(Sanskriet) Manas [van de werkwoordstam man denken]

De zetel van gedachtevorming en egoïsch bewustzijn. Het derde beginsel in de afdalende reeks van beginselen van de zevenvoudige menselijke constitutie. Manas is de menselijke persoon, het reïncarnerende ego, onsterfelijk in essentie en in zijn hogere aspecten onvernietigbaar voor de gehele duur van een manvantara. Wanneer belichaamd is manas tweevoudig en neigt in zijn hogere aspecten naar buddhi, in zijn lagere aspecten naar kama. Het buddhi is het intuïtieve denkvermogen, kama het dierlijke, logisch redenerende bewustzijn, de lagere mentaliteit en de hartstochten van de persoonlijkheid.

‘Manas is tweevoudig — lunair in het lagere, solair in het hogere deel’, zegt een toelichting. Dat wil zeggen, het wordt in zijn hogere aspect aangetrokken tot buddhi, en in zijn lagere daalt het af tot en luistert naar de stem van zijn dierlijke ziel, die vol is van zelfzuchtige en zinnelijke begeerten; en hierin ligt het mysterie van het leven, zowel van een adept als van een niet-ingewijde, en ook dat van de post-mortem scheiding van de goddelijke van de dierlijke mens. (SD 2:495-6)

Tegenwoordig is manas in de mens nog niet volledig ontwikkeld en kama, of begeerte, domineert. Maar in de vijfde ronde zal manas ...

volledig actief en ontwikkeld zijn. De mensen op aarde zijn dus nog niet tot het punt gekomen waarop ze bewust een keuze moeten maken met betrekking tot de weg die ze willen gaan; maar wanneer in de genoemde cyclus manas actief is, zal iedereen worden gedwongen in vol bewustzijn tussen rechts of links te kiezen; het ene leidt tot de volkomen en bewuste vereniging met atman, en het andere tot de vernietiging van de wezens die aan dat pad de voorkeur geven. (Oceaan 69)

Die mensen die in de vijfde ronde niet kunnen opklimmen tot de hogere manasische en buddhische aspecten van zichzelf zullen van de nirvanische rust proeven voor de rest van hun belichaming op de aardketen, om opnieuw te verschijnen aan het begin van de volgende belichaming van de aarde en dan hun evolutionaire reis vervolgen.

De vernietiging van hen die kozen voor het linkerpad of de weg van de materie, vindt plaats omdat zij hun manasische vermogens misbruiken voor zelfzuchtige en slechte doeleinden, wat uiteindelijk leidt tot het definitief breken van de manasische schakels. Wanneer deze breuk heeft plaatsgevonden zal de entiteit niet langer zijn verbonden met de hogere triade en zinkt dan snel weg in de wervelstroom van absolute stof en valt volledig uiteen in zijn samenstellende levens­atomen. De hogere triade of monade die aldus is bevrijd van zijn omlaag neigende persoonlijkheid, ontwikkelt na een rustperiode in de geestelijke rijken een nieuw lager voertuig waarmee het zich in een later manvantara kan manifesteren.

Als de vereniging van het lagere of persoonlijke manas met het individuele reïncarnerende ego of hogere manas in de loop van eerdere levens niet tot stand is gebracht, zal de eerstgenoemde het lot van het lagere dier delen om uiteindelijk langzaam op te lossen in zijn samenstellende levens­atomen en zijn persoonlijkheid zal vernietigd worden. Maar zelfs dan blijft het spirituele ego uit noodzaak achter als een duidelijk ander wezen.

... het hogere en het lagere manas, zijn één ... en toch zijn ze dat niet — en dat is het grote mysterie. Het hogere manas of het EGO is in essentie goddelijk, en daarom zuiver; geen vlekje kan het verontreinigen, want geen straf kan het, per se, bereiken, temeer omdat het onschuldig is aan en geen aandeel heeft in de opzettelijke handelingen van zijn lagere ego. Maar juist door het feit dat — hoewel het tweevoudig is en tijdens het leven het hogere van het lagere verschilt — ‘de vader en de zoon’ één zijn, en omdat de lagere ziel, door zich te verenigen met het ouder-ego, daarop al haar goede zowel als slechte handelingen vastlegt en afdrukt, moeten beide lijden; het hogere ego, hoewel onschuldig en zonder blaam, moet de straf voor de verkeerde daden die zijn begaan door het lagere zelf daarmee samen dragen in hun toekomstige incarnatie. De hele leer van de verzoening is gebaseerd op deze oude leerstelling; want het hogere ego is de tegenhanger van wat op deze aarde de persoonlijkheid is. (TBL 62)

Mocht de menselijke persoonlijkheid van een zeer grove en materialistische soort zijn, zodanig dat er na de dood door het hogere ego erg weinig geestelijke impulsen zijn verzameld, dan zal deze hogere triade bijna onmiddellijk reïncarneren omdat er niets in het geleefde leven was wat zou zorgen voor een devachanische ervaring van de persoonlijkheid. Er kan geen devachan zijn voor de manasische persoonlijkheid tenzij die in zijn leven ook maar een sprankje aan geestelijke gedachten, verlangens en impulsen heeft gekoesterd. Het is het hogere manas dat devachan ervaart vanwege de geestelijke kwaliteiten die bij dit hogere manas behoren en waaraan het een onvolmaakte uitdrukking heeft gegeven in het zojuist geleefde leven. Het is in devachan waar zijn hogere manas zijn gepaste sfeer vindt voor zijn geestelijke-mentale activiteit, waar het zijn gepaste compensatie ontvangt, zijn ‘mede’ of godendrank als beloning voor alle geestelijke teleurstellingen, voor al het lijden en de onvolmaakte uitdrukkingen die het tijdens zijn aardse leven moest verdragen.

Mahat, of het universele denkvermogen, is de bron van manas: wat manas is in de menselijke constitutie, is mahat in de constitutie van de kosmos. Manas is aldus een rechtstreekse straal van het kosmische mahat. Manas wordt soms losjes kshetrajna genoemd of de werkelijk geïncarneerde en permanente geestelijke ego, de individualiteit, maar de kshetrajna is strikt genomen het buddhi-manas of hogere manas.

Manas-samyama

(Sanskriet) Manas-saṃyama [van manas denkvermogen + saṃyama concentratie]

Concentratie van het denkvermogen. De volmaakte beheersing en concentratie van het denken tijdens yogaoefeningen.

Zie ook Sannyasa

Manas-sutratman

(Sanskriet) Manas-sūtrātman [van manas denkvermogen + sūtrātman draad-zelf]

Het manasische of reïncarnerende ego dat reïncarneert in het aardse leven, leven na leven na leven.

Manas-taijasa

(Sanskriet) Manas-taijasa [van manas denkvermogen + taijasa stralend]

Het stralende denkvermogen. Het denkvermogen dat zijn eigen manasische eigenschappen of svabhāva uitstraalt. Aangezien dit zonder uitzondering plaatsvindt wanneer manas wordt gestimuleerd door buddhi, betekent dit ook de vereniging van manas met buddhi of de menselijke ratio die wordt verlicht door het inspirerende vuur van de geestelijke of buddhische monade.

Manasa rupa

(Sanskriet) Mānasa Rūpa [van mānasa mentaal vermogen + rūpa lichaam, vorm]

Denklichaam. De zetel, sluier of voertuig van het reïncarnerende ego.

Manasa-dhyānī’s

(Sanskriet) Mānasa-dhyāni’s [van mānasa mentaal vermogen, intelligentie van manas denkvermogen + dhyāni’s klasse van pitri’s van dhyāni meditatie]

De manasa-dhyānī’s zijn de agnishvatta pitri’s, de schenkers van manas (denkvermogen) en intellectueel bewustzijn aan de mens. Die solaire en lunaire pitri’s of dhyānī’s die incarneerden door uitstraling van zichzelf in de mentaal nog onbewuste vormen van het half-etherische lichaam van de mensheid van het derde wortelras. In de Purāṇa’s worden zij beschouwd als de hoogste van de pitri’s (vaders van de mensheid). De agnishvatta’s of manasa-dhyānī’s zijn evolutionair en volgens de occulte kosmologie nauw verbonden met de zon en worden dus vaak de solaire voorouders van de mensheid genoemd. Zij vormen in feite een van de diverse klassen van monaden die rechtstreeks ontsprongen uit mahat die de mens voorzagen van zijn begripsvermogen, verstand en hem bewust maakte van zijn morele verantwoordelijkheid.

Manasa-pitri’s

(Sanskriet) Mānasa-pitṛ’s [van mānasa mentaal vermogen van manas denkvermogen + pitṛ vader]

Vaders van het denkvermogen. Die spirituele wezens die de mensheid intelligentie schonken.

De monade van het dier is even onsterfelijk als die van de mens; toch weet het beest hier niets van; het leeft een dierlijk leven van gewaarwording, evenals de eerste mens zou hebben geleefd toen hij de lichamelijke ontwikkeling in het derde Ras had bereikt, als de agnishvātta’s en de manasa pitri’s er niet waren geweest. (SD 2:525n)

Zie ook Agnishvatta’s; Manasa-dhyānī’s; Manasaputra’s

Manasa(’s)

(Sanskriet) Mānasa [van mānasa intelligent van manas denkvermogen]

Bijvoeglijke vorm van manas. In de theosofische literatuur een bijnaam van de Zonen van Wijsheid of manasaputra’s, die intellectuele wezens, spirituele pitri’s of dhyānī’s die de mensheid manas of begripsvermogen schonken en daarmee het onsterfelijke ego in de mens.

Zie ook Agnishvatta’s; Manasaputra’s

Manasaputra’s

(Sanskriet) Mānasaputra’s [van mānasa intelligent van manas denkvermogen + putra zoon, kind]

Zonen van het denkvermogen. Het denkvermogen dat zich manifesteert in het heelal wordt mahat genoemd. Wanneer het zich manifesteert in bijzondere entiteiten wordt het manas genoemd. Manasa verwijst naar wezens die zijn begiftigd met het vuur van zelfbewustzijn dat hen in staat stelt reeksen van zelfbewuste gedachten en meditatie op gang te brengen. Vandaar dat de manasaputra’s de kinderen van het kosmische denkvermogen zijn, een ras van dhyani-chohans dat in het bijzonder is ontwikkeld langs de lijnen van het manasische beginsel.

Deze halfgoddelijke manasaputra’s kwamen voort uit de hiërarchie van mededogen — de lichtzijde van de natuur in tegenstelling tot de kant van de materie — ongeveer halverwege het derde wortelras van deze vierde ronde en incarneerden in het half-onbewuste intellectueel slapende menselijke ras. Door hun eigen geestelijk/intellectuele vuur wakkerden zij de slapende mentale vuren in de kinderlijke mensheid aan en stimuleerden zij het denkende beginsel, net zoals ouders een klein kind leren na te denken, zijn denkvermogen op gang brengen door middel van boeken, door onderricht, door een voorbeeld te zijn en door woorden. Het is het eenvoudigste om te doen en toch een geweldige klus. Het laat zien hoe lage wezens worden beschermd en geleid door hogere wezens, of dhyani-chohans, net zoals een kind wordt beschermd, geliefd en geleid door zijn ouders. Het verstand werd in de mensheid versneld door de manasaputra’s, want er was al een latent verstand aanwezig in die mens — waar echter nog geen beroep op was gedaan, het vroeg alleen maar om de komst van een hoger ontwikkeld denkvermogen, een deel van de eigen vlam van laatstgenoemde naar de pit van de onaangestoken kaars te brengen om die pit op zijn beurt te laten branden, maar die kon niet worden aangestoken tenzij het denken al in de kiem aanwezig was.

Deze manasaputra’s vormen een mysterie in de menselijke constitutie: zij zijn zowel wijzelf als een afdaling in ons van onze hogere zelven. Zij zijn entiteiten uit de buddhische hiërarchie van mededogen, van de lichtende boog van de ontwikkelende natuur en zij worden geleid door de Stille Wachter van de planeetketen, hun hoogste leider.

Deze gevorderde entiteiten zijn ook bekend als de zonne-lha’s, zoals de Tibetanen hen noemen, de zonnepitri’s, die de mensen van een eerder kalpa waren en die tijdens het derde wortelras zichzelf opofferden om ons intellectueel licht te schenken — zij incarneerden in die onbewuste psycho-fysieke schillen om de goddelijke vlam van egoïteit en zelf-bewustzijn wakker te roepen in de slapende ego’s die wij toen waren. Zij zijn wijzelf omdat zij behoren tot dezelfde geestelijke straal waartoe wij behoren. Toch zijn wij, strikt genomen, die halfonbewuste, halfontwaakte ego’s die zij aanraakten met het goddelijke vuur van hun eigen wezen. Dit ‘ontwaken’ van ons, werd door H.P. Blavatsky de incarnatie van de manasaputra’s, of de zonen van het denkvermogen en licht, genoemd. Had die incarnatie nooit plaatsgevonden dan zouden we onze evolutie werkelijk door niet meer dan ‘natuurlijke’ oorzaken hebben moeten doorlopen, maar dat zou bijna onbegrijpelijk langzaam zijn gegaan, bijna oneindig traag. Maar door die zelfopoffering, door hun enorme medelijden, hun immense liefde, maar werkelijk handelend door een karmische impuls, riepen zij het goddelijke vuur in onszelf wakker, gaven zij ons licht, begripsvermogen en het begrijpen. En vanaf dat moment waren wij zelf de ‘zonen van de goden’ geworden, het vermogen van zelfbewustzijn was in ons wakker geroepen, onze ogen waren geopend, we waren verantwoordelijk geworden. En onze voeten hadden wij toen definitief op het pad gezet, dat innerlijke pad, kalm, stil, prachtig, dat ons innerlijk terugleidt naar ons geestelijke Thuis ...
 Van deze manasaputra’s, kinderen van mahat, wordt gezegd dat zij in ons het Manas-manas van ons zevenvoudige manas hebben verlicht en opgewekt, omdat zij zelf typisch manasisch waren voor wat betreft hun essentiële eigenschappen of svabhāva. Hun eigen essentiële of manasische trillingen konden, om het zo maar te zeggen, een sympathieke reactie veroorzaken in iets dat er op lijkt, een gelijksoortige toon in anderen dingen. (OG 96-7)

De ‘afdaling’ van de manasaputra’s, nog voor het midden van het derde wortelras, was slechts een gedeeltelijke afdaling en zelfs tegenwoordig zijn zij niet volledig in ons geïncarneerd, zij hebben nog niet hun luister in ons volledig geopenbaard omdat onze denkvermogens nog steeds niet volledig zijn ontwikkeld. Er wordt nog steeds afgedaald en dat zal doorgaan tot het einde van de vijfde ronde. Zelfs de grootste intellecten van het mensenras hebben nog niet de vermogens van de manasaputra van boven en van binnen volledig tot uitdrukking gebracht. Deze manasaputra’s incarneren meer en meer, net zoals het groeiende kind meer mentale kracht ontwikkelt met elk jaar dat voorbij gaat. Zoals de mens verdergaat langs de weg van evolutie en zijn innerlijke natuur ontwikkelt, zo zal hij zijn eigen latente manasaputra naar buiten brengen en in het volgende manvantara zal hij de weg voor lagere entiteiten verlichten.

... naast dit alles was er nog een klasse van mānasaputra’s die als het ware de zaak aan het rollen brachten door met hun eigen intelligentie, met hun eigen vuur van intelligent denken en zelfbewustzijn, diegenen van de mensheid te bezielen die, in die tijd, in het eerste deel van het derde wortelras in deze ronde, gereed waren en de vlam overnamen; daarna kwam hun eigen mentale apparaat, kwamen hun eigen mānasische vermogens, als het ware snel tot bloei, zoals een roos zijn blaadjes snel ontvouwt als de tijd daarvoor is aangebroken. Deze mānasaputra’s, deze klasse van mānasaputra’s, waren de hoogontwikkelde entiteiten uit vroegere kosmische manvantara’s, die tot de hiërarchie van de boeddha­’s van mededogen behoren en doelbewust hun eigen verheven sferen als het ware verlieten, onder de mensen afdaalden en hen onderrichtten — om zich daarna terug te trekken. (Aspecten 476)

Manasasarovara

(Sanskriet) Manasasarovara [van mānasa intelligentie + sarovara meer van uitmuntendheid]

Het meer van uitmuntende intelligentie. Een heilig meer in de Himalaya’s van Tibet. Manasasarovara is ook de beschermheilige van Tibet waarvan wordt gezegd dat hij een naga (slang, adept, wijze) was. Het meer, ook Anavatapta genoemd, is een pelgrimsoord voor hindoes vanwege het feit dat men beweert dat op de oevers van dat meer de Veda’s zijn geschreven. De naam verwijst naar de historische occulte verbinding met Śambhala, vandaar dat de verwijzing zegt dat het de bron van de Veda’s is, bron van inspiratie en daarom van kennis en wijsheid.

Manasisch

[van Sanskriet manas denkvermogen]

Nederlands equivalent van het Sanskrietwoord manasika (mentaal vermogen, intelligentie).

Manasvin

(Sanskriet) Manasvin [van manas denkvermogen]

Met de aard van intelligentie. Die in essentie intellectuele en zelfs geestelijke dhyānī’s of zonnepitri’s die de mens zijn intellectuele geestelijke en mentale vermogens, begrip en zelfbewustzijn schonken. Een variant van manasa’s, kumara’s, vairaja’s, manasaputra’s en agnishvatta’s. Vandaar dat de manasvin kan worden beschouwd als menselijke ego’s.

Manavas

(Sanskriet) Ook ManavahManavas, Manavaḥ

De eerste naamvalsvorm meervoud van manu.

Manawyddan

(Welsh)

Zoon van Llyr. Llyr Llediaith ‘met een gebrekkige manier van uitdrukken,’ is het Ierse grenzeloze Lir. Manawyddan is waarschijnlijk hetzelfde als het Ierse Mananan Mac Lir.

Mandakini

(Sanskriet) Mandākinī

Langzaam vooruitgaand. Een bijnaam van de rivier de Ganges, vooral wanneer die rivier traag stroomt door de vlakten van India.

Mandala

(Sanskriet) Maṇḍala

Een cirkel, bal, wiel, ring of omtrek, zoals de omloop van een hemellichaam en dus een grote cirkel in de astronomie, de baan van een planeet. Ook een van de tien mandala’s (cirkels, onderverdelingen) van de Rig-Veda Samhita.

Ook de heilige cirkelvormige afbeeldingen in de boeddhistische kunst.

Mandara

(Sanskriet) Mandara

Een heilige berg die in de mythologie van de hindoes de goden en asura’s diende als een karnstok toen de oceaan gekarnd moest worden voor de winning van het amrita en 13 andere waardevolle en heilige zaken die verloren waren geraakt door een voorafgaande vloed.

Zie ook Kurma-Avatara

Mandragora

(Grieks)

De mandragora, een alruin (plant). Hij vertoont soms in grote lijnen de omtrekken van een mens en is dan vaak nogal suggestief in vorm en houding. De plant werd en wordt nog steeds in enkele landen van grote waarde geacht, niet alleen vanwege zijn geneeskrachtige stoffen en als narcoticum, maar vooral voor het gebruik als liefdesdrank of middel tegen onvruchtbaarheid. Het zou ook gebruikt kunnen worden door tovenaars voor hun gemene praktijken.

In de geheime catechismus van de druzen schiepen de zonen van God mensen door af te dalen naar de aarde en zeven mandragora’s te bezielen — dat wil zeggen ledepoppen of fantomen.

Manduka-yoga

(Sanskriet) Maṇḍūka-yoga [van maṇḍūka kikker]

Een ‘bijzondere soort abstracte meditatie waarbij de asceet roerloos zit als een kikker’ (Monier-Williams). Maar alle authentieke yogaoefeningen kennen het volledige mentale afsluiten voor alles dat buiten hen ligt, zodat alle yogi’s als zij yoga beoefenen stilzitten, ‘als een kikker.’ Het is geen bijzonder hoge vorm van yoga.

Hoe het ook zij, ware geestelijke yoga is de yoga van de innerlijke mens, wat een intense intellectuele en spirituele concentratie betekent op zaken en onderwerpen van een geestelijke aard en dat vereist niet noodzakelijkerwijs een zittende yogahouding, of wat dan ook. De ware leerling kan de zaken van zijn meester uitvoeren en actief zijn bij het vervullen van zijn dagelijkse plichten en toch zijn geestelijke yoga beoefenen zonder die ook maar een enkel moment te onderbreken.

Alle soorten yoga waarbij een bepaalde houding van belang is, zittend of iets dergelijks, waarin het lichaam een actieve of inactieve rol speelt, behoren technisch gezien tot een van de verschillende soorten van hathayoga en zouden ontmoedigd moeten worden.

Mandukya Upanishad

(Sanskriet) Ook MandukyopanisadMāṇḍūkyopaniṣad [van maṇḍūka kikker]

Een korte maar belangrijke Upanishad van de Atharva-Veda.

Manes

(Latijn) [van manus goed]

De geesten van voorouders die werden verafgood, de gunstige soort van schaduwen vergeleken met de larvae en lemuren die boosaardig zijn. Het woord schijnt in oorsprong te zijn gebruikt voor een klasse van titanen, kabiren of dhyānī’s en een plaats te hebben gehad in de reeks van patriarchen, helden en manes, die de goddelijke leraren van eerdere rassen waren. Maar veel later, toen de Romeinen dat woord ook gingen gebruiken, raakte de naam in verval en werden er de betere astrale schaduwen of wezens in kamaloka mee bedoeld, die in zoveel landen verzoend moesten worden door het brengen van offers, wat nog steeds het geval is in enkele culturen. Soms zien we dat zij boete moeten doen, zoals bij Vergilius, waar de schaduwen een pijnlijke zuivering moeten ondergaan voordat zij verder kunnen naar het Elysium:

Ieder van ons lijdt onder zijn eigen manes. (Aeneis 6:743)

Het valt niet mee om onderscheid te maken tussen de manes, larvae en lemuren. De manes werden door de Romeinse filosofen en dichters beschouwd als gelijk aan de menselijke ziel of monade, terwijl de larvae en lemuren duidelijk de schillen of schaduwen waren die bestaan in het astrale licht, en de afgeworpen restanten zijn van de menselijke monade wanneer die opstijgt naar devachan, of dat bereikt.

Mania

(Latijn)

In de Latijnse mythologie is zij de moeder van de lares of dii lares, en op dezelfde manier de beschermer of zelfs de bron van de manes. Volgens Arnobius is zij de moeder van de zeven kabiri — Blavatsky merkt op dat ...

Mania de vrouwelijke Manu is. ... Ila of Ida, de vrouw en dochter van Vaivasvata Manu, ... De Manes en Mania van Arnobius zijn namen van Indiase oorsprong, die de Grieken en Latijnen zich hebben toegeëigend en verminkt. (SD 2:143)

Een andere naam van deze mysterieuze god was Lara of Larunda. De oude Latijnen noemden het hogere manasische element in de menselijke constitutie de genius (in vrouwen juno), de andere delen van de menselijke constitutie bestonden uit een manes en een lares, die overeenkomen met de lagere en hogere menselijke ego.

Manicheërs

Een Perzische sekte uit de derde eeuw die zich snel verspreidde over Mesopotamië (voornamelijk bestaande uit Syrië, Irak en Iran), zelfs voorbij De loop van de Oxus, tegenwoordig
Amu Darja genoemd.
de Oxus en in een of andere vorm bleef bestaan tot aan de 13de eeuw. De grondlegger was Mani, die een Pers zou zijn geweest. In het Grieks veranderde de naam in Manes of Manichaios.

Er kan weinig met zekerheid over Mani worden gezegd, maar hij zou een geboren mysticus zijn geweest. Hij was zich bewust van een opdracht en begiftigd met een ruime visie en met de pakkende geestdrift die zo kenmerkend is voor de eerste leiders van nieuwe stromingen. Met groot succes vermengde hij de religieuze, filosofische en mystieke ideeën van zijn tijd, en die van de omringende landen, tot een samenhangend stelsel dat aansloot bij de wereld van toen.

Een opvallend kenmerk van het manicheïsme is een weerbarstig dualisme, want het ziet een eeuwig naast elkaar bestaande wereld van licht en een wereld van duisternis, en er is een god van licht die tegenover een vijandige Satan staat. De leringen van de esoterische gnosis zoals die door de neoplatonisten, gnostici en anderen werden uitgedragen, zijn vermaterialiseerd en zowel de leer als het ritueel hebben vormen aangenomen die minder veeleisend zijn en daarom geschikter waren voor voortzetting in een tijd van toenemend materialisme. Het laat weinig sympathie voor het christendom zien, noch mogelijkheden om erbij aan te sluiten.

Manicheïsme en het christendom kunnen worden beschouwd als Oosterse en Westerse producten van dezelfde materialistische invloed die de oorspronkelijke gnosis transformeerden en aanpasten. Het manicheïsme voelde meer sympathie voor de gnostici dan voor het kerkelijke christendom, want er was een groot deel van het ware esoterische denken in de leringen aanwezig in wat eeuwenlang bleef bestaan als het manichaeïsme.

Maninanjari

(Sanskriet) Maṇimañjarī

Reeks van juwelen of parels. Een van de geschriften van de filosofische sekte van Madhva.

Manipura

(Sanskriet) Maṇipūra

Centrum van juwelen of stad van juwelen. Een van de zeven belangrijkste chakra’s in het menselijk lichaam, verbonden met de zonnevlecht.

Manjusri

(Sanskriet) Mañjuśrī [van mañju mooi + śrī een bijnaam die heiligheid, waardigheid en verering uitdrukt]

De heilige schoonheid. Een naam van de dhyani-bo­dhi­satt­va’s, de beschermers en Stille Wachters van de bollen van onze planeetketen. Een andere naam is Vajrapanins.

In de exoterische boeddhistische literatuur wordt naar Manjusri gekeken als de god van wijsheid omdat de titel is gepersonaliseerd of vermenselijkt als een individu, maar ...

Het is onjuist om de verering van de menselijke bo­dhi­satt­va’s of Manjusri letterlijk op te vatten. Het is waar dat de mahayanaschool exoterisch leert ze zonder onderscheid te aanbidden, en dat Huien-Tsang spreekt over sommige leerlingen van Boeddha die worden vereerd. Maar esoterisch is het niet de leerling of de geleerde Manjusri persoonlijk, die eerbewijzen ontving, maar de goddelijke bo­dhi­satt­va’s en dhyani-boeddha­’s die de menselijke vormen bezielden. (SD 2:34n)

Mannelijke beginsel

Dit betreft één lid van de oorspronkelijke, universele dualiteit die alle verschijningsvormen kenmerkt en een relatie heeft met het vrouwelijke beginsel. Andere termen voor deze dualiteit zijn purusha en prakriti, geest en stof, positief en negatief, actief en passief.

Mannelijk of vrouwelijk, masculien of feminiem worden alleen toegeschreven aan kosmische beginselen omdat zij universeel en tweepolig zijn en zichzelf uitdrukken in alle gebieden van het kosmische leven. Aangezien mensen en dieren tot de gebieden van het kosmische leven behoren en in hun huidige evolutionaire ontwikkeling door een periode van quasi-eenpolige ontwikkeling gaan die het geslacht wordt genoemd, zijn de woorden misschien wat arbitrair gebruikt in een poging de tweepoligheid van de kosmische beginselen te beschrijven. Maar strikt genomen zijn deze kosmische beginselen noch mannelijk, noch vrouwelijk. Dezelfde beschrijvende gewoonte loopt als een rode draad door de gehele theologie, zoals wanneer godheden worden beschreven als goden en godinnen. In de kabbalistische sefiroth­boom worden enkele van de sefiroth aan elkaar gekoppeld, tot een paar gemaakt, zoals de aeonen in het stelsel van Simon Magus en Valentinus.

Maneras

De naam van degene die de zeven graden van de Egyptische Mysteriën had doorlopen. Als een symbool voor het met succes doorlopen van alle graden, werd degene die aldus een hiërofant werd, een tau (het Egyptische kruis) gegeven.

Mannheimar

(IJslands) [van mann man + heimar thuis]

In Noorse mythen de wereld of een segment van het zonnestelsel dat het thuis is van de mensheid. Het is duidelijk onderscheiden van andere segmenten die primair door andere levensvormen worden bewoond, zoals de god-heimar (de verblijfplaats van de goden).

Mano

(Gnostisch)

In de Codex Nazaraeus, het belangrijkste geschrift van de nazareense gnostici, is hij het hoofd van de aeonen, de koning van Schittering, waaruit vijf schitterende stralen van goddelijk licht tevoorschijn schieten. De Codex noemt Mano de hoogste koning van Licht, de grote eerste: hij die als eerste verschijnt uit Ferho, het onbekende vormloze leven, in het algemeen het equivalent van de tweede logos in de theosofie.

Hij is het Tweede ‘Leven’ van de tweede of verschenen drie-eenheid ‘het hemelse leven en licht, en ouder dan de architect van hemel en aarde’ (Cod. Naz., Vol. I, blz. 145).
 Deze drie-eenheden zijn als volgt: De Hoogste Heer van schittering en van licht, lichtgevend en stralend, waarvoor niets anders bestond, wordt Corona (de kroon) genoemd; Heer Ferho, het ononthulde leven dat eeuwig bestond in de eerstgenoemde; en Heer Jordaan — de geest, het levende water van genade (Ibid. II., blz. 45-51).
 Hij is de enige door wie wij kunnen worden gered. Deze drie vormen de drie-eenheid in abscondito. De tweede drie-eenheid wordt samengesteld uit de drie levens. De eerste is de gelijkenis van Heer Ferho, door wie hij naar voren is gekomen; en de tweede Ferho is de koning van Licht — Mano. Het tweede leven is Ish Amon (Pleroma), de uitverkoren vaas, die de zichtbare gedachte bevat van de Jordanus Maximus — het type (of zijn begrijpelijke weerspiegeling), het oermodel van het levende water, dat de ‘spirituele Jordaan’ is. (Ibid. II., p. 211)
 Het derde leven dat wordt voortgebracht door de twee andere is Abatur (Ab, de Ouder of Vader). Dit is de mysterieuze en gebrekkige ‘Oude van de Ouden,’ de Oude ‘Senem sui obtegentem et grandaevum mundi.’ Dit laatstgenoemde derde Leven is de Vader van de demiurg Fetahil, de schepper van de wereld, die de ophieten Ilda-Baoth noemen ... door Fetahil is de eniggeborene gekomen, de weerspiegeling van de Vader, Abatur, die hem ontvangt door te kijken in het ‘donkere water.’ Sophia Achamoth ontvangt haar Zoon Ilda-Baoth de demiurg door te kijken in de chaos van de stof. Maar de Heer Mano, ‘de Heer van verhevenheid, de Heer van alle genii,’ is hoger dan de Vader. In deze kabbalistische Codex — is de één zuiver geestelijk, de ander stoffelijk. Dus terwijl bijvoorbeeld de ‘eniggeborene’ van Abatur de geest Fetahil is, de Schepper van de stoffelijke wereld, is Heer Mano de ‘Heer van Celsitude,’ die de zoon van Hem is, die ‘de Vader van allen is die het evangelie prediken,’ en schept ook een ‘eniggeborene,’ de Heer Lehdaio, ‘een rechtvaardige Heer.’ Hij is de Christos, de gezalfde, waaruit de ‘genade’ stroomt van de Onzichtbare Jordaan, de Geest van de hoogste kroon ... (TG 204-5)

De drie-eenheid van Mano, Spiritus en Lehdaio is dezelfde als de Vader, Moeder en Zoon van het christelijke stelsel. Vanuit één gezichtspunt is Mano ook vergelijkbaar met Manu van de hindoes (vgl. IU 2:229).

Manodhatu

(Sanskriet) Manodhātu [van manas denkvermogen + dhātu wereld, sfeer]

De sfeer of wereld van het denkvermogen of intellect. Een algemene term, niet alleen voor een van de afdelingen van het mentale gebied, maar ook voor het totaal aan mentale vermogens van ieder mens.

Manojava

(Sanskriet) Manojava

Zo snel als een gedachte. Een naam van Indra van het zesde manvantara, wat overeenkomt met de zesde manu van deze ronde, de zaad-manu van bol C of ook met het derde wortelras.

Manomaya-kosa

(Sanskriet) Manomaya-kośa [van manas denkvermogen + maya gebouwd van, gevormd uit van de werkwoordstam meten, vormen, met het idee van een illusoire verschijningsvorm + kośa omhulsel]

Het omhulsel dat wordt gevormd door het denkvermogen, de menselijke ziel. Volgens de classificatie van de Vedānta van menselijke beginselen is het de derde pancha-kosa (vijf omhulsels) die de goddelijke monade of atman omhult. Manomaya-kosa komt overeen met het lagere manas in combinatie met kama en heeft daarom een grotere affiniteit met het vierde beginsel kama, dan met het zesde, buddhi.

Mantische razernij

[van Grieks mantis ziener van mainomai handelen in extase onder een goddelijke impuls]

Een ziener. Iemand die is geïnspireerd vanuit een goddelijke extase. Volgens Plato iemand die orakels heeft geuit terwijl die onder een goddelijke invloed stond, wat in zijn laagste vormen een soort van waanzin of razernij was, terwijl een profetes (profeet) iemand was die het orakel interpreteerde.

Razernij wordt bij ons gebruikt in de zin van woede of boze opgewondenheid, maar betekende in oude tijden een toestand van verrukking of vervoering, zowel van het verstand als van de psychologische natuur waardoor de innerlijke waarnemingsvermogens actief werden en waardoor zienerschap en profetische vermogens werden verworven. Bepaalde dampen van de aarde zouden een invloed hebben gehad op het lichaam van de ziener of zieneres die het lichaam gevoeliger maakten, wat plaatsvond in de grotten van Delphi.

Cicero was zeer te spreken over de betere kant van het vermogen dat zo werd verleend. De toestand die door de bacchische rituelen werd opgewekt had er veel van weg maar die riten raakten na verloop van tijd in verval en ontaardden in een toestand van waanzin of raaskallen in de moderne betekenis van het woord. Doordat deze rituelen degenereerden en uitmondden in losbandigheid en schaamteloosheid, veranderde de betekenis van het woord waanzin of razernij van nature pari passu.