Theosofische Encyclopedische Woordenlijst
© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017

O-mi-to Fo

(Chinees) Ook Amita Fo

De Chinese schrijfwijze van Amita Boeddha (‘grenzeloze boeddha­’ in het Sanskriet is het kosmisch gemanifesteerde buddhi of mahabuddhi. Het is hetzelfde als de tweede logos die aanwezig is in de essentie van elke entiteit in het heelal als zijn inspirerende en leidende geestelijke licht.

Oannes

(Assyrisch-Babylonisch)

Een god die half-mens half-vis was en die elke dag uit de Perzische Golf omhoog kwam en de mensen wijsheid schonk en daarnaast de schone kunsten, wetenschappen, landbouw enz. onderwees. Hij is ook wel bekend als de god Ea, Dagon (Dāḡôn) of Annedotus. Een soortgelijk verhaal wordt over Vishṇu verteld in de Indiase Hari-Purāṇa toen hij verscheen als Matsya-avatara (incarnatie als vis).

Er waren Annedoti die na hem kwamen, vijf in getal (ons ras is het vijfde) — ‘allen hadden de gedaante van Oannes en onderwezen hetzelfde’; maar Musarus Oannes verscheen het eerst en dat vond plaats tijdens de heerschappij van Ammenon, de derde [vierde] van de tien koningen van vóór de zondvloed waarvan de dynastie eindigde met Xisuthrus, de Chaldeeuwse Noach ... Deze allegorie van Oannes, de Annedotus, herinnert ons aan de ‘Draken-’ en ‘Slangen-koningen’, de Nagas die volgens de boeddhistische legendes op meren en rivieren het volk onderwezen in wijsheid om ten slotte bekeerd te worden tot de goede Wet en verder leefden als Arhats. De betekenis is duidelijk genoeg. De ‘vis’ is een oud en erg suggestief symbool in de mysterietaal, net zoals ‘water’ dat is. Ea of Hea was de god van de zee en van wijsheid en de zeeslang was één van zijn emblemen, zijn priesters zijn ‘slangen’ of ingewijden. Daarom ziet men waarom het occultisme Oannes en de andere Annedoti in de groep zet van de oude ‘adepten’ die ‘zee-’ of ‘waterdraken’ werden genoemd — Nagas. Water typeerde hun menselijke oorsprong (aangezien het een symbool is van aarde en stof en ook van zuivering), die duidelijk anders is dan de oorsprong van de ‘vuur-Nagas’ of de onstoffelijke, geestelijke wezens of zij nu hemelse bo­dhi­satt­va’s of planetaire dhyānī’s zijn. Ook zij worden gezien als de leraren van de mensheid. De verborgen betekenis wordt duidelijk voor de occultist, als hem eenmaal is gezegd dat ‘dit wezen (Oannes) gewend was de dag door te brengen onder mensen en hen onderwees, en dan als de zon was ondergegaan zich terugtrok in de zee en de nacht doorbracht in de diepte, ‘want hij was als een amfibie,dat wil zeggen hij behoorde tot twee gebieden: de geestelijke en de fysieke. Want het Griekse woord amphibios betekent eenvoudig ‘dubbel levend’ of ‘in twee werelden levend’ ... Het woord werd vaak in de oudheid gebruikt voor die mensen die, hoewel nog steeds in menselijke gedaante, zichzelf bijna goddelijk hadden gemaakt door hun kennis en net zoveel leefden in de geestelijke bovenzinnelijke regionen als op aarde. Oannes is vaag te herkennen in Jonas en zelfs in Johannes, de voorganger, beide zijn verbonden met vissen en water. (TG 236-7)

Ob

(Hebreeuws) Ook Aub’Ōb.

Een dodenbezweerder, iemand die ‘de doden oproept’ om toekomstige gebeurtenissen te weten te komen. De tweede betekenis is de geest van het waarzeggen in de dodenbezweerder en de derde, de verschijning, schaduw of het kama-rupa zelf dat wordt opgeroepen. ’Ob is ...

de boodschapper van de dood die wordt gebruikt door zwarte magiërs, de dodelijke boosaardige fluïde. (SD 1:76)

Het is het laagste aspect van het astrale licht — ...

of eigenlijk meer zijn giftige boosaardige stromen. (TG 237)

Aangezien het astrale licht in zijn lagere aspecten soms werd gesymboliseerd door een slang werd ’ob ook vaak op die wijze tot embleem gemaakt. Het wijst op de machten van duisternis, de wezens in de lagere gebieden van het astrale licht en de boosaardige en immorele praktijken van dodenbezwering, het staat ook voor het tegenovergestelde van het Semitische woord ’or (licht, luister, verlichten, ontsteken met wijsheid en kennis) dat ook wordt gebruikt voor mystieke openbaringen en het doorgeven van esoterische waarheid.

Obeah

[Mogelijk uit het Afrikaans] Ook obea, obi en oby.

De magie die wordt uitgeoefend door Afrikanen die ten zuiden van de Sahara leven en soms ook in Amerikaanse landen.

Obryn

(Welsh)

Het tweede stadium in Abred of de cirkel van transmigratie, het stadium dat ligt tussen Annwn (de elementale rijken) en Cydfil (het dierenrijk). Het omvat daarom ook de mineralen- en plantenrijken.

Obscuratie

Een slaap of sluimer tussen twee opeenvolgende perioden van activiteit van een bol van een planeetketen wanneer een levensgolf een andere opvolgt tijdens de vele ronden in zo’n keten.

Een bol blijft niet in obscuratie of voortdurend in slaap als een levensgolf die verlaat totdat diezelfde levensgolf terugkeert in de volgende ronde. De levensgolven volgen elkaar in een regelmatige reeks op en elke levensgolf die een bol binnengaat heeft er zijn aanvangsperiode, zijn bloei en zijn verval, en verlaat dan de bol die in obscuratie gaat voor zover het die bepaalde levensgolf betreft. Maar de bol zal binnen een relatief korte tijd een volgende levensgolf ontvangen, die er zijn loop zal hebben en ook die bol in een toestand van obscuratie zal verlaten, voor zover het die levensgolf betreft enz. Het mag duidelijk zijn dat een periode van obscuratie op welke bol van de planeetketen dan ook, veel korter zal duren dan de periode van een volledige planetaire ronde. (OG 118)

Obscuratie zou niet verward moeten worden met het proces van pralaya, het uiteenvallen of sterven. Obscuratie betekent rust of sluimer, net als de slaap:

... zogenaamde cyclische pralaya’s zijn slechts verduisteringen en dat tijdens deze perioden de Natuur, dat is al het zichtbare en onzichtbare op een rustende planeet, in statu quo blijft. De Natuur rust en sluimert, op de bol is geen afbraakproces aan de gang, ook al wordt er geen actief werk verricht. Alle vormen en ook hun astrale typen blijven zoals zij op het laatste ogenblik van hun activiteit waren. Aan de ‘nacht’ van een planeet gaat nauwelijks enige schemering vooraf. Zij raakt als een grote mammoet in een lawine gevangen en blijft sluimerend en bevroren tot de volgende dageraad van haar nieuwe dag — inderdaad een heel korte in vergelijking met de ‘dag van Brahmā’. (SD 2:660n)

Zie ook Sishta’s

Obsessie

Een bestorming of belegering door een vreemde persoonlijkheid, of de toestand waarin iemand wordt lastiggevallen of gedomineerd door een kwaadaardige geest in het geval van een demonische bezetenheid.

Deze toestand treft men aan onder krankzinnigen, epileptici, gevallen van hysterie, drugsverslaafden, alcoholisten en onder zware vormen van astma en mediumschap. De slachtoffers worden dan geschikte, negatieve instrumenten of voertuigen voor‘Feeding Obsession,’ Natalya Doudell ontlichaamde entiteiten die een krachtige begeerte in zich dragen en die zo het zintuiglijke leven [opnieuw] kunnen ervaren.

Zelfs als een organisch verval of degeneratie al is ingezet, komt soms de vraag naar voren of dit nu de oorsprong is of het gevolg van een langdurig misbruik van het zenuwstelsel en de mentale vermogens? Deze laatste vormt het opvallende bewijs van de vervelende of bezeten invloed die in wisselende heftigheid verschijnt, van rusteloosheid met een innerlijke spanning, een vaag bewustzijn, gebrek aan wilskracht, ongewone lichtgeraaktheid, vage angsten, drang tot zelfmoord, troebele epileptische toestanden en plotselinge impulsen in een misdadige richting of anderszins. Bij deze aandoeningen hebben zij die worden geraakt, hoewel zij karmisch sensitief zijn voor psychische opwinding en invloeden, vaak voldoende weerstand tegen een volledige overgave aan een abnormale bezetenheid die alleen de vele vormen van innerlijke strijd tegen een inbezitneming verklaren. Deze subjectieve strijd wordt voor de buitenwereld zichtbaar, zoals bij een patiënt die het slachtoffer is van aanvallen met een grote impulsieve kracht en die ziet aankomen en om dwangmaatregelen vraagt. Zo zien psychiaters dat onder krankzinnigen de wilskracht die zich verzet tegen een verkeerd handelen vaak eerder wegvalt dan het geweten dat ervoor waarschuwt. Soms weet de innerlijke mens dat hij niet gezond is en verlangt naar hulp, maar kan zichzelf niet verstaanbaar maken.

De gevallen die technisch worden geclassificeerd als ideeën en gevoelens die passen bij een obsessie, vormen een bewijs van de subjectieve werkelijkheid van het astrale gebied en de daarin rondwarende ontlichaamde entiteiten. De kennis van de meervoudige aard van de mens, inclusief de rollen die door elk van zijn beginselen tijdens het leven en na de dood worden gespeeld, geven een sleutel voor veel psychische problemen die ontstaan door het overleven van het kama-rupa na het overlijden. De verschillende aspecten van obsessie komen uit verschillende soorten van astrale entiteiten voort — spoken of schimmen van de doden, elementaren van zelfmoordenaars en geëxecuteerde gevangenen, boosaardige magiërs, natuurgeesten enz. Alleen de kama-rupische schillen zijn anders, omdat zij overblijfselen zijn van overleden persoonlijkheden en typerend zijn voor wat de laatstgenoemden hadden gedaan met hun verlangens en impulsen tijdens hun belichaamde leven. De grote variatie aan obsessieve invloeden verklaart de lappendeken aan typische symptomen in gevallen van bijvoorbeeld een aanhoudende melancholie, blijvende krampen of een krachtige manie en spasmen, van emotioneel egoïsme bij hysterie, van het trekken van kinderachtige gezichten en ongewilde spiersamentrekkingen bij het dwangmatig ‘stuiteren,’ tot de subjectieve verschrikkingen van een delirium tremens en de ziekelijke grofheid van zinloze, onmenselijke misdaden. Hoewel eigenlijk alleen de innerlijke visie van een ziener zou kunnen verklaren welke entiteit in welk geval actief was, kan toch ook een bestudeerder van de menselijke dualiteit het ongezonde en verwrongen spel zien van het dier, van de lagere natuur die zich heeft losgemaakt van het geweten en het hogere denken — de kama-rupische toestand. Milde vormen van deze aandoeningen zijn vaak gewoon het onbeheerste spel van de zelfzuchtige aard van de persoon in kwestie, maar het gevaar bestaat wel dat deze zich ontwikkelt tot ernstiger vormen, omdat een soort nu eenmaal dezelfde soort aantrekt.

Zie ook Bezetenheid; Delirium tremens

Occulte kunsten

Blavatsky maakt in Occultisme vs. de Occulte Kunsten (Studies in Occultism) een onderscheid tussen het occultisme (gupta-vidya, de weg van wijsheid) en de occulte kunsten (boosaardig, zondig occultisme, zwarte magie, hocus pocus, betoveringen, bezweringen, enz.).

Terwijl het zuivere occultisme het zelf volledig verloochent, worden de occulte kunsten uitgeoefend met zelfzuchtige motieven of uit een verlangen naar kwaad doen. Zelfs waar er geen duister motief is bij iemand die het waagt zich met de occulte kunsten in te laten, betreedt hij toch een terrein waar gevaar en vernietiging hem bedreigen, tenzij hij wordt beschermd door een training in zuiver occultisme. Hij zal in zichzelf krachten opwekken waarmee hij niet om kan gaan, hij zal deuren openen die hij later niet meer kan sluiten en zal zichzelf aan de genade van boosaardige wilskrachten over moeten geven die waarschijnlijk sterker zijn dan hijzelf.

Occulte wetenschappen

Het gehele scala van wetenschappen met betrekking tot de geheimen van de natuur — stoffelijk, psychologisch, mentaal en spiritueel, ook bekend als ...

de Hermetische en Esoterische wetenschappen. In het Westen kan de Kabbalah worden genoemd, in het Oosten de mystiek, magie en de filosofie van yoga. De laatste wordt vaak door chela’s in India als de zevende ‘darsana’ (filosofische school) genoemd. De wereldse mens kent in India slechts zes darsana’s. De wetenschappen van deze zevende zijn en worden al vele eeuwen verborgen gehouden voor de gewone burger, om de erg goede reden dat zij nooit gewaardeerd zouden worden door de zelfzuchtige en goed opgeleide klassen, noch begrepen door de ongeschoolden. De eerstgenoemden zouden die misbruiken en er hun voordeel mee willen doen en zo de goddelijke wetenschap veranderen in zwarte magie. (TG 237)

Occultisme

[van Latijn occultus verborgen]

De wetenschap van wat zich achter de sluiers van zowel de zichtbare als de onzichtbare natuur afspeelt, zaken die zijn verborgen voor de massa. In de theosofie is het vaak een synoniem voor de esoterische filosofie of de geheime leer. De studie van het ware occultisme betekent een diep doordringen in de oorzakelijke mysteriën van het universele zijn. Dit in tegenstelling tot de occulte kunsten die zich bezighouden met psychisme, zwarte magie, hypnose, psychologiseren en het zonder kennis of kwaadwillig gebruiken van astrale en mentale krachten.

Het woord occult heeft een nobele maar ook een vrijwel vergeten ontstaansgeschiedenis. Een goede omschrijving ervan luidt: alles dat ononthuld is, verborgen of niet gemakkelijk waargenomen kan worden. De eerste theologen spraken bijvoorbeeld over ‘het occulte oordeel van God,’ terwijl de ‘occulte filosoof’ een betiteling was van de wetenschapper uit de periode van vóór de renaissance die zocht naar de ongeziene oorzaken die de fenomenen van de natuur sturen. In de astronomie wordt het woord in het Engels nog steeds gebruikt wanneer een ster een andere ster ‘occultates’ (verduistert) door er voor langs te passeren en het tijdelijk uit ons zicht weg te nemen. Honderd jaar geleden, toen het woord nog niet de gemengde gevoelswaarde had die het tegenwoordig heeft gekregen, omschreef H.P. Blavatsky occultisme als ‘simpel en zuiver altruïsme’ — de goddelijke wijsheid of verborgen theosofie binnen alle godsdiensten.

Als de studie of wetenschap van dingen die verborgen en geheim zijn, is het occultisme een algemene term omdat wat in één eeuw verborgen of geheim is in een volgende eeuw gemakkelijk min of meer openlijk bekend kan zijn en door het publiek in alle vrijheid onderzocht kan worden. Veel onderwerpen die in het middeleeuwse Europa duidelijk geheim en daarom occult waren, zijn tegenwoordig het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek; en dat wat nu als occult wordt gezien zal bij een zich verder ontwikkelende wetenschap en uitgebreider onderzoek, als kennis naar buiten komen en in de volgende eeuw algemeen bekend zijn. Het occultisme zal dan simpelweg zijn onderzoeksterrein hebben verschoven en zaken bestuderen die nog veel geheimer zijn, nog moeilijker te doorgronden, nog verder verborgen op zijn terrein van de natuur waar wij nauwelijks een vermoeden van hebben.

Theosofie of de wijsheidsreligie is de studie van de oude wijsheid van de goden en omvat in elke eeuw dat bijzondere deel aan kennis dat aan hen is gegeven die het bestuderen. Terwijl het occultisme in elk tijdsgewricht dat deel van de oude wijsheid is dat gaat over zaken die op zo’n moment geheim zijn, verborgen en onbekend aan de massa. Dus het occultisme is dat deel van de theosofie dat nog niet openlijk en publiekelijk is verspreid. Het occultisme is gebaseerd op het beginsel dat de godheid is verborgen in ieder levend wezen — transcendent en toch innerlijk aanwezig. Als een geestelijke discipline staat het occultisme voor afstand doen van zelfzucht. Het is het ‘stille smalle pad’ dat leidt naar wijsheid, naar het juiste onderscheid tussen goed en kwaad en de uitoefening van altruïsme.

Oceanus

(Grieks) Okeanos

Waarschijnlijk ‘snelstromend’. Volgens Hesiodus was hij één van de titanen, zoon van Ouranos en Gaia (hemel en aarde) die door zijn huwelijk met de titaan Tethys de vader van alle rivieren en wateren werd. In de oude exoterische geografie was hij zelf een machtige rivier die de veronderstelde platte schijf van de aarde omringde. Het idee van een enorm reservoir van stilstaand water is pas later ontwikkeld en was dat oorspronkelijk niet.

Het oorspronkelijke idee van Oceanus vormt een parallel met dat van de hindoe Purāṇa’s met betrekking tot de verschillende oceanen en eilanden die de aarde omringen. Oceanus was in oorsprong de oceaan van de ruimte, die de Hebreeën de ‘wateren van de ruimte’ noemden, die alle hemellichamen omspoelt. De verwijzing geldt ook voor de onzichtbare rijken en sferen die in de mystieke gedachte vaak thuishoorde bij het idee van een omringend maar ook een allesdoordringend stelsel van fluïdische sferen of werelden, de ware betekenis van oceanen en eilanden van de Purāṇa’s.

Volgens de oude Griekse mythologie zouden de doden op de oevers van Oceanus verblijven, wat duidelijk maakt dat de verwijzing niet op een fysieke wereld duidt maar op een geheime lering die zowel met de bovenwereld als met de onderwereld heeft te maken, met de onzichtbare sferen, gebieden en rijken van het heelal.

Ochtendschemering

Vaak wijst het op het begin van een nieuwe (grote of kleine) cyclus.

Venus-Lucifer wordt de lichtgevende zoon van de ochtend of van de manvantarische schemering genoemd en de bouwers zijn de lichtgevende zonen van die manvantarische schemering. In de Griekse mythologie heeft Apollo (de zon) twee dochters, Hilaira en Phoebe (avond- en ochtendschemering). Eōs is de ochtendschemering, net zoals Aurora dat is in het Latijn. In de mythologie van de hindoes is Ushas (ochtendschemering) de vrouw van Surya (de zon), maar zij is ook zijn moeder. In het Vishṇu-Purāṇa neemt Brahmā om de wereld te kunnen vormen, vier lichamen aan — ochtendschemering, dag, avondschemering en nacht. De mens zou zijn voortgekomen uit het lichaam van de ochtendschemering, want ochtendschemering duidt op licht, het begripsvermogen of intellect van het heelal dat vaak mahat wordt genoemd, onze oorspronkelijke voorouder en tegelijkertijd onze werkelijke kosmische bestemming, met andere woorden de hiërarchie van licht waarvan de menselijke hiërarchie slechts een klein fragment is.

Zie ook Sandhi

Odische kracht

Ook Od en Odylisch [od mogelijk van Hebreeuws ’ud omgeven, omhuld als door een nevel, emanatie of wolk]

De naam die Baron Karl von Reichenbach,Baron Karl von Reichenbach Duits industrialist en chemicus, in 1845 aan een kosmische kracht of fluïde gaf, die hij dacht te hebben ontdekt. Zijn uitgebreide experimentele onderzoek naar de lichtgevende straling van het menselijk lichaam, van magneten, planten en mineralen, kreeg veel belangstelling van bestudeerders van het dierlijke magnetisme. Maar zijn resultaten hingen af van de ervaringen van sensitieven, vaak invaliden en mensen met een aanleg voor slaapwandelen en, zoals gebruikelijk onder zulke omstandigheden, werden de resultaten niet goed afgestemd op de resultaten van anderen.

Dit soort fenomenen zijn niet objectief waarneembaar omdat ze afhankelijk zijn van de ziener. Daarnaast werd er te veel generaliseerd op een te smalle basis. Hij was onbewust aan het werk met gevolgen die zich voor een groot deel afspeelden op het astrale gebied en ondanks de misleidende aard ervan, ontdekte hij toch een paar feiten die in verband kunnen worden gebracht met wat theosofen prana en het astrale licht noemen. Maar het ontbrak hem aan kracht en kennis om ze te coördineren waarmee zijn onderzoek enig praktisch nut op had kunnen leveren.

Od werd ook door Éliphas Lévi gebruikt in combinatie met het Hebreeuwse ob (’ob) en aour (’or) voor bepaalde aspecten van het astrale licht. Ob is een bekend woord voor toverij en dodenbezwering of zwarte magie, maar soms wordt het ook gebruikt voor een astrale schaduw of een spook. Maar aour betekent juist het tegenovergestelde, dat woord staat voor licht, schittering en dus openbaring en het licht van inwijding.

Odacon

(Babylonisch)

De vijfde Annedotus (Dagon of Oannes), een man-vis die verscheen uit de diepten van de oceaan om de mens te onderwijzen. In de Babylonische beschrijving van de leraren van de vroege mensheid duidt hun visachtige vorm op een oorsprong in de wateren van de ruimte — geestelijke wezens die de menselijke vorm aannemen en verschijnen uit de diepten van de kosmische ether.

Zie ook Oannes

Odin

(IJslands, Scandinavisch) [van Wodan, wat van odr ‘kosmisch denkvermogen’ afstamt; vgl. Grieks nous, Sanskriet mahat]

Als een god was hij de voornaamste Aesir van de Noorse mythologie, als een mens is hij de stichter van de oude Noorse godsdienst. Odin is het Grote Offer van ons wereldstelsel, die gedurende zijn bestaan hing of was opgehangen aan de Levensboom en naar runen van wijsheid in de stoffelijke werelden zocht, ‘riep ze op met een lied’ en aan het einde van de tijd vielen zij nogmaals van de boom. Men zegt dat hij één oog als onderpand had gegeven aan de materie-reus Mimer voor het voorrecht om van zijn bron van wijsheid gebruik te mogen maken: ervaring in het leven van de materie. En daardoor ontving de stof een deel van de goddelijke visie tijdens de belichaming van de god.(*)

Als scheppende geest zorgde Odin met zijn broeder-scheppers, Vili en Vi (wilskracht en ontzag) voor het tot manifestatie komen van de werelden. Bij de schepping van de mensheid neemt Odin nogmaals deel met twee scheppende energieën op een lager niveau, Höner en Lodur (water en vuur). Odin schenkt aan de ontluikende mensheid de adem van de geest, Höner denkvermogen en Lodur vitaliteit.

In de mythen rijdt Odin op het strijdros Sleipnir met zijn acht benen, draagt een blauwe bontmantel en is de eigenaar van een geweldige ring, Draupnir, waarvan er elke negende nacht telkens weer acht uitdruppelen, wat een symbool is van de voortbrengende cyclussen van elke soort. Zijn speer draagt de naam Gungnir (slingering), misschien een verwijzing naar de pendel die slingert tussen leven en dood, wat de eeu­wi­ge aard van de natuur is. Odin heeft twee wolfshonden (de dierlijke natuur): Gere (gretig) en Freke (inhalig), hij voedt ze maar leeft zelf uitsluitend van wijn of mede (wijsheid). Zijn twee raven, Hugin (denkvermogen) en Munin (geheugen) vliegen dagelijks over het slagveld Vigridsslätten (vlakte van toewijding, de aarde) en doen ’s nachts verslag aan de Alvader.

De zaal van Odin heet walhalla (zaal van de gekozenen), waar zijn helden worden afgeleverd door de Valkyren (de kroners van de gekozenen) om te feesten met Yggjung (de altijd-jeugdigen, Odin).

Als een planetaire god wordt Odin verbonden met Mercurius en zijn dag is woensdag (Wodans-dag). Hij heeft vele namen die passen bij de verschillende rollen die hij speelt. Aan het begin van een levenscyclus wordt hij Ofner (opener) genoemd, terwijl hij aan het einde Svafner (afsluiter) heet. Blavatsky verwijst naar de menselijke Odin en zegt dat hij ...

een van deze vijfendertig Boeddha’s is; en wel een van de eersten, want het continent waartoe hij en zijn ras behoorden, is ook een van de eerste. (SD 2:423)

*OV: Zie de overeenkomst met Vidyadhara, omdat deze vidyadhara’s in hiërarchische gebieden net onder de goden verblijven kunnen zij over een deel van de goddelijke kennis beschikken.(terug naar de tekst)

Odische koord

Het is een elastische draad van astraal-vitale materie waarmee het astrale lichaam, modellichaam of liṅgaśarīra is verbonden met het fysieke lichaam. Hierdoor kan het astrale lichaam zich tot op een bepaalde afstand losmaken van het fysieke lichaam, wat wel gebeurt tijdens de slaap en in een trance-toestand, zonder dat de eigenlijke verbinding wordt verbroken. Maar wanneer de draad breekt betekent dat meteen de dood. Deze draad wordt magnetisch en odisch genoemd, woorden die zijn geleend — bij gebrek aan een betere benaming — van de bespiegelingen van Reichenbach en de aanhangers van het dierlijke magnetisme.

Zie ook De Milt

Odr

(IJslands) Denkvermogen, scherpzinnigheid, ziel, verstand.

In de Noorse mythologie is het het kosmische denkvermogen, wat overeenkomt met het Sanskrietwoord mahat. De naam wordt van Odin afgeleid in zijn rol van Alvader. In één legende die doet denken aan het Egyptische verhaal van Isis, is Odr de echtgenoot van Frigga, die gouden tranen huilt als ze in de werelden naar hem zoekt. Hier kan hij een symbool zijn voor één van de goddelijke voorouders van de mensheid en zijn lange reizen zijn de omzwervingen van de monade, het geestelijke aspect van Odr, door de werelden van vorm en materie.

Odr wordt gebruikt in de zang- en dichtkunst in veel samengestelde woorden zoals odar-smidr (liederen-smid), odar-ar (roeispaan voor de spraak, de tong), odraerir (inspireerder van wijsheid of het vaartuig dat het bloed van Kvasir bevat: inspiratie die naar de goden wordt gebracht door nog hogere goden).

Oeaohoo

Ook Oeaihu en Oeaihwu.

Een erg oude sacrale en mystieke naam die voorkomt in de Stanza’s van Dzyan. Deze zeven letters respresenteren zeven klinkers voor en naar gelang de methode van uitspreken en levert een naam op van ...

... één, drie of zelfs zeven lettergrepen door achter de laatste ‘o’ een e toe te voegen. (SD 1:68)

De uitspraak lijkt enigszins op de Chinese klanken (kungs) en wordt op dezelfde manier gespeld, maar afhankelijk van de toonwaarde of waar de klemtoon wordt gelegd, verandert de betekenis.

Dit woord is één manier om het kosmische leven tot uitdrukking te brengen in al zijn zeven, tien of twaalfvoudige afdelingen, elke letter van de zeven verwijst naar één van de kosmische beginselen of elementen. Hun vereniging in één enkel woord zorgt voor aandacht voor de kosmische eenheid. Het is een vertegenwoordiging van de zes gemanifesteerde elementen en het ene ongemanifesteerde, wat aldus de mystieke zeven beginselelementen vormt van ons thuis-heelal. Oeaohoo de Jongere is de weerspiegeling of weerkaatsing op een lager gebied van de universele eenheid en daarom is Oeaohoo de Jongere, strikt genomen, de Logos als die gezien wordt als een triade en die dus werkelijk de Eerste of ongemanifesteerde, de Tweede of deels gemanifesteerde en de scheppende, gemanifesteerde of derde logos omvat.

Overeenkomend met Kwan-shai-yin bevat Oeaohoo ...

de zeven scheppende menigten (de sefiroth) en is dus de essentie van de gemanifesteerde wijsheid. (SD 1:72)

In de menselijke constitutie is Oeaohoo de Jongere de hogere triade van atma-buddhi-manas, waarbij met nadruk wordt gewezen op het atman als het overheersende leven in deze hogere triade. Op dezelfde manier geldt dat voor de kosmos of het heelal. De betekenis van één van zijn transformaties is het Oi-ha-hou.

De letterlijke betekenis van het woord (Oi-ha-hou) is bij de oosterse occultisten van het noorden een ronddraaiende wind, een wervelwind, maar in dit geval is het een term die de onophoudelijke en eeu­wi­ge kosmische beweging betekent, of liever de kracht die deze doet bewegen en die stilzwijgend als de godheid wordt aanvaard, maar nooit wordt genoemd. Het is het eeu­wi­ge karana, de altijd werkzame oorzaak. (SD 1:93n)

De gnostici gebruikten de zeven klinkers van het Griekse alfabet aehioy-o op hun sieraden en in de Pistis Sophia zegt de rabbi Jezus tegen zijn discipelen:

Niets is dus hoger dan de mysteriën die u zoekt, behalve het mysterie van de zeven klinkers en hun negenenveertig krachten en de getallen daarvan, en geen naam is schitterender dan al deze klinkers’. (SD 2:564)

Blavatsky geeft verschillende varianten van de spelling van dit woord en de moderne spelling is van minder belang, wat wel belangrijk is, is de mystieke of metafysische filosofische betekenis achter het woord te ontdekken.

Oedipus

(Grieks) Oidipous

‘Met gezwollen voeten.’ Held van Thebe, zoon van Laius, kreeg zijn naam van een herder die hem met zijn gezwollen voeten vond. De voeten waren gezwollen door de gaten die erin waren geboord, omdat zijn vader wilde voorkomen dat hij weg kon lopen, had hij er een touw doorheen gehaald en zo de voeten bij elkaar gebonden. Zijn vader had hem meegegeven aan een bediende om op de bergen aan de elementen overgelaten te worden, omdat was voorspeld dat hij zijn vader zou doden en zijn moeder zou trouwen — wat ook gebeurde. In veel kosmogonieën zijn er personen die hun vaders ombrengen of die worden beschreven als echtgenoot en zoon van dezelfde godin. Deze symboliek die in het geval van Oedipus letterlijk wordt uitgelegd, heeft gezorgd voor een fijn staaltje horror voor de liefhebbers van drama. Oedipus is ook beroemd omdat hij het raadsel van de sfinx van Thebe had opgelost.

De romantiek en tragedie van Oedipus vormden het thema van drie spelen van Sophocles en van Aeschylus. De essentiële betekenis van het verhaal ligt in de onvermijdelijke gevolgen die moeten komen nadat karmische oorzaken zijn gelegd, waar geen ontsnappen aan is als deze oorzaken eenmaal door de mens in gang zijn gezet.

Oermens

In de antropologie gaat het om de mens waar de wetenschap nog steeds naar zoekt en die de naam homo primigenius heeft gekregen. In De geheime leer wordt er naar verwezen als de astrale en etherische* mens van de derde ronde, en ook naar het laatste deel van het derde wortelras van deze vierde ronde.

Deze oermensen werden gevormd door de uitgestoten chhaya’s (astrale schaduwen) van de zeer etherische lichamen van de dhyani-chohanische voorouders. Die oermensen hadden alleen de gedaante van een mens, de vorm, zij zouden nog vele millennia zonder ‘denkvermogen’ moeten blijven. Tussen zijn enorme reusachtige etherische en nog niet zo vaste lichaam en de geestelijk/intellectuele innerlijke vonk bestond nog geen actieve schakel, er was nog geen actief middelste beginsel.

*OV: Wat meteen verklaart waarom daar geen overblijfselen van kunnen worden gevonden.

Oerstof

De negatieve pool van die kosmische dualiteit waarvan de geest de positieve pool is: homogeen, ongedifferentieerde substantie, het noumenon van alle bekende stof, dat pradhana, mulaprakriti, ākāśa en de Logos is genoemd.

... oerstof – dat wil zeggen stof zoals zij zelfs in haar eerste differentiatie uit haar layatoestand (voorbij de nullijn van werkzaamheid) verscheen — nog steeds homogeen is, op onmetelijke afstanden, in de diepten van de oneindigheid en eveneens op punten die zich niet ver van de buitengebieden van ons zonnestelsel bevinden. (SD 1:589)

We zullen moeten proberen ons los te maken van ideeën die we hebben opgedaan uit ervaringen met de fysieke stof — zelfs elektromagnetische golven gaan verder dan onze normale waarnemingen.

Die stof, die werkelijk homogeen is, valt buiten de menselijke waarneming, indien de waarneming wordt beperkt tot de vijf zintuigen. We voelen de werking ervan door middel van die intelligenties, die het gevolg zijn van haar eerste differentiatie en die we Dhyāni-Chohans noemen. (SD 1:601)

Oorspronkelijke of oerstof is één van de eerste geestelijke fundamenten, eeuwig naast elkaar bestaand in ruimte, duur en absolute beweging.

Zie ook Chaos; Svabhavat

Offeren

Het uitvoeren van heilige rituelen, maar dan beperkt tot aan­roepings­cere­monieën, het ter communie gaan of als verzoening tussen mensen en goden.

Onderzoekers die deze universele rituelen bestuderen hebben er zichtbaar moeite mee hoe zij deze onder een noemer kunnen brengen en ze als één groep classificeren, welke wordt erin opgenomen en welke niet? Offers kunnen eruit zien als een maaltijd die aan de goden wordt aangeboden of met hen wordt gedeeld, een offergave van de eerste opbrengst van de oogst of de eerstgeborene van een kudde, of een poging tot verzoening of een vorm van boetedoening. De Romeinen bestemden een deel van hun voedsel of een plengoffer aan de lares of aan andere goden, de Hebreeën schonken het eerste deel van de oogst of de jaarlingen van de kudde. Het woord betekent ook toegewijd handelen voor een goede zaak.

Het christendom erfde niet alleen veel joodse ideeën rond offeren en pastte die aan zijn eigen inzichten aan, maar nam daarnaast ook nog een groot aantal zogenaamde heidense ideeën over. Maar het woord beperkte zich tot het offer van Christus voor de zonden van de wereld en het offer van de persoonlijke verlangens van de mens in opdracht van zijn God. De ware oorsprong van de christelijke boetedoening ligt in de Griekse Mysteriën, wanneer de hiërofant zijn zuivere en zondeloze leven voor zijn volk aan de goden ging offeren en daarmee hoopte zich weer bij die goden te kunnen voegen.

De hiërofant had de keus om óf zijn zuivere en zondeloze leven aan te bieden als een offer van zijn volk aan de goden, met wie hij hoopte zich te verenigen, óf een dierenoffer. Dit hing geheel af van zijn eigen wil. Op het laatste ogenblik van de plechtige ‘nieuwe geboorte’ deelde de inwijder de ingewijde ‘het woord’ mee, en onmiddellijk daarna werd laatstgenoemde een wapen in de rechterhand gegeven, en werd hem bevolen toe te stoten*. Dit is de ware oorsprong van het christelijke dogma van de vergeving van zonden.(IU 2:42)

In een algemene theosofische betekenis staat het offeren voor het opgeven van wereldse belangen voor een hoger ideaal.

*In Isis Ontsluierd volgt hierop een interessante voetnoot maar met een ongekend lange lengte, te lang om hier aan te halen.

Offerbrood

Het brood dat door de joden in de verre oudheid tijdens elke Sabbat voor Jehovah in het heiligdom op de tafel van shittim-hout werd gelegd. Deze tafel was noordelijk van het altaar met wierook geplaatst. Zoals door Mozes was bevolen was het brood gemaakt van fijne bloem en als twaalf koeken gebakken :

Twee en tien zullen in één koek zijn. En u zult ze opstellen in twee rijen, zes in één rij, op de zuivere tafel voor de Heer. En op elke rij zult gij zuivere wierook branden. (Lev 24:4-8)

Het brood bleef de gehele week op de gouden tafel liggen en werd dan naar het heiligdom gebracht en daar door de priesters gegeten.

Philo Judaeus verklaart dat Mozes het uitgestalde brood als twaalf koeken had ingesteld als een symbool voor de twaalf stammen van Israël en dat hij het volk verdeelde in twaalf stammen overeenkomstig de twaalf tekens van de dierenriem.

Og

(Hebreeuws) ‘Ōg

Een koning van Bashan, die volgens de Bijbel reusachtig groot moet zijn geweest en daarom een overlevende was van de reuzen (Deut 3:11).

Ogham

Een geheimschrift.

Het werd gebruikt voor bepaalde oude Keltische inscripties, vooral in Bretagne en Ierland. Elk karakter bestaat uit één tot vijf parallelle lijnen, waar boven, onder en door de lijnen heen wordt geschreven, ofwel loodrecht of scheef. Het was onder de druïden van het continent en de Britse eilanden één van de communicatiemiddelen.

Ogmius

Onder de druïden was hij de god van wijsheid en welsprekendheid, dus in zekere zin Hermes. (TG 239)

Ogygië

Het eiland van de nimf Calypso dat ver westelijk van Griekenland lag. Het was het eiland waarop Odysseus schipbreuk had geleden. Ondanks haar belofte dat hij onsterfelijk zou kunnen worden als hij zou blijven, wenste Odysseus te vertrekken en de goden dwingen haar dan hem na zeven jaar te laten gaan.

Ogyges is ook een van de eerste koningen in de legenden van Boeotië en Attica, een zoon van Poseidon, die met een grote vloed te maken kreeg. Dit verwijst naar de overlevering van het verzinken van een van de laatste overgebleven eilanden van Atlantis en de eerdere migraties van enkele van zijn bewoners naar Griekenland.

Ogygië was één van de laatste eilanden van het enorme Atlantische continentale stelsel en het kan heel goed slechts een andere naam zijn geweest voor het Poseidonis van Plato. Aangezien Egypte oorspronkelijk werd gekoloniseerd door emigranten van Poseidonis ofwel Ogygië, wat trouwens ook de oorspronkelijke naam van Egypte was.

Oitzoe

(Perzisch) Ook Atizoe

Gebruikt door Blavatsky in verband met de ‘stenen van het lot’ en de ‘bewegende stenen’ (SD 2:346), wanneer zij verwijst naar Plinius die zei dat ...

in India ... en Perzië er een steen is die atizoe wordt genoemd ... die de magiërs nodig hebben voor de wijding van een koning. (Natural History 27:54)

Ojas

(Sanskriet) Ojas

Lichaamskracht, energie, vaardigheid, kracht. Ook het beginsel van levenskracht van het lichaam, dat zowel warmte als activiteit levert en daarom ook staat voor potentie of voortbrengende kracht.

Okhal

(Van de druzen) [van Arabisch akl begripsvermogen, wijsheid]

De hiërofant en hoogste inwijder van de Syrische broederschap van druzen of discipelen van Hamsa.

Okhema

(Grieks) ochema [van echeo dragen]

Een voertuig, zowel een wagen als het figuurlijk gebruikte beeld van een drager of voertuig van wat dan ook. Euripides noemde Zeus de okhema van de aarde.

Zie ook Vahana

‘Olam

(Hebreeuws) ‘Ōlām, ook oulom [van ‘ālam verbergen, verstoppen]

Lange duur, lang over tijd, grote ouderdom, vandaar dat het vaak is gebruikt voor de toekomst maar ook voor de wereld. Het is een parallel van de gnostische aeon die op een bepaalde periode duidt, iets geheims en esoterisch, en de wereld die in diezelfde periode bestaat. Vertoont ook overeenkomsten met het Sanskrietwoord kala. Soms is het verkeerd vertaald als ‘eeuwigheid’. Vaak gebruikt als meervoud ‘olamin.

In de Kabbalah verwijst ‘olam echter vooral naar een sfeer of wereld waarvan er vier zijn, die tot ontstaan komen gedurende de manifestatie van een kosmos. Zij zijn: ‘olam ’atstsiloth (de sfeer van condensatie); ‘olam had-Beri’ah (de sfeer van schepping); ‘olam hay-Yetsirah (de sfeer van vorming); en ‘olam ha-‘asiyyah of qelippoth (de sfeer van activiteit of van schillen).

Elke ‘olam is de emanatie of voortzetting van zijn hogere ‘olam, zodat elk als een pendule is verbonden met zijn hogere versie en een schakel vormt in een keten vanuit ’eyn soph. Deze vier werelden of sferen vormen samen een eenheid of macrokosmos, die ’Adam ‘Illa’ah (de grote man) wordt genoemd.

Wanneer we de mens beschouwen als een microkosmos is elke ‘olam op dezelfde wijze gevormd als de vier beginselen waarin de mens volgens de Kabbalah was verdeeld, elk heeft zijn plaats als volgt: het hoofd ’atstsiloth — neshamah; in de borst of borstkas: beri’ah — ruach; in de buik: yetsirah — nephesh; en het fysieke lichaam: ‘asiyyah of qelippoth — guph.

Zie ook Ulom

Olympus

(Grieks)

De berg waarop de voornaamste goden van de Griekse mythologie van Homerus en Hesiodus leefden. Zulke hemelse verblijfplaatsen worden bijna altijd met bergen in verband gebracht, zoals de berg Meru van de hindoes, de Griekse Atlas en de Hebreeuwse Sinaï. In dit geval was de naam gegeven aan de top van een bergketen die Macedonië scheidt van Thessalië, maar er waren nog meer bergen die Olympus werden genoemd. Latere filosofen, misschien de meer mystiek geneigden, zagen de Olympus — de verblijfplaats van de goden — simpelweg als het zenit. Er waren dus vele Olympussen en de verwijzingen in het verhaal wezen soms naar de hogere bollen van de aardketen en in een bepaald kosmisch opzicht naar de hogere gebieden van het zonnestelsel. Ooit stonden de Griekse legende, de goden en hun verblijfplaats bekend om een zekere wellustigheid, vergelijkbaar met het Hebreeuwse Eden (wat zaligheid betekent), de hemel van Indra of de wereld van de Arabische houri’s. Maar toen had het verval zich al ingezet en het volk was de betekenis van de goden vergeten en had de sleutel verloren die het hen mogelijk zou hebben gemaakt de mythen en allegorieën die hun mythologische godsdiensten hebben helpen vormen, te begrijpen.

Hoewel de goden volgens de Griekse mythologie op de Olympus zouden verblijven hebben drie voorname Olympiërs — Zeus, Poseidon en Hades (of Pluto) — hun woningen in wat de hemel genoemd zou kunnen worden of de meest innerlijke wereld van de geest, de kosmische ruimten of de wateren van de ruimte en de onderwereld van het heelal. En toch hadden deze drie goden vanwege hun allesdoordringende kosmische krachten of energieën, en strikt volgens de wet van het analoge denken dezelfde functies, en namen dezelfde betrekkelijke plaatsen in in de lagere vormen van hun respectievelijke manifestaties: als Zeus in de atmosfeer, Poseidon in de oceanen en Hades of Pluto in de onderwereld van onze aarde. Daarnaast kunnen de twaalf grote goden van de Middellandse Zee-beschaving worden beschouwd als de twaalf belangrijkste kosmische en intelligente krachten van wie de allesdoordringende aard en werkzaamheid net zo duidelijk aanwezig is in het heelal zelf, als in elk atoom of kleiner deeltje daarvan.

In de mystieke taal van de oudheid was een heilige berg een universeel symbool voor een school van esoterisch onderricht. Net zoals een berg op aarde zijn top verheft naar de vrije hemel en daarom mystiek gezien naar de geest en de goden, zo was het ook in de esoterische scholen waar de neofieten of inwijdingskandidaten door oefening en inwijding zich verhieven tot de geest, zowel kosmisch als innerlijk en dus op dezelfde wijze tot de goden.

Zie ook Parnassus

Om

(Sanskriet) Om

Om is een zeer heilige lettergreep van de brahmaanse literatuur, een aanroep, die zo wordt omschreven:

Om is de boog, het Zelf is de pijl, Brahman wordt zijn doel genoemd. (Mandukya Upanishad 2:2)

Dit woord wordt aan het begin van geschriften geplaatst die buitengewoon heilig zouden zijn.

Er wordt geleerd dat als men dit woord met gesloten mond uitspreekt, waarbij zowel de O als de M lang worden aangehouden, dit in de schedel weerklinkt en trillingen teweeg­brengt, en dat het, als de aspiraties zuiver zijn, de verschillende zenuwcentra van het lichaam gunstig beïnvloedt. (Beginselen 28)

De effectiviteit of geestelijke en magische eigenschappen die aan dit woord worden toegeschreven hangen echter allemaal af van de zuiverheid en toewijding van degene die ze uit.

Zie ook Aum

Om mani padme hum

(Sanskriet)

Oṃ maṇi padme hūṃ
Om! het juweel in de lotus, hum!

Een van de heiligste boeddhistische mantra’s of uitgesproken formules. Wordt erg vaak in Tibet en omringende landen gebruikt. Niet alleen zou die eerste lettergreep een geheime kracht bezitten die een duidelijk resultaat zou hebben, de aanroep in zijn geheel heeft verschillende betekenissen. Wanneer op de juiste manier uitgesproken of aangepast leidt het tot diverse resultaten die verschillen van de andere, overeenkomstig de intonatie en wilskracht die aan de formule en zijn lettergrepen wordt gegeven. Deze mystieke zin verwijst boven alles naar de onlosmakelijke band die tussen de mens en het heelal bestaat en draagt aldus de betekenis over van ‘Ik ben in u en u bent in mij.’ Ieder van ons heeft in hem of haarzelf het juweel in de lotus of het goddelijke zelf van binnen.

Wanneer het wordt begrepen in een kosmische context wijst het op het goddelijke kosmische zelf in ons en inspireert alle wezens binnen het bereik van die kosmische godheid.

Om vajrapani hum

(Sanskriet) Om vajrapāṇi hum [van Om de mystieke lettergreep die wordt geuit aan het begin van mantra’s + vajrapāṇi van vajra donderslag + pānīn houder + hum Ti­be­taanse mystieke lettergreep die gelijk is aan Om]

Om! de drager van de donderslag, hum!

Veel mantra’s die in India en Tibet worden gebruikt zijn geen volledige zinnen, zoals deze mantra die zijn potentie zou ontlenen aan zijn ritme maar ook aan de gebruikte toonhoogte. De titel ‘donderslagdrager’ moet zijn gegeven aan iemand die de donderslag van de geest hanteert — iemand die de goddelijke monade in zichzelf heeft wakkergeroepen. Vajrapani is onder de noordelijke boeddhisten een lid van een klasse van hemelse wezens en is ook een dhyani-bo­dhi­satt­va, de hiërarch van zijn klasse van wezens. Deze mantra wordt daarom gebruikt om door een verheffing in aspiratie op zijn minst in geestelijke vereniging te komen met deze klasse van hemelse entiteiten.

Omens

[van Latijn os mond, als de stem van een god]

Bij het voorspellen en waarzeggen wordt gebruik gemaakt van de wet van overeenkomsten en onderlinge wisselwerking van alle delen van de kosmos, wat betekent dat het mogelijk moet zijn het onzichtbare te interpreteren en de toekomst te voorspellen door het observeren van zichtbare tekens.

De juiste interpretatie van tekens vraagt echter kennis en vaardigheid en degene die die niet bezit moet voorbereid zijn op de confrontatie met een behoorlijk portie zelfmisleiding en kwakzalverij. Net zoals in de astrologie kan een onjuist of ongepast bemoeien met bepaalde invloeden iemand juist tot slachtoffer maken [in plaats van dat het hem helpt], het is daarom van belang een goed onderscheid te maken tussen wat kán gebeuren en wat móet gebeuren.

Er bestond in de oudheid een vrij precieze, en wanneer het juist werd beoefend, erg nauwkeurige wetenschap van voorspellen, gebaseerd op omens of tekenen. Ervan uitgaande dat de kosmos een organisme is, een organisch geheel — waarbij elk deel nauw is verbonden met elk ander deel, zodat het kleinste atoom een ster kan beroeren, net zo goed als een ster het kleinste atoom kan beroeren — is het niet meer dan logisch dat wat er ook gebeurt, dat dat gebeurt omdat het deel uitmaakt van een keten van gevolgen, zodat als iemand genoeg zou weten en wijs genoeg zou zijn om datgene wat iemand aan informatie heeft verzameld juist te interpreteren, het een vrij eenvoudige zaak zou moeten zijn om uit het onzichtbare af te leiden van wat er in het zichtbare verschijnt en zo ook de toekomst te voorspellen.

Omhulsel

Vertaling van het Sanskrietwoord kośa in het rijtje van menselijke beginselen volgens de Vedānta, of de vijf omhulsels van atman. Na atman (het wezenlijke zelf) komt anandamaya-kośa wat overeenkomt met buddhi; vijnanamaya-kośa (buddhi-manas); manomaya-kośa (kama-manas); pranamaya-kośa (prana en liṅgaśarīra) en annamaya-kośa (sthūla-śarīra). Dit stelsel brengt het idee tot uitdrukking dat een mens niet een snoer of groep van gescheiden beginselen is maar één zelf, dat zich manifesteert in en door een reeks van sluiers of voertuigen.

Zie ook Kośa

Omkara

(Sanskriet) Oṃkāra

De heilige en mystieke lettergreep Aum of Om. Ook een van de twaalf liṅga’s, de twaalf machten van de scheppende of voortbrengende logoi van het zonnestelsel.

Omoroka

(Grieks) [van Chaldeeuws, vgl. Hebreeuws ‘amaq diep zijn, grondig; in Hebreeuws ‘amar opeenhopen, overweldigen, bedelven; in Arabisch ‘amar met water overgieten]

De diepte, de oceaan, fysiek of mystiek. Gebruikt in het Babylonische verhaal van de schepping. Eén legende noemt Belus die Omoroka in tweeën snijdt. Van één deel werden de hemelen gevormd en van de andere de aarde — wat duidelijk maakt dat Omoroka de ruimte voor moet stellen.

In de Chaldeeuwse mythologie was Omoroka een vrouw die de ruimtelijke diepte verpersoonlijkte en daarom het goddelijke water of de vormende logos van alle manifestatie is. Omoroka raakte ook verbonden met de maan, die ook Selena is en vaak de betekenis had van gemanifesteerde wijsheid of geest.

In De geheime leer heerst Omoroka (de maan) over de monsterlijke schepping van niet met name genoemde wezens die worden verslagen door de dhyānī’s. En terwijl de goden werden voortgebracht in svabhavat (moeder-ruimte) ontstond op aarde uit de weerkaatsing van wijsheid Omoroka — de Chaldeeuwse Thalatth, de Griekse Thalassa.

Omzwervingen van de monade

Voornamelijk gebruikt bij het beschrijven van de toestanden en omstandigheden van de spirituele monade na de dood, met daarbij zijn bewegingen in en door het zonnestelsel wanneer dat wordt geleid door bepaalde overheersende geestelijk-psychologische factoren, zowel in de monade zelf als in het zonnestelsel.

Zie ook Binnenronden; Buitenronden

Onbepaalbaarheid

Gebruikt in de wetenschap met de strekking dat het onderzoek van fenomenen binnen de kwantummechanica zijn grenzen van het menselijke vermogen om het gedrag van een deeltje te bepalen (voorlopig) heeft bereikt.

Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg verklaart dat het onmogelijk is om de snelheid van een deeltje nauwkeurig te bepalen zonder bij deze observatie een bepaalde onzekerheid toe te laten voor wat betreft de invloed van de waarnemer zelf. De poging om fenomenen te zien als een keten van oorzaken en gevolgen moet vroeg of laat leiden tot een punt waar we niet langer het spoor naar de oorzaak kunnen volgen — niet omdat oorzaken verdwijnen, maar door de onvolmaaktheid van ons waarnemingsvermogen en van onze instrumenten, zodat de keten van oorzakelijkheid doorgaat tot we het spoor bijster zijn omdat we niet in staat zijn die te blijven volgen. Het een en ander leidt ertoe dat we niet in staat zijn het gedrag van een deeltje te voorspellen. Verder onderzoek kan ons in staat stellen de keten van oorzakelijkheid verder te volgen, maar het proces kan niet onbeperkt voortgaan zonder dat wij het fysieke gebied verlaten. De huidige standaard voor metingen die bij de kwantummechanica worden gebruikt voor de fenomenen binnen aardse grenzen zijn duidelijk niet adequaat voor de vaststelling van fenomenen buiten deze grenzen en zowel theorie als experiment laten zien dat deze standaard voor een groot deel denkbeeldig is en moet worden veranderd om aan nieuwe omstandigheden te kunnen beantwoorden.

Sommigen proberen op dit punt een beginsel van een wil in de natuur in te voeren, maar we zouden onszelf bedriegen als we aannemen dat dit beginsel van een wil elders afwezig zou zijn — een aanname die zuiver speculatief is en totaal uit de lucht gegrepen. Het kan niet zo zijn dat het heelal is verdeeld in een mechanisch deel en een deel met een wil, dat nogal arbitrair zou zijn gescheiden door een hypothetische grens die verandert naarmate ons onderzoek vordert. De mechanische interpretatie is daarom een middel dat is aangenomen om praktische redenen op natuurkundig gebied, dat ons in staat stelt resultaten te voorspellen binnen de grenzen zonder de validiteit van de aannames in twijfel te trekken. De wetenschap vindt dat één vorm van beweging consequent op een andere volgt, maar weet niets over de oorzaak van de beweging en woorden als kracht en massa zijn dan gewoon handige abstracties. Vandaar dat er geen reden is om een psychologisch element in de natuur te introduceren op een of ander punt, maar niet op een ander, want zulke afzonderlijke compartimenten bestaan er niet in de natuur.

Het onzekerheidsprincipe, zoals het in de wetenschap wordt gebruikt, is tegengesteld aan determinisme. Het zal duidelijk worden dat beide slechts standpunten of stellingnames zijn en geen feiten in de natuur.

Onbevlekte ontvangenis

Het dogma van de rooms-katholieke kerk dat zegt dat Maria, moeder van Jezus, onbevlekt was ontvangen, dat wil zeggen zonder oorspronkelijke zonde, in de christelijke betekenis van het woord. Het is een verkeerd begrepen oude mysterielering die in de oorspronkelijke kerk was opgenomen door een van de eerste kerkvaders die was ingewijd in de Mysteriescholen van die tijd. Het oorspronkelijke idee was dat het beginsel van de moeder in de eerste kosmische triade, of oertriade, of drie-eenheid van vader-moeder-zoon, onbevlekt zou zijn, zowel in oorsprong als in de vorm van een voortbrengende kracht en activiteit.

Uit deze werkelijk prachtige kosmische visie kwamen ideeën voort die van toepassing zouden zijn op het individu. Want de menselijke triade van atma-buddhi-manas is een weerkaatsing of straal van de kosmische triade. Wat voor het heelal de kosmische vader is, is voor de mens het atman van zijn triade, de kosmische moeder komt overeen met buddhi en de kosmische zoon met manas. En aangezien de menselijkheid van een individu sluimert in het manas, maar uiteindelijk geestelijk en onsterfelijk kan worden, of een christos, door zich omhoog te verbinden met de andere twee individuen van de triade, werd het dogma geleidelijk vermaterialiseerd en omlaag gehaald en kreeg de zonderlinge betekenis dat een kind was geboren uit een maagdelijke moeder, die op haar beurt ook maagdelijk zou zijn geboren, zonder zonde.

Zie ook Logos

Onbewustzijn

Hoewel het heelal een enorm groot geheel van bewuste wezens is — want alleen de oorsprong van alles is onbewust — wordt paramartha beschreven als een absoluut wezen en bewustzijn dat absoluut niet-zijn en zonder bewustzijn zou zijn vanuit een menselijk gezichtspunt. De theosofie verwerpt het idee dat er ook maar iets onbewust kan zijn in een absolute betekenis, behalve op het gebied van illusie. Het idee van de Vedānta dat achter alle manifestaties geen bewustzijn zit is opnieuw opgedoken in de Westerse filosofie, vooral in die van Eduard von Hartmann.

Onbewustzijn en bewustzijn worden in de theosofie rechtstreeks gebruikt voor het menselijke begripsvermogen, zodat wat we onbewustzijn noemen niet meer dan bewustzijn is op een enorm hoog gebied en met een zo groot bereik, dat het menselijke begripsvermogen dat niet kan bevatten, en wat wij bewustzijn noemen zou onbewust zijn voor minder ontwikkelde wezens omdat zij ons bewustzijn niet kunnen bevatten of begrijpen. We kunnen de geest zowel bewust als onbewust ervaren: actieve geest zouden we het bewustzijn van de geest noemen; maar die niet te bevatten uitgestrektheden van de geest die voorbij ons begripsvermogen liggen, zouden wij inactieve geest noemen, alleen maar omdat we die niet kunnen begrijpen en daarom zeggen wij dat die relatief niet-bestaand is, hoewel het eigenlijk de basis van al het zijnde is.

Het onbewust zijn wordt vaak gebruikt in een relatieve zin, zoals wanneer we bijvoorbeeld spreken over de bewust­zijns­toe­standen van de eerst twee en een halve wortelrassen wanneer wordt gezegd dat zij zich in een toestand van mentale apathie en zonder bewustzijn bevonden of wanneer we het hebben over de drie lagere elementale rijken in vergelijking met de hogere natuurrijken.

Daarnaast is dat wat wij zonder bewustzijn noemen niet anders dan een onvermogen om iets in een geheugen vast te leggen, zoals het geval is met een gemesmeriseerd individu wanneer die persoon wakker wordt geroepen, of een mens die ontwaakt uit de slaap.

Onderbewust

In De geheime leer is het gebruikt voor een graad van bewustzijn dat minder is ontwikkeld dan dat waarmee we vertrouwd zijn. Tegenwoordig beschrijven onderzoekende psychologen en psychoanalysten het onderbewustzijn als een vorm van mentale activiteit die nog niet bekend is gemaakt aan het gewone bewustzijn en niet gemakkelijk openstaat voor introspectie.

Ons eigen bewustzijn kennen wij door ervaring, dat van anderen leiden wij af op basis van analogie en door de resultaten ervan. Op dezelfde manier wordt ons gedrag voor een belangrijk deel beïnvloed door iets dat we moeten aannemen dat een bewuste intelligentie zou moeten zijn en toch is dat iets waar we ons niet van bewust zijn door feitelijke ervaring. We kunnen hier geen helder beeld van krijgen tot we het idee van bewustzijn vollediger hebben geanalyseerd, maar als het wordt gebruikt met de betekenis van ‘onder’ of ‘lager’ zou dat een erg ongelukkige keuze zijn omdat dat zou wijzen op een lager gebied en zich meer richt op de duistere gebieden van ons mentale leven. En dit is nu jammer genoeg juist het gebied dat door vooraanstaande moderne psychoanalysten wordt bedoeld en wordt bestudeerd.

Onderkernen

Deze ontstaan wanneer een cel met een kern zich deelt en de kern zich splitst in twee onderkernen ...

die zich òf binnen de oorspronkelijke celwand ontwikkelen, òf deze doorbreken en zich daarbuiten als onafhankelijke entiteiten vermenigvuldigen. (SD 2:166)

... wat vaak plaatsvond in het tijdperk van de eerste wortelrassen, en nog steeds bij bepaalde primitieve levensvormen.

Onderras

Gebruikt om een onderscheid te maken tussen de grote of wortelrassen en de kleinere rassen die vertakkingen van het moederras zijn (ML 83). In een planeetketen zijn er zeven ronden in een manvantara (periode van activiteit) en zeven wortelrassen in elke ronde. Bovendien zijn er zeven onderrassen in elk wortelras en zeven vertakkingen van dat onderras.

Door de op elkaar volgende onderverdelingen in zevenvoudige eenheden is het soms moeilijk vast te stellen welk onderras door een schrijver bedoeld kan zijn en dat vraagt een nauwgezette studie. De lengte van een onderras wordt geschat op ongeveer 210.000 jaar (SD 2:435) — en hier is geen duidelijke aanwijzing welk onderras is bedoeld, op dezelfde bladzijde wordt verwezen naar het Europese ras als een familieras van circa 30.000 jaar.

Wat betreft de positie van de mensheid met betrekking tot het vijfde wortelras zegt Blavatsky:

... we zijn halverwege ons onderras van het vijfde Wortelras — in elk onderras (is het) het toppunt van stoffelijkheid. (SD 1:610)

Dit wordt door De Purucker uitgelegd als ...

het midden van het vierde van elke cyclische reeks: bijvoorbeeld, het vierde primaire onderras; het vierde onderras van het vierde primaire onderras van het vijfde wortelras, enz.. (Beginselen 274)

We zijn nu dus bijna bij de middelste cyclus van het vijfde wortelras en zijn daarom in ons vierde primaire onderras, maar in een kleiner onder-onderras, dat het vijfde van zijn eigen cyclus is.

Oude mythologieën maakten vaak gebruik van een individu als vertegenwoordiger van een ras dat zijn of haar naam droeg, zo kennen we de legende van Latona en Niobe, waarvan de zonen en dochters worden gedood door Apollo [en Artemis]. Latona zou dan het Lemurische ras voorstellen, terwijl Niobe het Atlantische ras moet zijn, haar zeven zonen en zeven dochters verpersoonlijken de zeven onderrassen of vertakkingen van het vierde ras (SD 2:771).

Zie ook Wortelras

Ondersteuners

De cosmocratoren, rectores mundi, Zuilen van de Wereld, het beeld van de Scandinavische asen of de planeetgeesten van bepaalde christelijke mystici.

In het hindoeïsme zijn zij de beschermengoden van de acht kardinale punten en worden loka-pala’s genoemd. In de theosofie, voor zover het ons eigen solaire heelal betreft, behoren de ondersteunende geestelijke krachten bij het bouwwerk van het heelal en verwijst naar de bestuurders van de planeten. Net zoals een menselijke gemeenschap bestaat uit individuen, precies zo is een zonnestelsel opgebouwd door het hoofd van de zon en de planetaire individuen die niet alleen door hun leven en energieën en substanties het zonnestelsel vormen, maar het voortdurend voeden en het draaiende houden als een kosmisch individu gedurende zijn gehele levensduur.

Onderwereld

De klassieke mythologie verdeelde het heelal in hemel, aarde en onderwereld, en elk gebied zou dan worden bestuurd door een eigen bijzondere godheid.

De onderwereld was het lagere deel van de kosmische hiërarchie, groot of klein en dus het land van de schaduwen, wat een synoniem is voor Dis, Hades, Pluto, Orcus, Limbo, Tartarus, Amenti, Atala, She’ol, enz. De onderwereld kan voor mensen de lagere gebieden van het kamaloka zijn, het gebied van de schaduwen, de mystieke afgrond of de planeet van de dood — of, in een algemene zin, alle kosmische gebieden lager dan het gebied van de zon, wat het gebied is van onze aarde.

Het Oneindige

[van Latijn in niet + finitus geëindigd]

Dat wat zonder einde is of niet eindig is. Oude volkeren gaven vele verschillende uitdrukkingen aan het grenzeloze, aan dat wat zonder begin is en de eindeloze hiërarchische reusachtigheden, of het nu om ruimte, tijd, geest of stof gaat, zoals met ’eyn soph (zonder grens of einde) van de Kabbalah, het parabrahman (voorbij Brahman) van de hindoes, de leegte ofwel het sunyata van de boeddhisten, het ginnungagap (gapende leegte) van de Scandinaviërs, de diepte van de Bijbel of de wateren van de ruimte, enz. Veel filosofen van de oudheid vonden het zinloos om te speculeren over wat er ex hypothesi voorbij het begripsvermogen van het menselijke verstand ligt, wat toegegeven eindig in werking en bereik moet zijn. Want wat het menselijke denken ook kan vormen of zich kan inbeelden als een idee moet feitelijk eindig in zichzelf zijn, hoe groot of groots het ook is. Oneindigheid werd nooit gebruikt als een synoniem voor God of een goddelijk wezen, want hoe ontzettend groot ook in zijn onbegrijpelijke uitgestrektheid in zowel tijd als ruimte, het kan niettemin slechts eindig zijn want het menselijke verstand zelf had het menselijke denkvermogen geboren laten worden en het menselijke denkvermogen is eindig.

Ongeveer op dezelfde manier is het Absolute niet het oneindige of grenzeloze, maar moet een eindige oorsprong hebben, is gegroeid in omvang met een goddelijke grandeur. De ouden leerden dat het heelal was gevuld met goden en dat de heelallen in de ruimte net zo talrijk waren als zonder begin en tijd, als het getal zelf zonder begin is en zonder einde en daarom onvergelijkbaar.

Het grenzeloze kan niet in betrekking staan tot het begrensde en het voorwaardelijke. (SD 1:56)
Het onveranderlijke Oneindige en het absolute grenzeloze kan niet willen, denken of handelen. Om dit te doen moet het eindig worden en dat doet het doordat zijn straal het wereld-ei — de oneindige ruimte — binnendringt en daaruit tevoorschijn komt als een eindige God. (SD 1:354)

Ongeboren

De logos, vooral de eerste logos, die rechtstreeks uit de goddelijke monade straalt.

Ook kama, wat niet alleen staat voor het gewone ordinaire verlangen maar ook voor de kosmische liefde die wordt geboren uit het hart van Brahmā. In een andere betekenis is het Kṛishṇa die de logos vertegenwoordigt, of zijn straal belichaamt. Het Sanskrietwoord is aja, daarmee verbonden woorden zijn zelfgeboren en atman-bhu of atma-bhu.

Ongeconditioneerd

Zonder eigenschappen (guna’s).

Gebruikt voor de Ene Werkelijkheid van onze kosmos en voor het nog abstractere idee dat de Wortelloze Wortel of het Al wordt genoemd. In de filosofische categorieën kan de term ook van toepassing zijn voor de geest/substantie die zich uitbreidt in differentiaties van de kosmos die — of op zijn minst vergelijkbaar daarmee — zelf zonder eigenschappen is.