© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Sa

(Babylonisch)

God van wijsheid of van de kosmische diepte, gelijk aan Hea of Ea. Als de verst verwijderde of vrijwel ondoorgrondelijke godheid van de kosmische diepte die voor al zijn kosmische kinderen de bevatter is, kan Sa worden gezien als het synthetische hoogtepunt of de top van de zeven of twaalf grote goden — de kosmische hiërarch van zijn eigen sfeer.

Sabaans

(Hebreeuws) Ook Sabaërs, Sabaeeërs en Sabeanisme [van tsaba troepen, leger, hemelse schare of menigte]

De Semitische stammen noemden de mensen die de geestelijke wezens van het heelal vereerden sabaeeërs. En omdat de hemellichamen de overduidelijke verschijningen van enkele van deze geestelijke wezens zijn, werden de Semieten op het verkeerde been gezet en verkeerden zij onder de indruk dat de hemellichamen zelf, de woningen of huizen van de heersers boven, in en achter de zichtbare planeten, werden aanbeden. Vandaar dat de sabaeeërs sterrenvereerders of steraanbidders werden genoemd, maar het waren niet de stoffelijke lichamen van de planeten waar het hen om ging maar de geestelijke entiteiten, de machten of geesten die die planeten bezielden.

Het gaat hier om een van de alleroudste religies van de mensheid die in allerlei vormen over de aarde verspreid kan worden teruggevonden. In het begin waren de sabeanen ongetwijfeld bekend met de occulte leringen van de zeer oude Mysteriën.

Het woord sabeaan zelf is voornamelijk door Griekse en Latijnse schrijvers tot ons gekomen, maar de oude Hebreeën waren zo door en door van dit idee van hemelse legers of kosmische geesten vervuld dat de Bijbel nog steeds vol verwijzingen staat, waar de context zelf de hemelse legers heel onjuist voorziet van de eigenschappen van een allerhoogste God, en zo werd het ook door de christelijke theologen overgenomen die echter vergaten — of het filosofisch gezien niet konden bevatten — dat gemanifesteerde goden, hoe hoog ook, niet meer dan manifestaties van het oneindige en het on­uit­sprekelijke Mysterie of parabrahman zijn, waar al die hemelse legers of massa’s van wezens uit tevoorschijn stromen, of uit emaneren. Dus niet alleen het oude en moderne judaïsme, maar ook het christendom zelf loopt over van de gedachten van de oude sabaeeërs.

Het sabeanisme was zonder enige twijfel de belangrijkste religieuze overtuiging van de oude Chaldeeën en Assyriërs, maar was net zo goed het fundament van praktisch elke andere grote godsdienst, van alle grote volkeren uit het verleden. Op gezag van de joodse geleerde Maimonides beschouwen onderzoekers de sabeanen als een oud volk waarvan de belangrijkste godsdienst die van steraanbidding was en die waren aangesloten bij de Babyloniërs en Syriërs. De sabaeeërs vormden echter geen volk maar vormden kleine groepen individuen die een astrologische sterverering vanuit de grijze oudheid beoefenden en navolgden. Mohammed noemt in de Koran een groepering, ergens tussen de joden en christenen in, die sabi una werd genoemd — en aan wie bepaalde privileges waren gegund. Oudere islamitische theologen zijn het erover eens dat de sabeeërs geschriften in hun bezit hadden die zij als een openbaring zagen.

De mandeeërs werden in die tijd net zo beschermd als de sabaeeërs, waardoor de mandeeërs ook als sabaeeërs werden beschouwd. Een andere groep polytheïsten waren de harraniërs (830 n.Chr.), die zich ook hadden aangesloten bij de sabaeeërs en zichzelf beschermden met dezelfde privileges. Zij waren de laatsten van een mesopotamische groepering. Ook in hun stelsel was steraanbidding prominent aanwezig.

Bepaalde Arabische schrijvers noemden de taal van de sabaeeërs de taal van wetenschap en astronomie, maar wat we tegen­woordig astronomie noemen, was slechts een klein facet van de oude sterverering. Zij verklaarden ook dat Seth of Set de stichter van het sabeanisme was en dat de piramiden werden beschouwd als graven en dat in een piramide Seth of Agathodaimon was bijgezet. Abd Allatif verklaarde ‘dat hij in oude sabaeïsche boeken had gelezen dat de ene piramide het graf van Agathodaimōn was en de andere dat van Hermes’ (SD 2:362). We zien hier de verwarring die werd veroorzaakt door het afleiden van bijzonderheden uit algemene beginselen tot en met de vermenselijking van kosmische beginselen. Hermes is in veel betekenissen dezelfde als Seth en de piramides waren eerder gewijd aan de bestuurders van de sterren dan aan de uiterlijke, zichtbare planeten.

Sabalasva’s

(Sanskriet) Śabalāśva’s

Het hebben van gevlekte paarden, de kinderen of zonen van Daksha.

Sabaoth

(Gnostisch)

De genius van Mars. Een van de planetaire bestuurders van de zeven heilige planeten die door Origenes in zijn overzicht van het gnostische stelsel werd genoemd. Ook één van de viertallen of emanaties die volgens de gnostici de eenheid van Jehovah vormden: Iao, Adonai, Sabaoth en Eloi.

Ook een transliteratie van het Hebreeuwse Tseba’oth.

Sabazius

(Grieks) [van sabo een god van gezondheid, of sevas eerbiedig ontzag]

Een Frygische of Thracische god waarvan de aanbidding verband hield met de verering van de Grote Moeder, Cybelē en Attis. Hij werd geassocieerd met de goden van de onderwereld en zijn embleem was een slang. Er werden regelmatig mysteriën gehouden die mogelijk van dezelfde aard waren als de Dionysische Mysteriën omdat de oude Grieken Sabazius vereenzelvigden met Dionysos en hem zelfs de naam Bacchus (of Dionysos) gaven.

De sabazia waren periodieke feesten met mysteriën die ter ere van enkele goden werden opgevoerd, een variant van de mithraïsche mysteriën. De hele evolutie van de rassen werd daarin op het toneel gebracht. (SD 2:419n)

De sabazia kwamen in Rome in de tweede eeuw opnieuw tot leven en werden beoefend onder de naam sacra savadia.

De god werd ook geassocieerd met de joodse sabaoth (tseba’oth) want Plutarchus verklaart dat de joden Dionysos aanbaden en dat dát de dag van de joodse sabbat was, naar zijn mening een viering van Sabazius (Symposium. 4:6).

Sabbat

(Hebreeuws) Shabbāth [van shābath rust op vrijwillige basis]

De zevende dag van de week, aangewezen in de Hebreeuwse tien geboden als een rustdag die de joden in acht zouden moeten nemen — nu gelijk aan zaterdag, de dag van Saturnus. De nauwe relatie van het oude joodse mystieke en theologische denken met de planeet Saturnus als de buitenste van de toen bekende planeten van ons zonnestelsel geeft ons een sleutel in handen: ‘Sabbat’ ...

betekent rust of nirvāṇa. Het is niet de zevende dag na zes dagen, maar een periode, waarvan de duur gelijk is aan die van de zeven ‘dagen’ of van welke periode ook, die is opgebouwd uit zeven delen. (SD 1:240)

Sabda

(Sanskriet) Śabda

Een geluid, woord of toon. Soms mystiek gebruikt in de zin van het kosmische Woord, dus hetzelfde als de Griekse logos.

Sabda-BrahmanFV

(Sanskriet) Śabda-brahman

Woord-Brahman.

De ziel van Brahman die zichzelf als de goddelijke logos tot expressie brengt met behulp van zijn akasische sluiers, of als Woord of Geluid. (OG 149)

... en is analoog aan de actieve ongemanifesteerde logos van het zonnestelsel en in betekenis nauw verbonden met de leringen die betrekking hebben op daiviprakriti.

Omdat sabda ‘woord’ betekende en Brahmā werd geacht onthuld te worden in de Veda’s, werd Sabda-Brahman in het oude denken van de hindoes van latere tijden, vaak gebruikt als een titel voor de Veda’s zelf omdat dat het onthulde woord van Brahman was of Brahman door middel van woorden tot expressie bracht.

Sabha

(Sanskriet) Sabhā

Een vergadering, congregatie. Een ontmoetingsplaats, sociaal of politiek.

Zie ook Mahasabha

Sachchidananda

(Sanskriet) Saccidānanda [van sat werkelijkheid + cit zuiver bewustzijn + ānanda gelukzaligheid]

Abstract zijn, abstract bewustzijn, abstracte zegen. De staat van de kosmische spirituele hiërarch, Brahman of de tweede logos, het Absolute van onze kosmische hiërarchie. Subba Row schreef dat de logos wordt beschreven als sachchidananda omdat het als sat de uitstroming of het uitvloeisel is van parabrahman, als chit bevat het in zichzelf de gehele wet van de kosmische evolutie, als ananda is het de verblijfplaats van onpersoonlijke gelukzaligheid en de hoogste vreugde die een persoon die een jivanmukta is geworden kan ervaren — een bevrijde monade, wanneer de vereniging met de kosmische logos is verwezenlijkt.

Sacr

(Hebreeuws) Ook ZakharZākhār

Mannelijk, of het nu om een mens gaat of een dier, maar ook een mannelijk orgaan. Het Hebreeuwse woord voor het vrouwelijke orgaan, neqebah (holte), is hiermee verbonden en wordt gebruikt voor een vrouw of een dier, maar al vanaf het bestaan van de oude Hebreeën heeft dit woord te vaak een fallische betekenis gekregen. Toch kunnen deze woorden ook dezelfde onpersoonlijke en abstracte strekking hebben als de linga en yoni van India. Zachar wordt in de Engelse vertaling van de Bijbel in het algemeen vertaald als ‘mannelijk’:

Het is de fallus waarin wordt geformuleerd. En dit is zeker zo als de sacr of drager van de kiem en zo werd het door de eeuwen heen gebruikt voor het sacr-factum van de Romeinse priester en sacr-fice en sacr-ment van het Engels sprekende ras. (Source of Measures 236)

Vanwege de functie van de geslachtsorganen werden deze zelfs in de oudheid met groot ontzag en eerbied beschouwd als de vertegenwoordigers van de scheppende of voortbrengende abstracte krachten van de natuur. Onder de Ouden werd zoveel waarde gehecht aan de voortbrengende werking ervan dat het huwelijk en de betekenis ervan zonder uitzondering werden gezien als een religieus ritueel. Vandaar dat de aanwezigheid van zachar of sacr voorkomt in zulke woorden als sacrament en (het Engelse) sacrifice (offering of opoffering) en altijd met een religieuze betekenis die tot in onze tijd is blijven bestaan.

De oeroude symboliek van de scheiding van de geslachten werd weergegeven door een horizontale lijn — die werd gesneden door een loodlijn | binnen een cirkel: bij de Hebreeën ontaarde dit idee en kregen de woorden sacr en n’cabvah (zachar en neqebah) een zuiver fallische betekenis.

Sacrament

[van Latijn sacrare heilig maken]

Wijding, een eed, gelofte. Later stond het voor een heilig ritueel. De rooms-katholieke kerk kent zeven sacramenten en de protestantse kerken in het algemeen slechts twee, de eucharistie en de doop. De Latijnse wortel sacr- (heilig, gewijd) is verbonden met het Hebreeuwse zachar (mannelijk beginsel, vaak vervallen tot een zuiver fallische betekenis, zie artikel hierboven).

Religieuze opvattingen rond het idee van een sacrament variëren van een middel om gelukzaligheid en zegen over te dragen tot iets dat niet meer dan symbolisch is, een aandenken.

Zie ook onderwerp hierbovenSacr, Zakhar

Sacrarium

(Latijn)

De plaats waar sacra (heilige zaken) werden bewaard. Een heiligdom in een huis of in een tempel.

Sadaikarupa

(Sanskriet) Sadaikarūpa [van sadā altijd + eka een + rūpa vorm]

Altijd hetzelfde lichaam. De essentie van de onveranderlijke natuur. Deze filosofische hindoeterm staat voor kosmische onverwoestbaarheid of het permanente karakter (zowel tijdens een pralaya als een manvantara die elkaar afwisselend opvolgen) van de karmische substantie van de universele natuur, ongeacht hoeveel het kosmische karma de kosmische velden kan modelleren of variëren waarin en waardoor het eeuwig werkzaam is.

Sadasiva

(Sanskriet) Sadāśiva [van sadā altijd + śiva naam van de god, gewoonlijk gezien als de veelbelovende]

Altijd vriendelijk en welvarend; een bijnaam van Śiva.

Sadduceeën

[van Grieks saddoukaioi van Hebreeuws tsadoq naar men vermoedt de stichter van de sekte met dezelfde naam, wat staat voor rechtvaardig of rechtschapen]

Onder Europeanen verstaat men er een scepticus of een twijfelaar onder; oorspronkelijk was het een partij van de joodse priester-aristocratie die in de 2de eeuw v. Chr. opkwam onder de latere hasmoneeën. De sadduceeën werden later voornamelijk als een politieke beweging gezien die zich tegen de farizeeën — die door enkelen de partij van de schriftgeleerden werden genoemd — verzetten, maar de latere joodse overlevering die door Josephus nauwkeurig werd gevolgd, beschouwde hen als een filosofisch-religieuze school. Als een sekte van welbespraakte filosofen kwamen de sadduceeën in opstand tegen een groot aantal van de algemeen geaccepteerde geloofsovertuigingen (als de onsterfelijkheid van de persoonlijke ziel en de werkelijke wederopstanding van het fysieke lichaam) die leefden onder de meeste joden, die eigenlijk bijna allemaal farizeeën waren. Toch hielden zij sterk vast aan wat zij als de werkelijke betekenis zagen, dus het ware gezag van de joodse geschriften. Op dezelfde manier verzetten zij zich tegen een behoorlijk groot aantal leerstellige of religieuze innovaties, waarvan slechts enkele waarheid bevatten en die geaccepteerd werden door de organisatie van de farizeeën — zeg maar het joodse volk. De reden voor hun terughoudendheid om deze vernieuwingen te accepteren, of het nu om leerstellingen ging of de uitleg van de joodse geschriften, schijnt te zijn geweest dat zij de voorkeur gaven aan een veel filosofischer en misschien zelfs mystieke interpretatie die, zo verklaarden zij, de joodse geschriften zouden bevatten, eerder dat dan de meer populaire versies die door het Hebreeuwse volk in zijn geheel werden geaccepteerd. Men zou kunnen zeggen dat wat de gnostici in de eerste eeuwen van het christendom voor de christenen waren, de sadduceeën waren voor de groep van joden of farizeeën. De sadduceeën beweerden ook wetenschappers te zijn en de echte filosofen onder de Hebreeën, hoewel het waar kan zijn dat naarmate de tijd verstreek hun houding van verzet en zelfs van terughoudendheid — in ieder geval onder individuele sadduceeën — veranderde in cynisme en mogelijk zelfs cynisch ongeloof.

De sadduceeën, die bijna alle hogepriesters van Judea leverden, moeten wel heel goede redenen hebben gehad om zich aan de wetten van Mozes te houden en de zogenaamde ‘Boeken van Mozes’, de Pentateuch van de Synagoge en de Talmoed te verwerpen ... (SD 1:320-1n)

... zonder enige twijfel omdat zij de letterlijke vertaling van de Pentateuch verwierpen en in het begin in elk geval de voorkeur gaven aan hun eigen vertalingen van de Hebreeuwse geschriften.

Wat betreft Jehovah:

Jehova was een substituut ten dienste van een exoterisch nationaal geloof, en had geen betekenis of werkelijkheid in de ogen van de geleerde priesters en filosofen — de sadduceeën, de meest verfijnde en geleerdste van de israëlitische sekten, die met hun minachtend verwerpen van elk geloof behalve de WET, er een levend bewijs van vormen. (SD 2:472-3)

Toch moeten we niet denken dat de farizeeën alleen maar hypocriete en exoterische aanbidders van de letter waren zoals de christelijke schrift en legende heeft getracht hen weer te geven, want ook onder de farizeeën konden veel geleerden worden aangetroffen, zoals bijvoorbeeld Josephus (de grootste van de joodse geschiedschrijvers). De wijsten onder de farizeeën verlangden ernaar het joodse volk als één geheel bepaalde geheime leringen te geven, of dat nu vernieuwingen waren of niet, waartegen de sadduceeën met goede redenen zich sterk hadden verzet.

Sadhu

(Sanskriet) Sādhu, vrouwelijk: sadhi [van de werkwoordstam sādh afmaken, volmaakt, compleet, overwinnen, overweldigen]

Een goede en deugdzame man. Meer bepaald een heilige man, vooral onder de jaïns, hij is dan een jina of vergoddelijkte heilige. Als een bijvoeglijk naamwoord kent sadhu onder andere de volgende betekenissen: compleet, voltooid, vervolmaakt; succesvol, effectief (met betrekking tot hymnen), uitstekend, goed, gepast en juist.

Als een uitroep: Uitnemend! Goed gedaan! Goed!

Sadhya

(Sanskriet) Sādhya [van de werkwoordstam sādh eindigen, voltooien, onderwerpen, overmeesteren]

Wat nog uit moet komen, of voltooid of bereikt moet worden, wat nog moet worden overmeesterd, of gewonnen, of onderworpen. Als een zelfstandig naamwoord in meervoudsvorm staat het voor een klasse van de gana-devata’s (goddelijke wezens), meer precies de jnana-deva’s (goden van wijsheid).

In de Satapatha-Brahmana van de Rig-Veda zou hun wereld boven de sfeer van de goden liggen, terwijl Yaska (Nirukta 12:41) hen in bhuvarloka plaatst. In De wetten van Manu (3:195) ziet men de sadhya’s als de nakomelingen van de pitri’s met de naam soma-sads die de nakomelingen van Viraj zijn, vandaar dat zij de kinderen van de maanvoorouders (pitri’s) zijn, die na de goden zijn ontwikkeld en een meer volledig ontplooide natuur hebben, terwijl zij in de Purāṇa’s de zonen van Sadhya (een dochter van Daksha) en Dharma zijn — waardoor zij sadhya’s worden genoemd — en die 12 of 17 in getal zouden zijn.

Deze verschillende manieren om het voorgeslacht van de sadhya’s te beschrijven komt door de verschillende wijzen waarop hun herkomst kan worden gezien. In de latere mythologie worden zij opgevolgd door de siddha’s. Er is in veel opzichten slechts een onbetekenend verschil tussen sadhya’s en siddha’s. Hun mythologische namen worden gegeven als Manas, Mantri, Prana, Nara, Pana, Vinirbhaya, Naya, Dansa, Narayana, Vrisha en Trabhu. Twee van deze namen zijn die van de theosofische zeven beginselen van de mens — manas en prana; terwijl Nara en Narayana in andere aspecten van de mens, menselijk of kosmisch zijn. Blavatsky noemt de sadhya’s goddelijke offeraars, ‘de meest occulte van allen’ (SD 2:605) de klassen van de dhyānī’s — de verwijzing slaat op de manasaputra’s, die intellectuele wezens die zichzelf opofferden om de vuren van het menselijke begripsvermogen tijdens het derde wortelras aan te jagen.

De namen van de godheden van een bepaalde mystieke categorie veranderen met elk manvantara ... (SD 2:90)

Aldus worden zij ajita’s, tushita’s, satya’s, hari’s, vaikunta’s, aditya’s en rudra’s genoemd. De betekenis van de verschillende namen die aan deze hogere wezens zijn gegeven, zit hem in de samengestelde natuur van elk van hen. In elk manvantara en in iedere kleinere cyclus van een manvantara ontvouwt elk wezen een ander aspect van zichzelf, net zoals de mens nieuwe maar latente krachten en zintuigen in elk nieuw tijdperk ontplooit. Speciale namen werden vaak gegeven aan elk van de zevenvoudige, tienvoudige of twaalfvoudige aspecten van deze hoge wezens.

In kosmisch opzicht wijzen de sadhya’s op de collectieve namen van de twaalf grote goden, de eerste twaalf kosmische hiërarchen die emaneren uit Brahmā waaruit niet alleen de twaalf kosmische gebieden stromen, maar ook de hiërarchieën die bij deze twaalf gebieden horen.

Zij zijn zo belangrijk omdat zij de vroegste emanaties in een regelmatige volgorde vormen van het vormende en scheppende Brahma-prakriti, en daarom vormen zij in werkelijkheid de oorsprong van alle wezens en dingen in de kosmos die zijn gepland aan het begin van het twaalfvoudige hiërarchische stelsel. Plato koesterde dezelfde gedachte toen hij sprak over de godheid die het heelal vormt op basis van het getal twaalf. Het herinnert aan het Latijnse dii consentes, wat is overgenomen van de oude mystieke Etrusken die verklaarden dat deze twaalf ‘instemmende of goedkeurende godheden’ de raad van Jupiter vormen, de Latijnse versie van Brahmā. De twaalf dii consentes bestonden uit zes vrouwelijke en zes mannelijke godheden en de theologie van de Etrusken stelde dat zij niet alleen de wereld besturen, maar ook de tijd omdat zij periodiek tot bestaan komen aan het begin van het tijdperk van een wereld en in ruste of pralaya gaan wanneer dat wereldtijdperk eindigt — om slechts opnieuw te verschijnen aan het begin van de volgende wereldperiode.

Seneca verklaart in zijn Quaestiones Naturalis (2:41) dat er een nog verhevener Raad van Godheden is, die nog hoger staat dan die van Jupiter en de twaalf dii consentes, waarvan de gecombineerde wilskracht en intelligentie macht heeft over de beslissingen van Jupiter en de twaalf grote goedkeurende goden.

Zie ook Satya’s

Saffier

Veel oude volkeren wisten hoe zij de krachten van edelstenen konden gebruiken. Zo was de saffier bijzonder waardevol omdat die een aantal invloeden van Venus — die worden doorgegeven via andere eigenschappen van Luna of het hogere aspect van de maan — in zich zou hebben en daardoor in staat was gelijkmoedigheid op te wekken en boosaardige gedachten weg te houden.

‘De saffier’, zeggen de boeddhisten, ‘zal [voor de geest van de mens] gesloten deuren en woningen openen, wekt het verlangen om te bidden op, en brengt meer rust dan elke andere edelsteen; maar hij die hem wil dragen moet een zuiver en heilig leven leiden’. (IU 1:265)

Deskundigen in onze tijd vermoeden dat de sappheiros van de Grieken en de sappir van de Bijbel dezelfde waren als onze lapis lazuli, terwijl onze saffier de naam hyacinthus draagt. Dezelfde kwaliteiten worden trouwens toegeschreven aan de kleur blauw.

Saga

Ook Sogn [vgl. IJslands sogn van segja zeggen, getuigen, verkondigen; Angelsaksisch secgan, Engels say, Zweeds saga]

In de Scandinavische talen verwijst saga naar iets dat wordt verteld, een gezegde, verhaal of verslag dat bij de Grieken logos heet, dat zowel staat voor een mondelinge overlevering als voor de geschreven geschiedenis die daarop volgt.

In de Noorse mythologie is het de naam van een Ásynja (godin) die een wereld bezit met de naam Sokvaback (diepe rivier) waar zij met Odin teugen van wijsheid uit neemt met gouden bokalen. Symbolisch stelt zij de vergaarde wijsheid voor die ze heeft geput uit de ervaringen van het verleden, van mensen of werelden. De sagor (meervoudsvorm van saga, verhalen) waren de verspreiders van wijsheid.

Sagara

(Sanskriet) Sagara

Met gif. Een koning van de zonnedynastie en vorst van Ayodhya, die Sagara zou worden genoemd omdat hij werd geboren op het moment dat zijn moeder gif kreeg toegediend door de andere echtgenote van zijn vader. De legende vertelt dat hij vader was van 60.000 zonen die tot een berg as werden veranderd door de blik van de wijze Kapila en hun uitvaartceremonie kon alleen worden uitgevoerd in het water van de Ganges, wat uit de hemel gehaald moest worden om hun resten gezuiverd te kunnen krijgen. Dit werd uiteindelijk volbracht door de toewijding van Bhagiratha die, omdat hij de rivier naar de zee had geleid, hem Sagara noemde als eerbetoon aan zijn voorouder.

Dat het verhaal een allegorie is, ziet men al op het eerste gezicht: de 60.000 zonen, wreed, kwaadaardig en zondig, zijn de personificatie van de menselijke hartstochten, die door ‘een enkele blik van de wijze’ — het zelf dat de hoogste staat van zuiverheid voorstelt die op aarde kan worden bereikt — tot as worden verteerd. Maar zij heeft ook andere — cyclische en chronologische — betekenissen, een methode om de tijdperken aan te geven waarin bepaalde wijzen tot volledige ontplooiing zijn gekomen, die men ook in andere Purāna’s vindt. (SD 2:571)

De 60.000 zonen stellen ook de 60.000 jaren van de cyclus voor die mystiek bekend staat als Jatayu, de zoon van Garuda, koning van de stam met de veren.

Sagittarius i

Boogschutter, het negende teken van de dierenriem. In de astrologie is het een gewoon of veranderlijk en vurig teken, een van de huizen van Jupiter. Het teken komt in het lichaam overeen met de dijen. Zijn symbool is een boogschutter of een enkele keer een centaur met pijl en boog.

Wanneer Jakob volgens het Hebreeuwse stelsel de twaalf tekens van de dierenriem onder zijn twaalf zonen verdeelt, wordt Sagittarius toegewezen aan Jozef: zijn ‘boog verblijft in kracht.’ In een cirkelvormige afbeelding van de dierenriem is Seth (zoon van Adam) gelijk gemaakt aan Sagittarius (IU 2:462).

In de brahmaanse dierenriem neemt Dhanus de plaats van Sagittarius in en zijn godheid is Ganesha, de god met het hoofd van een olifant die de god van wijsheid is, zoon van Śiva. Als een getal is Dhanus de 9, het is het negende teken. Vandaar dat het verwijst naar de negen Brahma’s of de negen prajapati’s die de demiurg helpen bij het ontwikkelen van het stoffelijke heelal (12 Signs of the Zodiac, Subba Row). Negen is het getal van het worden en daarom van verandering.

Saha

(Sanskriet) Sahā [van de werkwoordstam sah, verdragen, lijden]

Een van de loka-dhatu’s of sferen van de wereld van de boeddhistische filosofie: de wereld bewoond door mensen, ofwel de aarde. Boeddhisten beschouwen deze aarde als een wereld van lijden. Dit is overgenomen door de theosofie met de betekenis van de aarde en elke bewoonde of gemanifesteerde wereld of bol in de chiliokosmos, oftewel sakvala. De theosofie kent geen hel in de natuur maar ziet wel sferen van ervaring, van evolutionaire vooruitgang en zuivering door lijden die alle gemanifesteerde bollen in de ruimte kenmerken, in een bijna oneindig gevarieerde graad.

Saha-loka-dhatu

(Sanskriet) Ook Sahalo-kadhatuSaha-loka-dhātu [van saha eenheid, vereniging + loka wereld, gebied + dhātu essentiële substantie]

Tot één gemaakte wereldsubstanties, een chiliokosmos of heelal.

Ook een boeddhistische uitdrukking met de betekenis van ‘de wereld bewoond door mensen’ oftewel de aarde.

Saham-pati

(Sanskriet) Sahām-pati

De ouder van Alles, of de algemene voorouder, heer of bron van alles. Een synoniem van Brahman of zelfs mahabrahman of parabrahman.

Saharaksha’s

(Sanskriet) Saharakṣa’s

Het bewaren van kracht. In het algemeen verklaard als het vuur van de asura’s of het heilige offervuur, dat de offers aan de rakshasa’s ontvangt. In de Purāṇa’s wordt pavamana — het vuur dat door wrijving wordt gemaakt — gezien als de ouder van de saharaksha’s.

Sahir

(Hindi) Sāhir

Een dodenbezweerder, gelijk aan de jadoogar.

Sahu

(Egyptisch) Sāḥu

Een geestelijke entiteit, de entiteit van de overledene in de hemel. Volgens de volksverhalen groeide die op uit het dode lichaam en werd gevormd met behulp van de ceremonieën die boven het lijk werden uitgevoerd. Van het weinige dat nu nog bekend is kunnen we opmaken dat die hetzelfde zou zijn als het reïncarnerende ego. In deze betekenis is een geestelijke entiteit een ontwikkeling van de aardse ervaringen van de monade.

Graaf de Saint-Germain

‘‘Hij wordt door moderne schrijvers een raadselachtig figuur genoemd. Frederik II, koning van Pruisen, was gewend over hem te zeggen dat hij een man was die door niemand doorgrond kon worden. Er zijn talloze ‘biografieën,’ de een nog fantastischer dan de andere. Sommigen zagen hem als een geïncarneerde God anderen als een slimme Elzasser jood. Een ding is echter zeker, Graaf de St. Germain — wat zijn werkelijke familienaam ook mag zijn geweest — had recht op zijn naam en titel, want hij had een landgoed in het Italiaanse Tirol gekocht dat de naam San Germano droeg en had de paus voor zijn titel betaald. Hij was ongewoon knap van uiterlijk en zijn enorme welbespraaktheid en taalkundige vermogens kunnen niet worden ontkend want hij sprak Engels, Italiaans, Frans, Spaans, Portugees, Duits, Russisch, Zweeds, Deens en vele Slavische en oosterse talen net zo gemakkelijk als een autochtoon. Hij was puissant rijk, had nooit een sou van wie dan ook ontvangen — in feite nam hij nooit ook maar een glas water van iemand aan of deelde hij brood met een ander — maar gaf buitengewone geschenken in de vorm van de prachtigste sieraden aan al zijn vrienden, zelfs aan de koninklijke families van Europa. Hij bezat verbazingwekkende muzikale vaardigheden, hij bespeelde elk instrument maar de viool was zijn favoriet. ‘St. Germain was een waar tegenstander van Paganini zelve,’ werd door een tachtigjarige Belg in 1835 gezegd nadat hij de ‘Genuese maestro’ had gehoord. ‘Het is de wederopgestane St. Germain die viool speelt in het lichaam van een Italiaans geraamte,’ riep een Litouwse baron die beide had gehoord.’’

‘‘Hij heeft nooit goede sier gemaakt met zijn spirituele vermogens maar bewees dat hij er recht op had. Hij kon zevenendertig tot negenenveertig uur in een dodelijke trance blijven zonder te ontwaken en wist dan alles wat hij wilde weten en toonde dat aan door de toekomst te voorspellen en daarmee nooit ook maar één vergissing te maken. Hij was het die de ongelukkige dood van Marie Antoinette voorspelde voor de koningen Lodewijk de vijftiende en de zestiende. Er waren veel nog levende getuigen in het eerste kwart van deze eeuw die vertelden over zijn geweldige geheugen. Hij kon ’s morgens een krant lezen en hoewel hij er nauwelijks een blik op had geworpen dagen later de inhoud ervan herhalen zonder een woord over te slaan. Hij kon met twee handen tegelijkertijd schrijven, de rechterhand schreef een gedicht en de linkerhand een diplomatisch stuk van het grootste belang. Hij las verzegelde brieven zonder die aan te raken terwijl die nog vast werden gehouden door degenen die ze aan hem wilden overhandigen. Hij was de grootste adept in het omzetten van metalen en kon goud maken en de meest verbluffende diamanten, wat, zoals hij zei, een kunst was die hij van bepaalde brahmanen in India had geleerd, die hem de kunstmatige kristallisatie (‘verlevendiging’) van zuiver koolstof hadden onderwezen. Zoals onze broeder Kenneth Mackenzie verklaarde: — ‘In 1780, tijdens een bezoek aan de Franse ambassadeur in Den Haag, sloeg hij een zuivere diamant van eigen fabrikaat met een hamer in gruzelementen, waarvan hij een van dezelfde soort, die ook door hemzelf was gemaakt, net daarvoor voor 5500 louis d’or had verkocht aan een juwelier.’ Hij was in 1772 de vriend en vertrouweling van Graaf Orloff in Wenen, die hij in 1762 in St. Petersburg had geholpen en had gered toen die betrokken was geraakt bij de beroemde politieke samenzwering van die tijd. Ook raakte hij bevriend met Frederik de Grote van Pruisen. Het is logisch dat hij ook talrijke vijanden had en daarom moet men niet raar staan te kijken als veel van de roddels die over hem de ronde doen ook daadwerkelijk van hemzelf afkomstig zouden zijn: bijvoorbeeld, het feit dat hij meer dan vijfhonderd jaar oud was en ook dat hij beweerde bevriend te zijn geweest ‘met de Verlosser en zijn twaalf apostelen en dat hij Petrus had aangesproken op zijn slechte humeur’ — toen de laatstgenoemde in die tijd botste met eerstgenoemde, als hij werkelijk zou hebben beweerd slechts vijfhonderd jaar oud te zijn. Als hij zou hebben gezegd dat ‘hij in Chaldea was geboren en de geheimen van de Egyptische magiërs en wijzen zou kennen,’ kan hij de waarheid hebben gesproken zonder een wonderlijke bewering te hebben gedaan. Er zijn ingewijden, en dan nog niet eens de hoogsten, die in toestanden kunnen worden gebracht waarin zij meer dan één van hun vorige levens kunnen herinneren. Maar we hebben goede redenen om te weten dat St. Germain nooit beweerd kan hebben dat hij ‘persoonlijk bevriend’ was met de Verlosser. Hoe het ook mag zijn, Graaf de St. Germain was zeker de grootste Oosterse adept die Europa in de laatste eeuwen heeft gezien. Maar Europa herkende hem niet. Misschien dat enkelen hem zullen herkennen bij de volgende Terreur die heel Europa in rep en roer zal brengen wanneer die komt en niet slechts één land.’’ (TG 308-9)

Saint Germain tekende de goede leringen op in cijferschrift en zijn enige manuscript in cijferschrift bleef in het bezit van zijn trouwe vriend en beschermheer, de edele Duitse vorst, in wiens woning en in wiens tegenwoordigheid hij heenging — NAAR HUIS. (MB 310)

Saïs

Ook Saut

Een belangrijke oude stad in Neder-Egypte, de hoofdstad van de vijfde provincie: de residentie van de koningen van de 26ste dynastie. Slechts ruïnes geven aan waar de beroemde tempel van Neith moet hebben gelegen en waarin het altijd gesluierde standbeeld van Neith-Isis werd bewaard. Neith was de belangrijkste god van Saïs die bij de Grieken bekend was als Athena. Daarnaast werden er ook regelmatig feestdagen ter ere van Osiris gehouden.

Ook in Saïs, in de heilige kamer van Minerva, achter de kapel en verbonden met de hele muur staat de graftombe van iemand van wie het uiten van zijn naam onder zulke omstandigheden oneerbiedig zou zijn; en in die ruimte staat een grote stenen obelisk en is er een meer in de nabijheid ervan dat is versierd met een stenen rand in een cirkel en met een afmeting, zoals die zich aan mij voordeed, gelijkend op die van Delos, die de Cirkelvormige wordt genoemd. In dit meer wordt ’s nachts de voorstelling van de avonturen van die persoon uitgevoerd, die zij de Mysteriën noemen. Wat deze zaken betreft moet ik echter ... het absolute stilzwijgen bewaren; en ook wat betreft de heilige riten van Ceres, die de Grieken Thesmophoria noemen, moet ik, hoewel ik er bekend mee ben, het stilzwijgen bewaren ... (Herodotus 2:170-1)

Saiva

(Sanskriet) Śaiva

De bijvoeglijke vorm van Śiva; volgelingen van de sekte van Śiva. Deze god is de grote beschermheilige van alle yogi’s en verschilt behoorlijk van de sekte waarvan de aanhangers beweren de bijzondere volgelingen van Śiva te zijn.

Śaka

(Sanskriet) Śaka

Een tijdperk, tijdvak.

Saka

(Sanskriet) Saka

In het Vishṇu-Purāṇa gebruikt voor het intellect of kosmische wijsheid , mystiek en filosofisch gezien gelijk aan kosmisch mahat. Esoterisch staat het voor het geheel of de synthese van bepaalde manifesterende goddelijke beginselen die zich ontvouwen of emaneren door de geest in en door het web van het Zijn. Vandaar dat saka ook gelijk is aan de Draak van Wijsheid van de Chinezen — de synthese van alle zich manifesterende goden van welke kosmische eenheid dan ook — en aan de kosmische Logos.

Saka-dvipa

(Sanskriet) Śāka-dvīpa

Volgens de Purāṇa’s is het de zesde van de zeven dvipa’s (continenten of eilanden) die de aarde vormen. Esoterisch gezien stellen deze zeven dvipa’s onze aardbol en zijn zes onzichtbare vergezellende bollen voor. Jambu-dvipa vertegenwoordigt bol D, terwijl plaksha, salmala, kusa, krauncha, saka en pushkara de zes hogere en onzichtbare bollen van onze planeetketen zijn. Deze dvipa’s komen ook overeen met de geografische continenten van de zeven grote rassen en zelfs met de landverdelingen van de aarde tijdens het bestaan van een wortelras. Enkele delen van Amerika, Afrika en Centraal-Azië met de Gobi zullen een aandeel hebben in de opbouw van de toekomstige continentale dvipa’s (SD 2:404).

Saka’s

(Sanskriet) Śaka’s

Een stam waarvan men denkt dat die een Westerse oorsprong heeft, Indo-Scythen. Volgens oriëntalisten zijn zij dezelfde als de klassieke Saken. Het was tijdens het bewind van hun koning Yudhishthira dat kaliyuga zou zijn begonnen.

Sakkayaditthi

(Pali) Sakkāyadiṭṭhi [van sakkāya individualiteit + diṭṭhi geloof, theorie; vgl. Sanskriet sat-kāya ware individualiteit + dṛṣti verschijnen]

Sakkayaditthi is eerder de illusie van de persoonlijkheid dan de ketterij van individualiteit, want in de theosofische literatuur is de individualiteit dat deel van de mens dat telkens opnieuw reïncarneert en zichzelf hult in de ene persoonlijkheid of belichaming na de andere. Als ...

het verkeerde idee dat ‘ik ben ik,’ een man of een vrouw met een bijzondere naam, in plaats van een onafscheidelijk deel te zijn van het geheel. (TG 284)

... wijst de term op het gevoel van afgescheidenheid en persoonlijkheid, als iets dat het tegenovergestelde is van het idee dat de mens een onafscheidelijk deel is van het heelal voor alle gebieden van zijn samengestelde constitutie. Dit betekent dat de persoonlijkheid van de belichaamde mens een verschijningsvorm heeft en daardoor de dwaling veroorzaakt dat de oppervlakkige persoonlijke mens de spirituele mens zou zijn.

In de boeddhistische sutra’s is sakkayaditthi de eerste keten die moet worden verbroken om het pad te kunnen betreden en als het pad werkelijk wordt bewandeld zal deze keten als niet-bestaand worden gezien.

Verbonden met een van de skandha’s zal sakkayaditthi samen met attavada ...

(in het geval van het vijfde beginsel, de ziel) leiden tot het maya van de ketterij en het geloof in de doeltreffendheid van doelloze riten en ceremoniën, in gebeden en voorspraak. (MB 121)

Sakra

(Sanskriet) Śakra

De sterke, de machtige; een naam van Indra.

Sakridagamin

(Sanskriet) Sakṛdāgāmin [van sakṛt eenmaal + āgāmin iemand die komt van ā-gam komen]

In de mystieke boeddhistische filosofie is hij het die nog (eenmaal) een geboorte zal ontvangen. Ook het tweede pad van het viervoudige pad dat naar nirvāṇa leidt, het pad van arhatschap.

Zie ook Arhat

Sakshin

(Sanskriet) Sākṣin [van sa samen met + akṣa oog]

Dat wat voor de ogen is, een waarnemer, een getuige. In de filosofie is het de ego of het subject in tegenstelling tot het object of dat wat zich buiten het waarnemende ego bevindt. Subba Row gebruikte het woord als hoogste van de vier aspecten van parabrahman in de menselijke constitutie (Five Years of Theosophy, 108).

Sakta

(Sanskriet) Ook saktaya, sakteya en saktyaŚākta [van śakti kracht]

Dat wat te maken heeft met śakti, een aanbidder van śakti, vooral als Durga, de kosmische partner van Śiva. De sakta’s vormen een hindoesekte die hun leringen voor een belangrijk deel baseren op de tantra’s. Hun ritueel kent twee soorten: de meer onzuivere met de naam vamachara (pad van de linkerhand) en de zuivere, dakshinachara (pad van de rechterhand). Maar de aanbidders van tegenwoordig zijn ver afgedwaald van de oorspronkelijke, eigenaardige filosofische leringen waardoor hun beeldvorming en de gebruikte symbolen in alle opzichten zijn ontaard.

Sakti

(Sanskriet) Śakti [van de werkwoordstam sak, machtig zijn, energiek, kracht bezitten]

Universele energie, het vrouwelijke aspect van fohat. Een van de zeven krachten van de natuur waarvan er zes zich hebben gemanifesteerd en de zevende gedeeltelijk is gemanifesteerd. Het is de energie die naar voren komt uit zichzelf, niet door de actieve of bewuste wil van degene die het vormt. In het algemeen worden de vrouwen of partners van de goden — de energieën of actieve krachten van deze goden, gezien als vrouwelijke invloeden.

Deze antropomorfe verklaringen zijn ongelukkig gekozen omdat ze misleiden. De śakti’s van de natuur zijn in werkelijkheid sluiers, omhulsels of dragende voertuigen waardoor de innerlijke en altijd actieve krachten werkzaam zijn. Zoals stof en energie of kracht en materie fundamenteel één zijn ... het wordt duidelijk dat deze śakti’s of omhulsels of sluiers, zelf hun kracht doorgeven aan de lagere sferen of rijken waarin zij zelf werkzaam zijn.
 De kroon van het astrale licht, zoals H.P. Blavatsky het stelt, is het algemene sakti van de universele natuur voor zover het ons zonnestelsel betreft. (OG 150)

Sakti is in een andere betekenis zielenkracht, de mentale-psychische kracht van de god en de adept. In het Mahābhārata stelt Draupadi, de vrouw of śakti van de vijf Pandava-broers, een geestelijke kracht voor die zij allen in gelijke mate bezaten. In legenden en verhalen van de oude volkeren zijn de vrouwen van de grote helden in mystieke zin het geheel van śakti’s of spirituele krachten die de helden individueel hebben verkregen.

Wanneer we de śakti’s als min of meer bewuste krachten van de natuur beschouwen krijgen we niet alleen een beeld van de altijd actieve bewegingen op de lagere gebieden van de natuur, maar ook van de kalme en waardige uitwerkingen van spirituele activiteit. In het Westen is het heel gewoon om kracht, energie, activiteit en macht te zien als mannelijke vormen, maar dat is tamelijk arbitrair. De natuur maakt van een afstand bekeken wel duidelijk hoe die voortdurend wordt bewogen door ‘voertuiglijke’ en inspirerende oorzaken.

Op kosmisch gebied komt śakti, of komen de śakti’s voort uit het astrale licht of ākāśa, dat in één opzicht niet alleen als de moederschoot van de kosmische śakti’s kan worden beschouwd, maar vooral als hun werkterrein en in een andere betekenis als de gezamenlijke śakti’s zelf. In de mens is śakti het hogere aspect van buddhi en zijn het de activiteiten van de diverse prana’s in de menselijke constitutie in hun lagere aspect. Er is geen wezenlijk verschil tussen welke god en zijn partner ook, tussen Brahman en pradhana, Brahmā en prakriti of tussen parabrahman en mulaprakriti. Bovendien zijn al deze śakti’s ofwel bewuste entiteiten in de natuur, óf de vitale uitstromingen of emanaties, kosmische fluïden waarvan de natuur in zijn geheel is doordrongen.

De reden waarom de occultist in alle tijden met een scheef oog naar tantrische praktijken hebben gekeken — of naar de tantra’s die voornamelijk van doen hebben met de śakti’s — is dat deze boeken over tantra en de oefeningen bijna volledig handelen over het lagere aspect van de relaties en wisselwerkingen in zowel de natuur als de mens en de śakti’s. Laten we als voorbeeld het kundalini nemen dat in de mens ontstaat of wordt geboren in het buddhi en afdaalt door de menselijke constitutie en zijn pranische en psychovitale vertegenwoordigers heeft in de diverse chakra’s of vitale centra van het lichaam van de mens, dus is het kundalini een voorbeeld van een śakti of zijn fluïdische uitstromingen in de lagere delen van de menselijke constitutie.

De eerste christenen zagen in de Heilige Geest duidelijke vrouwelijke eigenschappen, invloeden of svabhāva, als het centrum van niet alleen vitale maar ook van geestelijke en intellectuele activiteit, of het nu om het heelal gaat of de mens, zodat de Heilige Geest overeenkomt met het goddelijke śakti. Een opmerkelijk geval in het hindoeïsme is de śakti of godin Durga, die een verheven of spirituele en een lagere of duidelijk stoffelijke functie in de natuur heeft en daaromEen tot de tanden bewapende godin Kali, alter-ego van de godin Durga. zowel een weldadige als een vreselijke activiteit daarin is — de naam Durga betekent dan ook ‘vreselijk in activiteit,’ of ‘vreselijk wanneer in beweging.’ En toch is Durga de partner of śakti van Śiva, vaak de Mahesvara (Grote Heer) genoemd. En de naam van deze godin vindt zijn oorsprong in de uiterst onpartijdige, oneindig rechtvaardige en toch vaak ook simpelweg vreselijke uitwerking van de krachten in de natuur, vooral wanneer het karmisch is gericht op de werken van vernieuwing, die vaak vernietigend worden genoemd. Werkelijk, kosmische activiteit of kosmische rechtvaardigheid zijn naar menselijke maatstaven vaak vreselijk in hun uitwerking en kunnen nooit worden genegeerd of ontweken, tegengehouden of omgeleid. Vandaar dat Durga vaak is omhangen met een ketting van schedels of met andere soortgelijke afschuwelijke emblemen wordt afgebeeld — een reeks ideeën die het pragmatische Westen verkeerd interpreteert en consequent weergeeft als iets dat vreselijk en walgelijk is.

Sakti-kriya

(Sanskriet) Śakti-kriyā [van śakti kracht + kriyā activiteit, handeling]

Een innerlijk vermogen of kracht die al sinds de grijze oudheid in India bekend is en wordt onderwezen en die spirituele, intellectuele en psychologische elementen bevat die door elke adept kunnen worden beoefend, of hij nu een asceet of een leek is en die het meest doelmatig in zijn uitwerking zal zijn wanneer die wordt gecombineerd met meditatie of bhavana. Het resultaat hangt af van de innerlijke kwaliteiten van het karakter en de intensiteit van de eigen wil, naast een absoluut vertrouwen dat voortkomt uit de kennis van zijn eigen vermogens.

Wanneer gebruikt bij een ceremonieel of ritueel is sakti-kriya gelijk aan een magische mantra.

Sakti-trimurti

(Sanskriet) Śakti-trimūrti

Het vrouwelijke aspect van de trimurti van de hindoes of triade. Een passief deel of voertuig van het actieve beginsel. Terwijl śakti vaak, wanneer een vergelijking wordt gemaakt, passief wordt genoemd, wordt die in India altijd beschouwd als een zeer actieve vrouwelijke goddelijke energie, of de intense activiteit van de voertuigen waarin en waardoor deze goden zichzelf manifesteren.

Saktidhara

(Sanskriet) Śaktidhara

Energiedrager, drager van kracht, drager van een speer. Een bijnaam van de hindoegod Karttikeya in zijn mystieke rol als krijger.

Sakwala

(Singalees) in Pali: Cakkavāḷa

Gautama Boeddha uitte dit ‘woord’ (bana) wanneer hij mondeling onderricht gaf en verwees naar ...

een zonnestelsel, waarvan er een oneindig aantal in het heelal zijn, dat de ruimte laat zien waarnaar het licht van elke zon zich uitstrekt. Elke sakwala bevat aardes, hellen en hemelen (met de betekenis van goede en slechte sferen, onze aarde wordt in het occultisme beschouwd als de hel), bereikt zijn volwassenheid en raakt dan in verval en wordt uiteindelijk vernietigd in regelmatig terugkerende cycli, op basis van één onveranderlijke wet. De Meester onderwees dat er op aarde al vier grote ‘continenten’ hebben bestaan (het land van de goden, Lemurië, Atlantis en het huidige ‘continent’ dat in de vijf stukken is verdeeld die in de Geheime Leer worden besproken) en dat er nog drie zullen verschijnen. Het eerdere ‘communiceerde niet met de andere,’ een zin die laat zien dat Boeddha niet sprak over de continenten die in zijn tijd bekend waren (want Patala, oftewel Amerika, was goed bekend bij de oude hindoes) maar over de vier geologische vormingen van de aarde met hun vier duidelijk verschillende wortelrassen die al zijn verdwenen. (TG 285)

Zie ook Saha

Sakya

(Sanskriet) Śākya

Een stam in het oude India die een hoofdstad had met de naam Kapilavastu. Uit deze stam kwam Siddhartha-Gautama naar voren, de grondlegger van het boeddhisme. Vandaar de familienaam Sakya, waarmee hij gewoonlijk bekend is.

Sakyamuni

(Sanskriet) Śākyamuni

De wijze Sakya, een naam van Gautama Boeddha.

Salagrama

(Sanskriet) Śālagrāma

Een dorp aan de,Een ammoniet. voor de Vaishnava’s heilige, Gandaki-rivier. Het ontving zijn naam van de aldaar groeiende salbomen. Ook de naam van Vishṇu werd in dit dorp vereerd, naast een veronderstelde heilige steen die werd aanbeden door de Vaishnava’s die volgens hen zou zijn doordrongen met de tegenwoordigheid van Vishṇu. Deze steen is in werkelijkheid een zwarte fossiele ammoniet en zou voornamelijk in de directe omgeving van dit dorp te vinden zijn.

Salamander

De naam die door de middeleeuwse vuurfilosofen werd gegeven aan de natuurgeesten van vuur, de vuurelementalen. Het Griekse salamandra betekende een op een salamander gelijkend dier dat, zo geloofde men, macht had over vuur en dus ook vuur kon doven, of maken. Marco Polo schreef dat de salamander niet een dier is maar een stof die in de aarde kan worden gevonden, wat volgens zijn beschrijving aardig overeen zou komen met asbest.

Salmala

(Sanskriet) Ook Salmali-dvipaŚālmala-, Śālmali-, Śālmalī-dvīpa

Volgens de Purāṇa’s de derde van de zeven dvipa’s (continenten of eilanden) die de wereld samenstellen. Esoterisch gezien stellen deze dvipa’s onder andere onze bol en zijn zes vergezellende onzichtbare bollen voor. Jambu-dvipa vertegenwoordigt bol D, terwijl plaksha, salmala, kusa, krauncha, saka en pushkara de zes onzichtbare bollen van onze planeetketen voorstellen. Deze dvipa’s komen ook overeen met de geografische continenten van de zeven wortelrassen die in een regelmatige reeks tevoorschijn komen, en zelfs met de landdelen van de aarde tijdens de periode van elk wortelras.

Salomo
koning van Israël & Judea, en moordenaar

(Hebreeuws) Shĕlomoh [van shālōm welvarend, vgl. Arabisch zuleima, Grieks Salomon, Latijn Solomo, Frans Salomon]

De naam Salomo staat voor vrede en voorspoed. Volgens de orthodoxe bijbelse chronologie leefde deze koning van 993-953 v. Chr. Hij was de jongste zoon van David en had deze opgevolgd door de sturende invloed van zijn moeder Bathsheba (Batseba) en de profeet Nathan. In het hele Oosten, met name in Arabië maar ook in Europa, bestaan er talloze legenden over zijn wijsheid en magische vermogens, vooral voor wat betreft zijn zegel, de zespuntige ster of de dubbele vervlochten gelijkbenige driehoeken (Salomo’s zegel); zijn ontmoeting met de koningin van Sheba en het beantwoorden van de vragen en oplossen van raadsels die door haar en anderen werden voorgelegd en zijn oordelen. Salomo zou zijn geheime wijsheid ...

in India hebben gekregen van Hiram, koning van Ofir, en misschien van Sheba?* (IU 1:135, 136n)

Wanneer het letterlijke verslag van de Bijbel wordt geaccepteerd zou Salomo in zijn latere jaren verre van wijs zijn geweest en zichzelf hebben overgegeven aan losbandigheid en verafgoding (1 Koningen 11). Bovendien begon zijn koningschap met het vermoorden van Adonijah, Joab en Shimei en de laatste opgetekende daad van hem was dat hij trachtte Jereboam te vermoorden.

In de vrijmetselarij wordt koning Salomo vooral geëerd als bouwer van de Tempel en als de eerste van de drie Grootmeesters — de andere twee zijn Hiram, koning van Tyrus en Hiram Abif — die allemaal betrokken waren bij de bouw van de Tempel. Er wordt bijna voorbijgegaan aan het kwaadaardige slot van het leven van Salomo in het rituaal van de vrijmetselaars en de literatuur, op basis van het bijbelse verhaal. In de Joodse Encyclopedie wordt Salomo door één schrijver besproken als een ‘wijze koning par excellence’ en in de Arabische literatuur wordt over Salomo gesproken als ‘de boodschapper van God,’ maar volgens een andere schrijver in hetzelfde werk ‘blijft er na een belangrijke schifting van bronnen niet meer over dan het beeld van een kleinzielige Aziatische despoot, misschien alleen nog opmerkelijk om zijn hang naar luxe en neiging tot polygamie.’

Alleen als we de Bijbel interpreteren op een esoterische manier kunnen we dichterbij de waarheid komen, en zo’n interpretatie ondersteunt volledig de kenmerken van een ‘wijze koning par excellence’, het rituaal van de vrijmetselaars en de overlevering met betrekking tot koning Salomo als de eerste en voornaamste van de drie grootmeesters.

Hoe moeten we de elkaar tegensprekende verklaringen in de Bijbel met betrekking tot Salomo verklaren? Wel, alleen al vanuit een historisch en etnologisch gezichtspunt is dat vrij eenvoudig, want op basis van zuiver exoterische lijnen is er helemaal niets vreemds aan de ‘verafgoding’ van Salomo en zijn verering van andere goden. Dezelfde kenmerkende draad liep door alle omringende volkeren, zoals in Israël en de respectievelijke aanbiddingen, de goden en godinnen die allemaal nauw met elkaar waren verbonden en waren ontleend aan dezelfde Babylonische denkbeelden die onder verschillende namen opduiken: Blavatsky laat de overeenkomst zien van de mysteriegoden van de Feniciërs, Chaldeeën en Israëlieten (SD 2:3). De goden en godinnen van de landen die de joden omringden waren in theologisch opzicht allemaal met elkaar verbonden en laten aspecten of vermengingen van hetzelfde basale idee zien. En, zoals ze werden aanbeden door het volk, waren het allemaal varianten van exoterische vormen, lagere versies van het oorspronkelijke denkbeeld waarop elke grote theogonie en kosmogonie werd opgebouwd (vgl. SD 2:535 et seq).

Voor wat betreft de 700 vrouwen en 300 concubines van Salomo zijn deze ...

niet meer dan de verpersoonlijkingen van de eigenschappen van de mens, gevoelens, passies en zijn verschillende occulte vermogens: de kabbalistische getallen 7 en 3 laten het duidelijk zien. Bovendien was Salomo zelf simpelweg het embleem van Sol — de ‘ingewijde van de zon’ of de Christus-zon, die een variant is van de Indiase ‘Vikarttana’ (de zon) ontdaan van zijn stralen door Visvakarman, zijn priester-inwijder, die voor inwijding de gouden stralen van de Chrestos-kandidaat afscheert en dan kroont met een donker, zwart aureool — de ‘doornenkroon’. (Zie De geheime leer voor een volledige uitleg.) Salomo is nooit een levend mens geweest. Zoals hij wordt beschreven in Koningen vormden zijn leven en werken een allegorie van de beproevingen van inwijding. (BCW 10:162-3n)

Salomo de Wijze is een voorbeeldfiguur en het legendarische verslag van zijn leven, zijn wijsheid en glorie, de verleidingen en duidelijke val, vormen een variant van de overgeleverde geschiedenis van bepaalde wijzen die zijn terug te vinden in elke wereldreligie. Zelfs als we erkennen dat een koning met de naam Shelomoh (Shlomoh) over Judea en Israël heeft geheerst zijn het bijbelse verhaal en de vele overleveringen van zijn leven een allegorische weergave van een inwijding.

*Josephus, De oude geschiedenis van de Joden, boek 8, hfst. 2, §5.
OV: In het Engels, waarin Blavatsky schreef, is de verbinding met met het Engelse ‘Solomon’ duidelijker zichtbaar.

Sama

(Sanskriet) Ook SamanŚama, Śāman [van de werkwoordstam śam rustig zijn, kalm, berustend]

Rustig, kalm, gelijkmoedig, passieloos, bevrijd van alle illusies van het bestaan, de vijfde van de acht bhava-pushpa’s (bloemen van het zijn) van het boeddhisme: liefdadigheid, zelfbeheersing, onpersoonlijke liefde, geduld, onzelfzuchtige toewijding, meditatie en waarachtigheid. Door de beoefening van de acht bloemen weet sama de overwinning te behalen en uiteindelijk zichzelf te bevrijden van alle vormen van mentale en psychologische opwinding.

Sama-Veda

(Sanskriet) Sāma-Veda

De Veda van gezangen (samans). Een van de drie voornaamste Veda’s. Veel van de hymnen van de Rig-Veda kunnen worden teruggevonden in de Sama-Veda, die is aangepast om beter gezongen te kunnen worden, vooral tijdens de soma offer-ceremoniën. De ritmes waarin volgens de rangschikking van de verzen van de Sama-Veda moet worden gezongen, worden in een speciaal werk gegeven.

De Sama-Veda zou mystiek gezien van de zon zijn gekomen, of daardoor zijn geïnspireerd. Hindoeïstische kenners van de Veda’s zeggen dat deze Veda verwijst naar de pitri’s (voorouders), terwijl de Rig-Veda zich focust op de goden en de Yajur-Veda op mensen.

Samadhana

(Sanskriet) Samādhāna [van sam-ā-dhā samenstellen, herstellen]

Alle beginselen van de constitutie van een mens bij elkaar genomen in een enkelvoudige eenheid, waarmee die persoon als een entiteit of wezen als een eenheid in de werkelijkheid van atman wordt opgenomen.

Die toestand waarin een yogī niet langer kan afdwalen van de weg van spirituele vooruitgang. Wanneer al het aardse, behalve het zichtbare lichaam, voor hem heeft opgehouden te bestaan. (TG 286)

Het is een zuiver religieuze meditatie en een diep intellectueel opgaan in, en een contemplatie van, zuivere geest.

Samadhi

(Sanskriet) Samādhi [van sam met, samen + ā naar + de werkwoordstam dhā plaatsen, brengen]

Leiden naar, het samenbrengen of richten van de mentale vermogens of zintuigen op één onderwerp. Zelfbewuste vereniging met de spirituele monade door een intense en zeer diepe spirituele contemplatie of meditatie. Het betekent ...

de volledige onttrekking van het waarnemende bewustzijn aan alle wereldse zaken of zelfs mentale zorgen of eigenschappen, en ... wordt dan het zuivere onvervalste, onvermengde superbewustzijn van de god van binnen ... Samadhi is het achtste of laatste stadium van ware occulte yoga en kan op elk gewenst moment door een ingewijde worden bereikt zonder bewust gebruik te hoeven maken van de andere fasen of oefeningen van yoga die in Oosterse werken worden genoemd, terwijl die andere en inferieure oefeningen vaak misleidend en in sommige gevallen overduidelijk schadelijk zijn, zijn zij op zijn best niet meer dan steuntjes of hulpmiddeltjes voor het bereiken van volledige mentale onttrekking aan wereldse zaken. (OG 150-1)

De zoeker die tracht samadhi te verwezenlijken wordt zo goed als alwetend voor wat betreft zijn zonneheelal, omdat zijn bewustzijn actief is in spirituele en oorzakelijke kosmische werelden.

Bodhi (verlichting) is een bijzondere toestand van samadhi waarin het subject het hoogtepunt van spirituele kennis bereikt. Samadhi is de hoogste toestand op aarde die kan worden bereikt vanuit het lichaam. Zijn hoogste stadium of graad wordt turiya genoemd. Om nog hoger te kunnen komen moet de ingewijde een nirmāṇakāya zijn geworden.

Samadhindriya

(Sanskriet) Samādhīndriya

De wortel van meditatie, het orgaan van meditatie ...

De vierde van de vijf wortels genaamd pancha indriyani, die volgens de esoterische filosofie de hulpmiddelen zijn voor het ontwikkelen van een zeer moreel leven en zullen leiden tot heiligheid en bevrijding. Wanneer deze zijn bereikt zullen de twee spirituele wortels die nog latent in het lichaam sluimeren (atma en buddhi) hun loten uit laten lopen en gaan bloeien. Samadhindriya is het orgaan van extatische meditatie bij raja yoga-oefeningen. (TG 286)

Samaël

(Hebreeuws) Sammā’ēl

In de Hebreews-Chaldeeuwse Kabbalah is hij de Prins van Duisternis, de Engel van de Dood of het Gif en heerst over zeven verblijfplaatsen met de naam Sheba‘ Ha-yechaloth, wat gebieden van onze bol zijn. Toch zijn deze zeven verblijfplaatsen of helse gebieden de lagere zeven van de tien graden die de woonplaatsen zijn van de wezens die de vierde of laagste wereld van de Kabbalah bewonen, waarvan Samaël wordt geacht de hiërarch of prins te zijn. Deze vierde of laagste wereld van de klippoth (schillen) is onderverdeeld in tien graden die de laagste hiërarchie van het kabbalistische stelsel vormen en komt overeen met de tien sefiroth. Deze tien gebieden van de wereld van de schillen worden opnieuw onderverdeeld in drie hogere of relatief onstoffelijke en zeven lagere, stoffelijke of helse sferen; en van deze zeven zou Samaël de hiërarch of heerser zijn. De Talmoed verklaart echter dat ...

de boosaardige Geest, Satan en Sama’el de Engel des Doods, dezelfde zijn. (Rabba Batra, 16a)

... en Samaël wordt daarin ook gelijk gemaakt aan de bijbelse slang van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. Hij wordt ook de hoogste van de Draken van het Kwaad genoemd en wordt onder de mensen verantwoordelijk gehouden voor de hete en verschroeiende woestijnwind — de simoom. Samen met Lilith wordt hij gezien als het Boosaardige Beest (hiwyai’ bisha’).

Aldus is Samaël ...

het duistere aspect van de logos — (die ) alleen de schors van die boom bewoont, en alleen de kennis van het KWADE heeft. (SD 2:216n)

... dat wil zeggen, de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. Wanneer Blavatsky de Hebreeuwse termen verklaart zoals die in de theosofische zevenvoudige onderverdeling van de menselijke beginselen worden gebruikt, is Samaël gelijk aan kama, de zetel van begeerte en emotionele energie (SD 2:378). Toch is er ook een ander aspect aan Samaël:

In het ‘Chaldeeuwse Boek van de Getallen’ is Samaël de verborgen (occulte) wijsheid en Michaël de hogere aardse wijsheid; beide vloeien voort uit dezelfde bron, maar gaan uiteen na hun ontstaan uit de wereldziel, die op aarde mahat (verstandelijk inzicht) of manas (de zetel van het intellect) is. Ze gaan uiteen, omdat de ene (Michaël) wordt beïnvloed door neshamah, terwijl de andere (Samaël) onbeïnvloed blijft. Deze leer werd verminkt door de dogmatische geest van de kerk die, omdat zij een afschuw heeft van de onafhankelijke geest die niet wordt beïnvloed door de uiterlijke vorm (en dus door het dogma), van Samaël-Satan (de wijste en de meest spirituele geest van alle) onmiddellijk de tegenstander maakte van haar antropomorfe God en van de zintuiglijke stoffelijke mens, de DUIVEL! (SD 2:378)

Precies zoals alle andere kosmische krachten of energieën is Samaël duaal of tweevoudig en bezit in zijn hogere aspecten goddelijke en in zijn lagere aspecten stoffelijke of helse eigenschappen. Op dezelfde manier is kama niet alleen in de natuur maar ook in de mens een abstract en onpersoonlijk natuurlijk beginsel met een goddelijke en een stoffelijke kant en is daarom in essentie noch goed noch slecht vanuit een menselijk standpunt gezien, maar wordt dat wanneer het wordt gebruikt of misbruikt door het denken van de mens.

Zie ook Shemal

Samajna

(Sanskriet) Samājña

De verlichte. Een naam van de Boeddha. De beroemde vihara bij Kustana (China) wordt de Sangharama-Samajna (het klooster van de verlichte wijze) genoemd. Ook geschreven als Samadjna.

Saman

(Sanskriet) Sāman

Een bijzondere vorm van een heilige tekst of vers bedoeld om te worden gezongen — een van de vier compositie-vormen van de Veda’s.

Zie ook Sama-Veda

Samana

(Sanskriet) Samāna [van sam samen + de werkwoordstam an ademen, blazen]

De stroom van vitaliteit, de levensadem of levensstroom die de chemische processen in het lichaam verplaatsen en verband houdt met de spijsvertering en stofwisseling. Een van de prana’s of levenswinden die het gemanifesteerde voertuig bouwt en voedt. Zijn zetel in het lichaam is de buikholte.

Zie ook Udana

Samanera

(Pali) Sāmaṇera

In het boeddhisme is een samanera een novice, een beginner.

Samantabhadra

(Sanskriet) Samantabhadra

De universele wijze, de zeer veel belovende. Een bijnaam van Gautama Boeddha en ook van één van de vier bo­dhi­satt­va’s van de yogacharya-school van de mahayana-filosofie. Een yogacharya-legende zegt dat er drie hemelse en vier aardse bo­dhi­satt­va’s zijn, wat een verwijzing is naar de hogere triade en het lagere viertal van de zeven menselijke beginselen. De vier aardse bo­dhi­satt­va’s handelen alleen in de huidige rassen, toch is er in het midden van het vijfde wortelras een vijfde aardse bo­dhi­satt­va verschenen, de boeddha­ Siddhartha-Gautama. Men zegt dat hij iets voor zijn cyclische tijd verscheen en verplicht was lichamelijk voor enige tijd uit de wereld te verdwijnen. De vier aardse bo­dhi­satt­va’s verwijzen naar de vier ronden die tot op heden in onze huidige planeetketen zijn verschenen — drie ronden zijn voltooid en de vierde is voor de helft afgerond. De genoemde drie hemelse bo­dhi­satt­va’s hebben betrekking op de spirituele krachten of vermogens van de drie ronden die nog moeten komen — de vijfde, de zesde en zevende ronde. Deze bo­dhi­satt­va’s wachten in hemelse sferen op hun beurt om hun plaats in te nemen in de zevenvoudige lijn van kosmische leraren. Wanneer zij dan op aarde verschijnen worden zij aardse bo­dhi­satt­va’s hoewel zij niettemin hemels of transcendent blijven — zoals de vier bo­dhi­satt­va’s die al eerder zijn verschenen.

Samantaprabhasa

(Sanskriet) Samantaprabhāsa

Universele of volmaakte schittering. Volgens een boeddhistische legende is dit de algemene naam waaronder ieder van de 500 volmaakte arhats opnieuw op aarde zullen verschijnen als individuele boeddha­’s.

Samanya

(Sanskriet) Sāmānya

Als een zelfstandig naamwoord is het dat wat gewoon is, algemeen, universeel. Iets gemeenschappelijks of de vermenging van kwaliteiten. Ook een abstract idee van een soort, zoals de mensheid. Als een bijvoeglijk naamwoord: bevattende, gehele, totale, algemene of universele, ook tegengesteld aan iets specifieks of bijzonders.

Samanya-sarira

(Sanskriet) Sāmānya-śarīra [van sāmānya geheel, totaal, bevattend + śarīra lichaam, voertuig]

Het bevattende lichaam of voertuig. Verwijst naar de elementen waarin de verschillende menselijke beginselen actief zijn — die aldus upadhi’s worden wanneer zij worden gezien als een eenheid. Het is het totaal van elementen in de menselijke constitutie die het licht van atma-buddhi doorgeven, de spirituele monade. Het is het licht van deze spirituele monade die het totaal van de elementen van de menselijke constitutie (samanya-sarira) passeert en het licht van de Logos wordt genoemd, voor zover het de mens betreft. De Logos staat hier voor individuen.

Samanya’s

(Sanskriet) Sāmanya’s

Brahmanen die thuis zijn in de Sama-Veda en hebben geleerd hoe de heilige hymnen moeten worden gezongen en worden gereciteerd.

Samapatti

(Sanskriet) Samāpatti [van sam-ā-pad verder ontwikkelen tot een volmaakte voltooiing, van de werkwoordstam pad gaan, vooruitgang]

In het boeddhisme staat het voor een afdeling van de vierde fase van abstracte meditatie (er zijn acht samapatti’s). Het is de ‘volmaakte concentratie’ van het raja yoga-stelsel van occulte training, een toestand van intellectuele, spirituele en psychologische ontplooiing waarin meditatie een visie wordt en dan volgt volmaakte onverschilligheid voor dingen van deze wereld. Dit zou de laatste graad van ontwikkeling zijn waarna — als die is verwezenlijkt — de mogelijkheid om samadhi in te gaan volgt.

Samaritanen

Een Semitische stam die in een besloten deel van centraal Palestina ten westen van de Jordaan leefde.

Het waren Hebreeën met een eigen bijzonder geloofsstelsel en misschien zelfs praktijken. Zij volgden Josephus en het Nieuwe Testament. Samaritanen slaat ook op dat deel van de Israëlieten dat zichzelf beschouwde als afstammelingen van de tien stammen van Israël en beweerden de orthodoxe religie van Mozes in hun handschriften van de Pentateuch in bezit te hebben. Maar de Samaritanen beschouwden de joodse tempel net als het joodse priesterambt als een losgeslagen deel van de orthodoxe wet van Mozes die zij vertegenwoordigden. Zij verklaarden verder dat de berg Gerizim, die zich over Shechem uitstrekt, het ware heiligdom van God is en niet Zion.

Het beeld dat in het Westen van de Samaritanen bestaat laat een meedogend, humaan mens zien, zoals in de goede Samaritaan, dat is gebaseerd op de parabel in het Nieuwe Testament (Lucas 10:30-37).

Samavaya

(Sanskriet) Samavāya [van sam samen + ava neer + de werkwoordstam i gaan]

Samenkomen, elkaar ontmoeten. Een menigte, samenkomst, vergadering, enz. In een filosofische betekenis de eeu­wi­ge samenhang of een innerlijke of intieme band — een van de zeven padartha’s of categorieën van het Vaiseshika-stelsel van Kanada. De band die bestaat tussen een stof en zijn kwaliteiten, of tussen een geheel en zijn delen, bijvoorbeeld de band die er is tussen een stuk stof en de draden die het samenstellen. Blavatsky vergelijkt de zeven padartha’s met de zeven kwaliteiten van de zeven beginselen.

Samaya

(Sanskriet) Samaya [van sam samen + de werkwoordstam i (aya) gaan]

Een samenkomst, een ontmoeting, een verdrag, overeenkomst. Ook conventie, wet, regel, praktijk, leer, doctrine. In een religieuze betekenis een gewone rituele godsdienstoefening of religieuze taak, in combinatie met de van toepassing zijnde leringen of instructies.

Samba

(Sanskriet) Sāmba, Śāmba

De vermaarde zoon van Kṛishṇa en Jambavati. Volgens de esoterische traditie had Kṛishṇa helemaal geen zoon, Samba is het symbool van een bepaalde kracht van Kṛishṇa. Door de vloek van enkele heilige wijzen was Samba veroordeeld om een kind te krijgen in de vorm van een verschrikkelijke ijzeren knuppel voor de vernietiging van het ras van de Yadu. Samba bracht vervolgens een ijzeren knuppel tevoorschijn die met groot geweld kapot werd geslagen en in zee werd geworpen. Maar één deel kon niet worden verbrijzeld en dat werd later in de buik van een vis aangetroffen en gebruikt als de punt van een pijl door de jager Jaras (ouderdom) om onbedoeld Kṛishṇa te doden.

De moraal van het verhaal laat zien dat de ouderdom alle dingen inhaalt en die samenbrengt. Ons toekomstig karma vloeit voort uit ons emotionele en mentale nageslacht en vroeg of laat haalt dat ons in door tijd of ouderdom. De ijzeren knuppel kan de slagen van het lot voorstellen, gebaseerd op kama waarvan ijzer vaak een symbool is. We kunnen proberen de gevolgen van onze gevoelens en gedachten te vernietigen, maar er zal altijd een klein deel overblijven dat niet vernietigd kan worden en dat is het zaad van het toekomstige lot, tenminste voor wat betreft ons lagere zelf.

Śambhala

(Sanskriet) Ook ShambhalaŚambhala

Een mystieke en onbekende plaats die in de Purāṇa’s en elders is genoemd en waarvandaan te zijner tijd de Kalki-avatara van Vishṇu zal verschijnen. Soms geschreven als Shambala. Boeddhisten zeggen dat uit Śambhala de volgende boeddha­, Maitreya, zal komen. Śambhala ...

is een bestaand land of streek, zetel van de grootste broederschap van spirituele adepten, van grote heiligen en zieners. Het is het geheime thuis van de broederschap van de theosofische mahātma’s en hun leiders. Uit Śambhala komen op bepaalde momenten in de geschiedenis van de wereld, of nauwkeuriger gezegd ons eigen vijfde wortelras, de boodschappers of afgezanten van de Grote Broederschap voort die vertakkingen of lagere loges kent in verschillende delen van de wereld, maar Śambhala is het Centrum of de Hoogste Loge. We kunnen het voorzichtigheidshalve localiseren in ... een weinig bekend en afgelegen gebied van de hoge tafellanden van Centraal-Azië, meer in het bijzonder wat nu Tibet wordt genoemd. Er kunnen veel vliegtuigen overheen vliegen zonder het te ‘zien’, want zijn grenzen worden heel goed bewaakt en beschermd tegen invallen en dat zal worden voortgezet totdat de karmische bestemming van ons tegenwoordige vijfde wortelras een verandering van plaats inhoudt naar een andere plek op aarde, die op zijn beurt dan net zo goed zal worden bewaakt als Śambhala nu. (OG 152)

Sambhogakaya

(Sanskriet) Sambhogakāya [van sambhoga samen genieten, verrukkelijke deelname + kāya lichaam]

Participerend lichaam. De tweede van de trikaya (drie glorieuze bekleedselen) van het boeddhisme, de hoogste is het dharmakaya en de laagste het nirmāṇakāya. Een boeddha­ in de toestand van sambhogakaya behoudt zijn individuele zelfbewustzijn en gevoel van egoïteit en is in staat tot op een bepaalde hoogte bewust te zijn van de wereld van mensen met zijn verdriet en ellende, maar heeft weinig kracht of voelt weinig behoefte om hulp te bieden.

Zie ook Trikaya; Trisarana; Trailokya

Sambhu

(Sanskriet) Śambhu [van śam voorspoedige, gelukkige + bhu wezen, bestaan]

Weldadig, gelukbrengend, vriendelijk, een titel die aan veel hindoegoden is gegeven.

Śaṅkarāchārya bespreekt in zijn Saundarya-lahari het licht waarin de Logos zijn opwachting maakt als ‘het lichaam van Sambhu’ (N on BG 76).

Sambhuti

(Sanskriet) Sambhūti

Combinatie, wat samenvalt, vereniging. Een van de dochters van Daksha en partner van Marichi (licht, licht-monade), de vader van de agnishvatta’s.

Samika

(Sanskriet) Śamīka

In het Vishṇu-Purāṇa vertelt Parasara aan zijn discipel Maitreya dat aan het einde van het kaliyuga Maitreya aan Samika de hele Purāṇa zal onderwijzen zoals het net aan hem is verteld. Vandaar dat Samika een of andere wijze moet voorstellen die in de verre toekomst zal verschijnen.