© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Stille Wachters

De Stille Wachters zijn de zeer ver gevorderde spirituele entiteiten die de top van een spiritueel-psychologische hiërarchie vormen met wezens die rechtstreeks onder hun inspiratie en leiding staan.

Elke hiërarchie, hoog of laag, heeft een Stille Wachter als zijn eigen allerhoogste hoofd.

Er zijn menselijke ‘Stille Wachters’ en er is een ‘Stille Wachter’ voor elke bol van onze planeetketen. Er is precies zo’n zelfde soort Stille Wachter van het zonnestelsel maar in een enorm veel hogere toestand of niveau ... Hij is er een die door evolutie zo goed als alwetendheid heeft bereikt of volmaakte kennis van alles dat geleerd kan worden in welke sfeer van de kosmos dan ook, en in plaats van zijn evolutionaire weg naar nog hogere gebieden te vervolgen, blijft hij om de massa’s van minder ver gevorderde entiteiten die achter hem aan komen te helpen. Zo blijft hij achter, om zijn zelfopgelegde taak uit te voeren, te wachten en te waken, te helpen en te inspireren, voor zover het ons mensen betreft, in de grootste stilten van spiritueel mededogen ... Hij kan niets meer leren van de bijzondere sfeer van leven waar hij doorheen is gegaan en de geheimen die hij in zijn geheugen bewaart. Want voorlopig en eeuwen lang heeft hij elke individuele evolutie voor zichzelf afgewezen, zuiver en alleen uit medelijden en groot mededogen met hen die onder hem zijn. (OG 156)

Zie ook Het wonderlijke wezen

Stilte

Stilte wordt net als duisternis en ruimte gebruikt als poging om het on­uit­sprekelijke tot uitdrukking te brengen.

Voor ons denken schijnen zij vaak negatieve kwaliteiten, maar als we normaal gesproken ‘stilte’ de afwezigheid van geluid noemen, is het ook mogelijk om geluid de afwezigheid van stilte te noemen. Een grondregel vraagt ons de volheid van de schijnbare leegte te leren kennen, het lege van een schijnbare volheid, en wanneer we dit toepassen kunnen we stilte als een machtige positieve kracht beschouwen en niet alleen maar als een leegte. Stilte is dat waarin geluid tot manifestatie is gekomen; het is de drager van geluid, het verdragen van geluid. Het betekent de rust van alle zintuigen, zowel van buiten als van binnen. Voor de persoonlijke mens kan zo’n stilte een on­uit­sprekelijke verschrikking schijnen of een ring-verder-niet, maar die moet worden overwonnen als hij de verhevenheden die daar voorbij liggen wil bereiken.

Al deze woorden zijn in een mystieke zin gebruikt: dus wat stilte voor onze oren kan zijn en op hogere gebieden een stilte voor onze ziel is, kunnen in welke vorm dan ook hemelse harmonieën zijn die onze grovere natuur niet kan ontvangen.

De eerste gnostici zeiden op een mystieke manier dat de gnosis berust op een vierkant waarvan de hoeken stilte (sige), diepte (bythos), goddelijk denken (nous) en waarheid (aletheia) zijn. In het stelsel van Simon Magus wordt die ene wortel waaruit de aeonen voortkomen stilte genoemd. In het stelsel van Valentinus komen stilte en eeuwigdurende diepte voort uit die ene wortel: diepte. De marcosianen zagen God in vier aspecten: het on­uit­sprekelijke, de stilte, de vader en de waarheid.

De Stanza’s van Dzyan (2:2) spreken over een tijdperk waarin er noch stilte noch geluid was, want deze vormen een dualiteit. Voor dit alles was er een kosmische eenheid.

Stoicheia

(Grieks) [meervoudsvorm van stoichos een rij stappen, opeenvolging van gelijksoortige zaken]

Eerste beginselen, elementen zoals die zijn gebruikt door Plato en Aristoteles. Stoicheia werd gebruikt door Griekse natuurkundigen voor de eerste en eenvoudigste samengestelde delen maar ook voor de elementen van een wetenschap of de punten, lijnen en vlakken van de geometrie, of voor de tekens van de dierenriem van de astrologie. Stoicheia komt ruwweg overeen met de gebieden, graden of stadia van een kosmische hiërarchie — de graden of afdelingen van het ene ongedeelde goddelijke element. Toch wordt hier niet de grenzeloze oneindigheid bedoeld, maar de top van een kosmische hiërarchie of universum.

Stoïcijnen

[van stoa een zuilengang in Athene waarin Zeno zijn school had en onderricht gaf]

Het stoïcisme is het best bekend als een groot ethisch stelsel. Het was erop gericht wijsheid praktisch te maken, het plaatste deugd boven het uiterlijke, lichamelijke of sociale geluk als een ideaal waarop men gefocust moet zijn en zowel zijn wachtwoord als consequente doel was: plicht.

Hoewel die in de vorm waarin die nu bekend is in Griekenland is ontstaan, waren zijn kwaliteiten beter aangepast aan de Helleense dan aan de zuiver Griekse wensen, en vooral aan de Romeinen van het grote Rijk met hun zwaarmoedige temperament en de onderwerping van het individu aan de Staat. Wat betreft Griekenland leidt het spoor van zijn praktische instelling naar de invloed van Socrates en de cynici, maar het ontving ook Aziatische invloeden van zijn stichter (Zeno, 4de eeuw v. Chr.), die daar zijn wieg had staan.

De stoïcijnen erkenden een allerhoogste en een met alles harmoniërende godheid, met een hiërarchische aard en diverse lagere goden en de eenheid van de mens met de natuur en van de natuur met zijn goddelijkheid. Deze goddelijkheid was echter geen persoonlijke god maar een kosmische geestelijke oorsprong, gezien als slechts één van talrijke andere in de grenzeloze gebieden van de onbegrensde ruimte. Het stoïcisme zag in de mens het bestaan van wijsheid en een wil waarmee hij kon trachten de afleidingen van de lagere krachten te overstijgen en het ideaal van de harmonie met de natuur te realiseren met het daaruit voortvloeiende resultaat: gelijkmoedigheid.

Dit verheven stelsel is het waard om als een deel van de uitstroom van oude wijsheid genoemd te worden en kan de religie van de Romeinse wereld worden genoemd aan het begin van het ontstaan van het Romeinse Rijk. Zelfs het christelijke sektarisme geeft toe dat het heidendom onder de stoïcijnen een van zijn grootste hoogten van ethisch idealisme heeft bereikt. En het heeft zijn trillingen golf na golf in de daarop volgende eeuwen doorgegeven tot aan het transcendentalisme en het ‘nieuwe denken’ van onze tijd.

Stonehenge


Plattegrond van Stonehenge uit 2004. Volgens Cleal et al. en Pitts. Triliton lateien zijn vanwege helderheid weggelaten. Gaten die niet langer bestaan, of nooit stenen hebben bevat worden getoond als open cirkels. Stenen die er vandaag nog staan worden met een kleur weergegeven.

Stonehenge is het beroemde megalitische bouwwerk op de Salisbury Plain, Engeland, de mooiste prehistorische resten van dat land die nu de status hebben van nationaal monument.

De grotere stenen zijn rond 5 1/2 meter hoog en wegen elk zo’n 20 ton. Er zijn twee concentrische ringen: een buitenste ring, die nu helaas wordt onderbroken door breuken en verstoringen en die zo’n 30 meter in doorsnede is en bestaat uit rechtopstaande stenen met enkele horizontaal erbovenop geplaatste stenen. Oorspronkelijk moet het een ononderbroken cirkelvormig bouwwerk zijn geweest. De binnenste ring heeft tegenwoordig geen lateien meer. Daarbinnen bevindt zich een hoefijzervormige opstelling van grote trilieten en monolieten en daarbinnen een andere hoefijzervorm van kleinere stenen. In het midden staat een groot rotsblok dat het altaar wordt genoemd. Buiten, met de blik gericht op het altaar en de openingen van de hoefijzervormen, staan de twee buitenste stenen, waarvan sommigen denken dat die de plaats markeren van de zonsopkomst ten tijde van de zomerzonnestilstand van rond 1680 v. Chr. Enkele van de stenen, inclusief die van het altaar, werden van een grote afstand aangevoerd, wat een enorme vakkundigheid en een logistiek hoogstandje moet zijn geweest.

Stonehenge wordt in De geheime leer genoemd in verband met overleveringen van mensen met grote vermogens en groot van postuur. Er wordt gedoeld op ingewijde priesters uit het oude Egypte die over droog land reisden wat nu het Britse Kanaal is, om toezicht te houden op de bouw van ‘menhirs en dolmens, van kolossale dierenriemen in steen’ (SD 2:750). De moderne geologie dateert het verschijnen van het Kanaal op zo’n 8000 jaar geleden zodat communicatie met het continent toen nog mogelijk moet zijn geweest. Overblijfselen van de Badarische cultuur van Neder-Egypte van 14.000 jaar geleden laten zien dat de mensen van die tijd voldoende ontwikkeld waren om goed aardewerk te maken en men droeg linnen kleding.

Megalitische monumenten die min of meer lijken op die van Stonehenge zijn wijd verspreid op aarde te vinden, zelfs op de ruige Triobrand-eilanden (of Kiriwina-eilanden) bij Nieuw-Guinea. Om te weten te komen waarom zulke bouwwerken werden neergezet zouden we veel meer informatie moeten hebben over wie de feitelijke bouwers waren, wat hun ideeën waren en wat ze voor ogen hadden naast talloze andere voorwaarden. Het onderwerp hoort bij wat wordt gezegd over een verloren wetenschap die gebruik kon maken van de normaal latent aanwezige en magische eigenschappen van stenen.

Straal

[van Engels ray, Latijn radius stok, staf, bundel, straal]

Een straal kan een onbepaald dunne draad van gebundeld licht zijn of een of andere vorm van stralende energie, bestaande uit golven of een straling die zich in een rechte lijn en met een bepaalde snelheid voortplant. Het figuurlijke gebruik van het woord moet ons niet blind maken voor het feit dat alles dat een stoffelijke vorm heeft, zijn voorbeeld op een hoger gebied heeft.

Zoals onze zon een groot aantal stralen van vele verschillende soorten uitzendt en er door het hele zonnestelsel heen uitwisselingen van straling plaatsvinden en plaatselijk op elke planeet, zo worden er stralen door het hele heelal heen geëmaneerd, op al zijn zichtbare en onzichtbare gebieden en die zijn de geestelijke, intellectuele en fohatische en leven-schenkende krachten — in mystiek opzicht is elk afzonderlijk geval een soort Mercurius, die op zijn vleugels de berichten van de goden draagt.

Zie ook hieronder Straling

Straling

Straling kan in het algemeen de uitzending van levensenergieën of de diverse soorten uitstromingen of producties van energie worden genoemd die radiaal uit een centrum naar buiten komen.

Het is dus een woord voor het gehele kosmische proces van de vorming van werelden, de voortbrenging van de velen uit de ene, het overgaan van eenheid in onmeetbare diversiteit en meervoudigheid. Er zijn de stralingen van de tien of twaalf solaire logoi die uit het hart van de zonneketen door het gehele uitgebreide rijk van de zon stromen, die zich concentreren in de verschillende lichamen van de planeten en die doordringen, wat de werkwijze van het algemene beginsel van straling illustreert.

Volgens de theosofische leringen is de fysieke stof gecondenseerd licht, zoals ook experimenteel is vastgesteld. Het mag duidelijk zijn dat het terrein van emanatie van de ontelbare aantallen vormen van levensenergie op alle gebieden van de kosmos erg groot is en dat in dit verband de woorden fohat, licht, leven, elektriciteit enz. worden gebruikt. Deze stralingen kunnen als een zevenvoudig, tienvoudig of twaalfvoudig stelsel worden geclassificeerd wanneer we spreken van de zeven, tien of twaalf stralen van de zonnelogos.

Zie ook hierboven Straal

Stremsel

Het woord stremsel wordt gebruikt bij de evolutie van een universum en staat voor de eerste differentiatie van de manifesterende kosmische of oorspronkelijke stof in zijn eerste verschijnende vormen.

Astronomisch gezien zijn de vlokken onontleedbare nevels (die soms overeenkomen met de opvattingen van oude Europese astronomen) de Melkweg. De oerstof, fundamenteel en koel, raakt bij het opnieuw ontwaken van kosmische beweging over de ruimte verspreid. Het verschijnt in zijn eerste gedifferentieerde vormen in clusters en klompen, zoals vlokken in wei. Zij zijn de kosmische zaden van toekomstige werelden en wereldstelsels. Deeltjes van de vlokken worden kometen en vervolgens sterren (de centra van wervelingen) of zonnestelsels met hun individuele zon en planeten.

Zie ook Het karnen van de oceaan

Striges

(Latijn, van Grieks) Ook strygis

Een kerkuil of een andere nachtelijke roofvogel. Gebruikt in de klassieke mythologie voor een soort vampier die het bloed van kinderen opzoog. Een duidelijke mythologische verwijzing naar astrale entiteiten die min of meer aan de aarde gebonden zijn en die bij tijden zelfs fysiek contact kunnen maken met mensen of ze nu jong of oud zijn en die in een toestand van negatieve ontvankelijkheid verkeren. Komt overeen met de piśācha van de hindoes.

Strijdwagen

Voertuig (vgl. Sanskriet vahana, Hebreeuws merkhabah).

De Zohar verklaart dat het ’eyn soph het Ene als zijn strijdwagen gebruikt, de gemanifesteerde Hemelse Mens. Maar omdat ’eyn soph het Grenzeloze is, kan het niet een individuele band met wat dan ook hebben. Het zijn de stralen uit de diepte of bythos van ’eyn soph die de Hemelse Mens als zijn strijdwagen gebruikt. Het is de ongemanifesteerde Logos of Brahman die de gemanifesteerde Logos of Brahmā als zijn voertuig gebruikt.

De term strijdwagen wordt ook gebruikt als een verwijzing voor de zichtbare planeten als voertuigen van planetaire goden, zoals bijvoorbeeld de strijdwagen van Apollo of Phoebe en de negen strijdwagens van de sterren rond Dhruva, de poolster. Op soortgelijke wijze wordt het menselijk lichaam de strijdwagen van de innerlijke menner genoemd, die de werkelijke persoon of het ware ego is.

Stroperige aarde

Voornamelijk van toepassing op de half-astrale materie van onze aarde tijdens de derde ronde.

Maar het slaat ook op de toestand van de materie in het eerste deel van de huidige vierde ronde tijdens het eerste en tweede wortelras en het eerste deel van het derde wortelras van de mensheid, toen de aarde hoewel quasi-astraal en bijna vast, niettemin meer concreet en vast was dan de vroegste wortelrassen van de mensheid. Omdat de eerste en tweede wortelrassen veel etherischer of astraler* waren dan de aarde, kunnen er tegenwoordig geen fossielen worden gevonden van deze eerste mensheden; de eerste aantallen waren gewoonweg te etherisch om fossiele resten in de aarde achter te laten, die vaster van samenstelling was dan zij.

*OV: Zij werden ook wel puddingzakken genoemd en waren geleiachtig, als de kwallen van nu.

Stupa

(Sanskriet) Stūpa

Een monument met een conische vorm. Soms een koepel, die in India en Sri Lanka bovenop de relikwiën van de Boeddha of van arhats of van andere grote mensen, is geplaatst.

Sub-astraal

De lagere delen van de astrale gebieden, of die nu van het zonnestelsel zijn of tot de constitutie van een levend mens behoren.

Het astrale licht is onderverdeeld in een aantal graden en genoemd als zeven, tien of twaalf in aantal. Meer in het algemeen bestaat het astrale uit drie vormen — het hoogste astrale, het middelste astrale en het laagste of sub-astrale.

Sub-element

Sub-elementen zijn secundaire elementen die worden afgeleid van ouderelementen die voor hun primair zijn, zoals de stoffelijke elementen in relatie tot hun ultrastoffelijke primaire elementen.

Of chemische elementen waarvan is bewezen dat zij afkomstig zijn uit eenvoudiger elementen. In dit opzicht zijn de sub-elementen samengesteld uit meer elementen en minder eenvoudig dan de elementen. Het voorvoegsel wijst eerder op een lagere orde dan op een onderliggende essentie.

Sub-fysieke rijken

De drie rijken van elementalen, natuurrijken van ontluikende en relatief bewuste maar niet zelfbewuste krachten van entiteiten. In evolutionaire ontwikkeling komen zij eerder dan het mineralenrijk als het gaat om de reeksen van evolutionaire levensgolven.

Subhava

(Sanskriet) Subhāva

Zijn. De zelfvormende essentie, die hetzelfde is als svabhāva (de typische individualiteit). Het is de geest in de substantie, of de essentie van de entiteit die zijn noumenale en fenomenale verschijningen regelt.

In de filosofieën van de Vedānta en Vyaya: nimitta, doelmatig en upadana, de stoffelijke oorzaken die samen eeuwig in subhava bestaan. Zegt een sloka in het Sanskriet: ‘Meest waardige van asceten, door zijn macht, [die van de ‘doelmatige oorzaak’] ontstaat elk geëmaneerd of ontwikkeld ding door zijn eigen passende karakter’. (TG 310)

Subjectiviteit

Subjectief zou kunnen slaan op ‘wat’ of ‘waar’ dan ook maar naar verwezen wordt door het denkende subject, de ego, het objectieve of op het voorwerp waaraan wordt gedacht, het niet-ego.

Subjectief en objectief zijn van elkaar afhankelijk, zij hebben alleen betekenis als ze met elkaar zijn verbonden. Subjectief en objectief drukken een relatie uit tussen de handeling van het waarnemen en het ding dat wordt waargenomen. Tot op een bepaalde hoogte corresponderen de twee woorden met denkvermogen en materie, maar delen van het denken kunnen zelf objecten worden van een hoger waarnemend subject. Moderne idealisten zeggen dat de samenwerking van subject en object resulteert in het zintuiglijke object of het fenomeen, maar geldt niet voor alle andere gebieden dan die van de zintuigen. Subject en object tonen verschillen op elk gebied en dit contrast is dan de ervaring van het waarnemende ego. Maar het toppunt van alwetendheid, of kennis van het ding in zichzelf, wordt niet bereikt totdat de dualiteit of het verschil tussen subject en object oplost en overgaat in eenheid (SD 1:329, 320).

Voor het wetenschappelijke materialisme heeft het woord subjectief vaak de betekenis van ‘onwerkelijk,’ in tegenstelling tot de fysieke wereld die voor het werkelijke wordt gehouden — en dit ondanks het feit dat het een van de gemeenplaatsen van het wetenschappelijke denken is dat de fysieke wereld van alle dingen misschien wel de meest onwerkelijke entiteit is als onderwerp van wetenschap. Dus een verschijning kan soms worden beschreven als zuiver subjectief, wat zou betekenen dat in zulke gevallen een feitelijk extern object niet zou bestaan maar dat het een mentaal beeld zou zijn dat dan door het denken zelf objectief wordt beschouwd.

Subtiele lichamen

In de filosofie van de Vedānta zijn de subtiele lichamen de vijf kośa’s of omhulsels, of die nu van de kosmos, de mens of welk ander ding dan ook zijn, waar het atman als sutratman (draadzelf) doorheen gaat. In een kleiner en biologisch kader zijn het de chhaya’s (schaduwen) of astrale lichamen die door de eerste mensheid werden geëmaneerd om de voertuigen te worden voor de toekomstige mensheden. Zij die deze chhaya’s of subtiele lichamen projecteerden waren de pitri’s (vaders, voorouders).

Suchi

(Sanskriet) Śuci

Wit, zuiver, schitterend. Een van de drie verpersoonlijkte vuren, van de kosmos of van de mens, een zoon van Agni-abhimani en Svaha. Agni-Abhimani vormt met zijn drie zonen — Pavaka, Pavamana en Suchi — en hun 45 zonen, de 49 mystieke vuren van het occultisme. Suchi, het zonnevuur of saurya [van surya de zon], is de ouder van Havyavahana, het vuur van de goden. Ook een naam van Indra.

Zie ook Abhimani

Sudarsana

(Sanskriet) Sudarśana

Er knap uitzien, mooi. Het chakra of schijfvormige wapen van Vishṇu-Kṛishṇa, een vlammend wapen dat de schijf van de zon wordt genoemd. Occult gezien is het die kracht die de hoogste ingewijden en halfgoddelijke mensen, avatara’s, boeddha­’s enz. bezitten die een emanatie of uitstroming is van hun spirituele-intellectuele beginsel, ofwel buddhi-manas.

Het intellect is in zijn gladde en magische werkingen gelijk aan sudarsana (mooi om te zien) en met een immense kracht, zelfs onder mensen op ons lage gebied. Wanneer het wordt gebruikt als een machtsmiddel of ‘wapen’ door god-mensen of daarop lijkende wezens zou die vrijwel niet te weerstaan zijn.

Suddhasattva

(Sanskriet) Śuddhasattva [van śuddha zuiver + sattva goedheid]

Zuivere goedheid, werkelijkheid op zichzelf. Het is een toestand van bewuste geestelijke egoïteit of egoschap en tegelijkertijd zuivere geestelijke essentie. Wanneer het wordt beschouwd vanuit een materieel standpunt is het de bovenmateriële of ultramateriële essentie of substantie die voor ons onzichtbaar is en toch op zijn eigen gebied lichtgevend is, als het al niet het licht zelf is. Van deze stof of essentie zijn de lichamen van de hoogste dhyānī’s en goden gevormd. Het is zuivere geestelijke substantie zonder verdund of versneden te zijn met de gedifferentieerde stoffen van de lagere kosmische gebieden.

Suddhodana

(Sanskriet) Śuddhodana [van śuddha zuiver + udana water, stroom]

Zuivere stroom. De koning van Kapilavastu, vader van Gautama Boeddha. De naam is misschien later in zijn leven uit eerbied aan hem gegeven en moet wellicht het idee geven van een zuivere stroom van de geest of geestelijke wijsheid die zijn nakomelingen geboren laat worden, waaronder de Boeddha.

Sudha

(Sanskriet) Sudhā

Welvaart. Het voedsel en de drank van de goden, de kruik voor het amrita, de substantie die onsterfelijk maakt, gelijk aan het ambrozijn en de nectar van het oude Griekenland.

Sudra

(Sanskriet) Śūdra

De laagste van de vier kasten van India sinds de Vedische periode. In de Wetten van Manu wordt de sudra beschouwd als een dienaar van de drie andere kasten: de brahmanen of priesterfilosofen; kshattriya’s, bestuurders-koningen en militairen, en de vaisya’s of landbouwers danwel kooplieden. De sudra’s zouden zijn ontsprongen aan de voeten van purusha terwijl de Rig-Veda zegt dat zij voortkwamen uit de voeten van Brahmā.

Zie ook Chatur-Varna

Sudyumna

(Sanskriet) Sudyumna

De mooie luisterrijke, Ila of Ida, wanneer zij door haar herhalende veranderingen van geslacht een duidelijk mannelijke rol speelde. Ila was de mooie dochter van Vaivasvata-Manu die uit zijn offer tevoorschijn kwam toen hij alleen was gelaten na de vloed. Het was een androgyn schepsel dat één maand mannelijk was en de maand daarna vrouwelijk, zij zou verwant zijn aan de maan. In een andere betekenis verwijst deze Puranische allegorie naar de androgyne mens van het vroege derde wortelras.

Sugata

(Sanskriet) Sugata

Iemand die het voorspoedig is gegaan, iemand die is ‘gegaan’ volgens de eeuwenoude Boeddha traditie; een naam die is gegeven aan Gautama Boeddha en lijkt op Tathagatha.

Suhhab

(Babylonisch)

Een van de zeven grote goden, waarvan ieder — volgens de Babylonische legenden — een ras van mensen schiep.

Suka

(Sanskriet) Śuka

De heldere. Gebruikt voor diverse mythologische personages uit het hindoeïsme. In de boeddhistische literatuur is hij een brahmaanse asceet die een maharshi zou zijn geweest en een jivanmukta werd.

Sukhavati

(Sanskriet) Ook SukhāvatīSukhavatī, Sukhāvatī

De hemel van Boeddha-Amitabha, exoterisch in het Westen gelegen. Gelijk aan devachan (vlg. ML 99-100).

Suki

(Sanskriet) Śukī

Een dochter van de rishi Kasyapa, vrouw van Garuda, de koning van de vogels en het voertuig van Vishṇu; de mythologische moeder van papegaaien, uilen en kraaien (VP 1:21). In enkele legendes is zij de vrouw van Kasyapa.

Suklapaksha

(Sanskriet) Śuklapakṣa

[van śukla helder, licht + pakṣa een halve maand]

De lichte helft van de maand, de 15 dagen van wassende maan, van nieuwe maan tot volle maan.

Zie ook Kṛishṇapaksha

Sukra

(Sanskriet) Śukra

De heldere. De planeet Venus en zijn bestuurder. Volgens de theosofie staat elk van de zeven bollen van de planeetketen aarde, en elk van de zeven wortelrassen, onder de bijzondere leiding en bescherming van een van de bestuurders van de zeven heilige planeten. Sukra is de gids en beschermer van de derde bol, bol C en ook naar analogie van het derde wortelras.

Het astronomische teken van Venus is het ansata-kruis : de Kabbalah verklaart dit door te wijzen op het bestaan van een energie in de weeën van een zwangerschap, maar dit is een ongelukkige versluiering, want het is de maan die op aarde heerst over de weeën en de uitstromingen van Venus zijn eerder die die te maken hebben met de scheppende activiteit van het intellect. Venus wordt mystiek vaak hermafroditisch gezien in zijn/haar werkingen en wordt in de Griekse mythologie soms beschreven als de drager van een baard. Hier zien we de verbinding van Sukra met de hermafrodieten van het vroege derde wortelras.

Mystiek gezien is Usanas-Sukra (Usanas is een andere naam voor Venus) de geestelijke goeroe en leraar van de aarde en de mens, net zoals Usanas in de oude mythologie van de hindoes de goeroe en leraar van de daitya’s was. Vandaar dat over Venus wordt gesproken als de ‘oudere broer’ van de aarde, die tijdens zijn huidige evolutionaire periode de functie van kama-manas van het zonnestelsel en van de mens vervult (vgl. SD 2:31, 33).

Sukshma

(Sanskriet) Sūkṣma

Als een bijvoeglijk naamwoord: fijnzinnig, subtiel, ongrijpbaar. Als een zelfstandig naamwoord etherische stof of in een algemene zin, de subtiele allesdoordringende geest.

Stof zou volgens de filosofie van de hindoes in twee algemene toestanden bestaan als sukshma, ofwel latent en ongedifferentieerd en de sthula, grof en gedifferentieerd ...

het gehele gemanifesteerde zonnestelsel bestaat in zijn sukshma-vorm in dit licht of energie van de Logos, omdat zijn beeld is gevangen en overgebracht naar kosmische stof moet ook de hele kosmos noodzakelijkerwijs in de ene bron van energie bestaan van waaruit dit licht emaneert. (N on BG 26)

Sukshma-sarira

(Sanskriet) Sūkṣma-śarīra [van sūkṣma fijnzinnig, etherisch, subtiel + śarīra lichaam]

Subtiel lichaam, populair gezegd het astrale lichaam; vaak verward met het liṅgaśarīra. Blavatsky merkt op dat het sukshma-sarira het ...

‘droomachtige’ illusie-lichaam (is), waarmee de lagere dhyānī’s van de hemelse hiërarchie zijn bekleed. (SD 1:132)

In de viervoudige classificatie van de menselijke constitutie van de Vedānta vormt het sukshma-sarira de tweede afdeling, de andere zijn 1) sthūla-śarīra, 3) karana-sarira en 4) atman. Het sukshma-sarira ...

heeft met het fysieke lichaam dezelfde band als de astrale wereld heeft met het objectieve gebied van het zonnestelsel. Het wordt in onze theosofische dissertaties soms kama-rupa genoemd. Deze ongelukkige uitdrukking heeft geleid tot een verkeerd beeld van het beginsel dat kama wordt genoemd, dat dit astrale lichaam zelf zou zijn en dat in (kama-rupa) wordt veranderd. Maar dit is niet zo. Het is opgebouwd uit elementen van een geheel andere aard. De zintuigen ervan zijn niet zo gedifferentieerd en zitten niet op dezelfde plaats als in het lichaam, en omdat ze zijn opgebouwd uit fijnere materialen zijn de krachten van handeling en gedachte een stuk groter dan die van het fysieke organisme. (Notes on BG 30-1)

In de Wetten van Manu (1:17) wordt sukshma als meervoud gebruikt en verwijst dan naar de zes subtiele beginselen van waaruit de grovere elementen zijn ontwikkeld (ahamkara en de subtiele tanmatra’s); andere stelsels definiëren 17 fijne beginselen van de vijf zintuigen, zes organen van handeling, vijf elementen, buddhi en manas.

Het woord is min of meer gelijk aan het sukshmopadhi van de taraka rajayoga-school (zie hieronder).

Sukshmopadhi

(Sanskriet) Sūkṣmopādhi [van śukṣma subtiel, fijn, etherisch + upādhi basis, voertuig]

De subtiele basis of het fijnstoffelijke voertuig. In de menselijke constitutie staat sukshmopadhi voor de gecombineerde kwaliteiten van het hogere en lagere manas, de kamische energie en hun astrale sluiers of voertuigen die zijn doordrongen van leven. Volgens de taraka rajayoga zijn er drie upadhi’s in de menselijke constitutie: karanopadhi, sukshmopadhi en sthulopadhi. Het sukshmopadhi omvat manas in zijn dubbele aspect en in vereniging met kama, en bovendien de vitaal-astrale delen van de zevenvoudige samenstelling van de mens, wat ook overeenkomt met het manomaya-kosa van de indeling van de Vedānta. De bewustzijnstoestand die bekend is als svapna of de slaap is oorzakelijk verbonden met het sukshmopadhi.

Deze upadhi is de drager van een aantal opmerkelijke vermogens en krachten wanneer die zijn ontwikkeld en getraind door de adept, zoals helderziendheid en helderhorendheid. Voor de gewone mens is het het lagere deel van sukshmopadhi dat normaal gesproken automatisch functioneert en flitsen van een onbewuste helderziendheid, diverse soorten dromen en andere psychische fenomenen kan voortbrengen.

Sulanuth

(Hebreeuws) Een monster van de zee.

Het monster dat, zoals het wordt beschreven, een bevel van God had gekregen ...

naar boven te komen en Egypte in te gaan ... en zij had lange armen, tien el lang ... en zij ging de daken op en trok de bedekking weg en sneed hen ... en strekte haar arm uit in het huis en nam het slot en de grendel eraf en opende de huizen van Egypte ... en de zwerm dieren vernietigde de Egyptenaren. (Jasher 80:19-20)

Sumati

(Sanskriet) Sumati

Weldadig, vriendelijk; toewijding, gebed. Een naam van vele hoogstaande mensen, zoals een zoon van Bharata die zijn naam gaf aan Bharatavarsha (India).

Sumeru

(Sanskriet) Sumeru

Verheven Meru.

Sunahsepha

(Sanskriet) Śunaḥśepha

In een oude hindoeïstische legende, bijvoorbeeld het Rāmāyaṇa, is hij de zoon van de wijze Richika, die in enkele opzichten overeenkomt met de Hebreeuwse Isaak. Zijn vader ...

verkocht hem voor honderd koeien aan koning Ambarisha als een offer, en als een ‘verbrand offer’ aan Varuna in de plaats van Rohita, de zoon van de koning, die door de vader was gewijd aan de god. Toen hij al op het altaar lag werd Sunasepha gered door de Rishi Visvamitra die een beroep deed op zijn eigen honderd zonen om de plaats van het slachtoffer in te nemen. Na hun weigering verlaagde hij hen tot de rang van chandala’s, waarna de wijze het slachtoffer een mantram leerde die wanneer die wordt herhaald, ervoor zorgt dat de goden hem komen redden. Daarna adopteerde hij Sunasepha en nam hij hem aan als zijn oudere zoon. (TG 313)

Sung-ming-shu

(Chinees) De Chinese ‘boom van kennis en leven.’

Onder deze boom, zo werd eerder verkaard, werden door de hoge priester drie wonderen verricht.

Sunyata

(Sanskriet) Śūnyatā

Lege ruimte, vacuüm, leegte; het Grenzeloze of de Lege ruimte. In de mystieke filosofie en dan vooral die van het mahayana-boeddhisme staat sunyata voor het illusoire zijn of bestaan, de leegte van kosmische manifestatie vergeleken met de ongemanifesteerde werkelijkheid. Dit betekent dat al het gemanifesteerde bestaan, hoog of laag, op welk gebied dan ook, vergeleken met de wezenlijke werkelijkheid, uiteindelijk een luchtspiegeling is en daarom naar verhouding relatief onecht is. Omdat het onecht en onwerkelijk is, is het daarom leeg en heeft het geen wezenlijke betekenis hoewel het bij wijze van spreken een erg positieve relatieve werkelijkheid bevat.

In een nog diepzinniger mystiek opzicht kan het woord door omkering wijzen op de uiterlijke volheid van de kosmische werkelijkheid, wat een schijnbare leegte is voor onze onvolmaakte menselijke visie en toch is het het enige Werkelijke.

Het objectieve idealisme dat door de theosofische filosofie wordt onderwezen wanneer die de noumena en fenomena van het bestaan bespreekt, laat een fundamentele werkelijkheid zien die erachter ligt, die uitstijgt boven en verder gaat dan welke manifestatie ook, die de wortel en basis van alle entiteiten en dingen is, die hoewel die entiteiten in zichzelf relatief onwerkelijk zijn omdat ze niet meer dan voortbrengselen zijn óf omdat zij zijn gebaseerd op de diverse prakriti’s, toch slechts een relatieve werkelijkheid hebben die een afgeleide is van deze basale wortel.

Zie ook Pleroma

Suoyatar

(Fins) Een van de boosaardige krachten van de Kalevala.

Suoyatar laat uit haar speeksel de slang van het kwaad of de dood geboren worden. Ook wordt de oorsprong van alle slangen toegeschreven aan Suoyatar.

Zie ook Hisi

Supralapsarianen

Een groep calvinisten die gelooft dat God had besloten dat de mens moest vallen, zodat een deel van het ras door verlossing zou worden gered. Dit besluit van deze vorm van verlossing zou vóór de Val zijn genomen, vandaar supra(voor)-laps(val)-arisch.

Zie ook Predestinatie

Sura’s

(Sanskriet) Sura’s

De sura’s zijn in de Veda’s gewone goden, gelijk aan deva’s. Oospronkelijk waren zij zonnegoden, zoals is te zien aan de naam surya (zon) en in veel gevallen komen zij overeen met de manasaputra’s en de agnishvatta’s van de theosofie. Later hebben Indiase exoterici van de sura’s — en tamelijk arbitrair — asura’s (niet-sura’s) gemaakt. En toch wordt gezegd dat ...

de ‘voorouders’ de eerste mens uitademden, zoals Brahmā volgens de uitleg de sura’s (goden) heeft uitgeademd, toen zij ‘asura’s’ werden (van asu, adem). (SD 2:86)

Zie ook Asura; Mahasura

Surabhi

(Sanskriet) Surabhi

Met een zoete geur, lieflijk, charmant. Een andere naam van de aarde maar ook van Kamadhenu, de mystieke koe van overvloed, die een van de 14 waardevolle dingen is die zijn voortgebracht door de oceaan van melk (de ruimte) toen die door de goden werd gekarnd om de werelden te vormen. Naast alle andere betekenissen van alle oude landen was zowel de stier als de koe een symbool van de maan en van zijn vele voortbrengende en scheppende invloeden.

Zie ook Kamadhenu

Surarani

(Sanskriet) Surāraṇi [van sura god, godheid + araṇi de schijf waarin vuur wordt opgewekt]

De matrix van de goden. Gebruikt voor Aditi, de moeder van de goden. Een bijna gelijke term Suravani [van avani de aarde, zowel als kosmisch element als onze grofstoffelijke bol] is gebruikt voor de aarde als de moeder van de goden, ofwel Aditi. Het woord sura, gelijk aan deva, laat zien dat deze wezens nauw verbonden zijn met Surya (de zon) en dus solaire entiteiten zijn.

Surasa

(Sanskriet) Surasā

Zoet, lieflijk, betoverend. Een dochter van Daksha die een van de vrouwen van Kasyapa werd en de moeder was van wel duizend veelkoppige mystieke slangen en draken.

Surpa

(Sanskriet) Śūrpa, Sūrpa

Een mand om het kaf van het koren te kunnen scheiden.

Surplus aan leven

Deze term [het overtollige] wordt in de theosofie gebruikt om de oorspronkelijke processen van het bouwen van de bollen van een planeetketen te illustreren.

Maar surplus wordt ook gebruikt voor de levende wezens die de hiërachieën van de keten vormen. Als we ons de christelijke analogie voorstellen van het uitrollen van een boekrol en dat als voorbeeld nemen voor het manifesteren van de bollen van een keten, is bij de eerste bol (bol A) die is gemanifesteerd slechts 1/7de van de boekrol uitgerold, waardoor 6/7de van de boekrol nog is opgerold en niet is geopend. Het surplus, of het overschot aan leven, heeft dan betrekking op die 6/7de die nog niet is gemanifesteerd — wat de bollen B, C, D, E, F en G moeten gaan worden. Na de verschijning van bol A beweegt het surplus van leven een gebied omlaag om bol B te ontwikkelen en dan wordt de rol met 1/7de verder uitgerold of ont-wikkeld, waardoor nog 5/7de opgerold blijft. En zo gaat het proces verder totdat alle zeven bollen van de planeetketen tevoorschijn zijn gekomen.

De analogie kan ook worden gezien in de zeven beginselen die een mens samenstellen. Atman is dan het eerste beginsel dat uitgerold moet gaan worden, de andere zes beginselen (buddhi, manas, kama, prana, liṅgaśarīra en sthūla-śarīra) blijven dan nog opgerold of zijn dan nog niet ontwikkeld. Het surplus aan leven van de menselijke constitutie rolt dan een ander beginsel uit om buddhi tevoorschijn te brengen, de andere vijf zijn dan nog steeds opgerold en zo gaat het proces verder totdat alle zeven beginselen zijn ontrold of geëmaneerd.

Surt

(Scandinavisch) Ook (IJslands) Surtr, Surtur en Surter [van svartr, zwart]

Een Noorse vuurreus, de wereldvernietiger van de Edda. In de Noorse mythen zal Surt de legers van Muspellsheim (huis van vuur) aanvoeren op het moment dat Ragnarök aanbreekt en de goden de rijken van het leven verlaten en de werelden vergaan in een universele of allesomvattende brand. Surt zelf zal Frey doden, de schitterende god, en wanneer alle strijders zijn gedood zal Surt zijn brandende stuk hout slingeren en alles, bezield of onbezield, zal in een oceaan van vuur worden gestort en de negen huizen zullen niet langer bestaan. Surtarlogi (vlam van Surt) stellen de vulkanische en kosmische krachten voor die zullen zorgen voor de vernietiging van onze wereld wanneer zijn leven voorbij is. De wereld, het heelal of het zonnestelsel worden dan een oceaan van kosmische vlammen of licht en betekent het einde van een manvantara en het begin van een pralaya. De oceaan van vuur is de overgang van de stof naar zijn oorspronkelijke vurige geestelijke toestand en de negen huizen zijn de negen of tien kosmische gebieden, de negen graden of onderverdelingen van de kosmische hiërarchie.

Surukaya

(Sanskriet) Surukāya [van svar de zon + kāya mantel, kleding]

De mantel van de zon. Een van de zeven boeddha­’s (sapta-tathagata’s). Ook gelijk aan ‘bekleed met de zon.’ Daarnaast is het ook het resultaat van een fase van de inwijdingscyclus.

Surya

(Sanskriet) Sūrya

De zon, zijn bestuurder of inspirerende godheid. In de Veda’s is hij de zonnegod, de meest verdichte van de zonnegoden, maar in het algemeen is hij duidelijk anders, althans in naam, dan Savitri en Aditya. Hij werd beschouwd als een lid van de oorspronkelijke vedische triade: Indra of Vayu heerste over de atmosfeer, Agni over de aarde en Surya over de ruimte van het zonnestelsel. In de vedische literatuur wordt Surya ook Loka-chakshuh (oog van de wereld) genoemd. Hij wordt geacht de zoon van Dyaus, de kosmische geest, te zijn — voorgesteld als de ruimtelijke uitgebreidheid van het kosmische denken — en van Aditi (ruimte). Hij wordt beschreven als gaande door de hemelse sfeer in een strijdwagen die wordt getrokken door zeven rossige paarden of door één paard met zeven hoofden, wat verwijst naar de zeven beginselen of elementen van het zonnestelsel, of met zijn eigen zeven beginselen als een eenheid met hun zeven verschillende logoi of hoofden; of de eerstgenoemde verwijst naar de zeven logoi zoals die gemanifesteerd zijn als de regenten van de zeven heilige planeten, de laatstgenoemden verwijzen naar hun gemeenschappelijke oorsprong uit het ene kosmische element, vaak figuurlijk vuur genoemd (SD 1:101).

In de latere mythologie wordt Surya vooral vereenzelvigd met Savitri als één van de twaalf aditya’s van de zon in de twaalf maanden van het jaar, en zijn strijdwagen met zeven paarden wordt volgens de beschrijving bestuurd door Aruna (ochtendgloren). Surya werd ook wel vertegenwoordigd door de echtgenoot van Sanjna (geestelijk bewustzijn, kosmisch of menselijk) en de kinderen van Aditi (ruimte), moeder van alle goden. Eén legende stelt Surya voor als gekruisigd op een draaiende schijf door Visvakarman — zijn schoonvader, de schepper van goden en mensen en hun timmerman — en éénachtste deel van zijn stralen is afgesneden, waardoor zijn hoofd is beroofd van zijn schittering waardoor er een donker aureool is gevormd —

een mysterie van de laatste inwijding, en een allegorische vertolking ervan. (TG 313)

Sanjna is het śakti van Surya, net zoals het menselijke geestelijke bewustzijn of buddhi het śakti is van atman en tegelijkertijd zijn voertuig, zijn manifestatie en zichzelf in actie. Dit is de reden waarom de zon wordt gezien als de beschermer, ouder en bestuurder van alle manasaputra’s en daarom in een algemene zin als de bron van het denken — sanja, geestelijk intellect of bewustzijn.

De namen van de zeven belangrijkste stralen van de zon zijn: Sushumna, Harikesa, Visvakarman, Visvatryarchas, Sannaddha, Sarvavasu en Svaraj.

Deze zeven stralen vormen het gehele scala van de zeven occulte krachten (of goden) van de natuur zoals hun respectievelijke namen laten zien ... Aangezien elk voor één van de scheppende goden of Krachten staat, is het vrij eenvoudig te zien hoe belangrijk de functies van de zon waren in de ogen van de oudheid en waarom die werden verafgood door de heidenen. (TG 315)

Deze voornaamste stralen van Surya zijn vanuit een ander gezichtspunt de zeven zonnelogoi, elk van de zeven heeft zijn respectievelijke woning in de zeven heilige planeten. We kunnen ook zeggen dat er twaalf stralen van de zon zijn en twaalf heilige planeten, elk is het huis of teken van de dierenriem van één van de zonnelogoi.

Surya is alleen maar de verschijning op dit kosmische gebied van het zonnehart of de centrale geestelijke zon. Hoewel in een meer mystieke betekenis is Surya, onze zon, één van de weerkaatsingen van een centrum van de Melkweg dat astronomisch gezien het prototype is, hoewel veel verder ontwikkeld in kosmische evolutie dan de zon zelf. De zichtbare weerspiegeling van de zon is opgebouwd uit zeer etherische stof die behoort bij de vijfde, zesde en zevende onderlaag van het laagste kosmische gebied oftewel prithivi. Binnen en boven al deze gebieden rijzen in steeds verhevener stappen zes andere kosmische gebieden omhoog, waarop en waarin de andere bollen van de zonneketen zich bevinden. De primaire essentie van de zon behoort tot de hoogste afdeling van de zevende toestand van moedersubstantie (adi-tattva). Deze primaire zon waarvan onze zichtbare zon de weerkaatsing is, is verborgen voor het oog van allen behalve van die van de allerhoogste dhyani-chohans.

Surya-mandala

(Sanskriet) Sūrya-maṇḍala

De baan of bol van de zon. De cirkel van de zon, alles dat zich bevat binnen de grenzen en het bereik van de activiteiten of macht van de zon en is dus in zowel astronomisch als mystiek opzicht het domein van de zon. Dit domein is niet alleen maar de zichtbare stof maar is het gehele Brahmanda (zonne-ei van Brahmā) en is daarom het zonnestelsel in zijn zevenvoudige reeks van paramatman tot aan het sthūla-śarīra.

Sūrya-Siddhānta

(Sanskriet) Sūrya-Siddhānta

Een beroemd astronomisch en kosmogonisch werk van het klassieke India met een enorme oudheid. Dit werk laat geweldige wiskundige vaardigheid zien en sluit goed aan bij de moderne astronomische perioden die de beste wiskundigen en astronomen hebben vastgesteld. Het behandelt ook yuga’s met hun verschillende lengtes en geeft verdelingen van de tijd zelf in uiterst kleine deeltjes en algemene astronomische onderwerpen waaronder niet alleen de omlooptijden van de zon, maan en planeten, maar ook van verduisteringen, seizoenen van het jaar, enz.

De Sūrya-Siddhānta verklaart dat het kaliyuga432.000 jaarHET HEDENEinde kṛitakrita- ofsatyayuga1.728.000 jaartetrāyuga1.296.000 jaardvāparayuga864.000 jaarDRAAIRICHTINGDIAGRAMmeer dan twee miljoen jaar geleden — aan het einde van het kṛitayuga (het gouden tijdperk) — door de zon zelf was gedicteerd door een geprojecteerde afgevaardigde van de zon aan de grote wijze Asuramaya, die de openbaring opschreef. Sinds het einde van het satyayuga (of kṛitayuga) tot aan het begin van het kaliyuga* zijn 2.164.965 jaar verstreken. Het Surya-Siddanta was daarom een erg laat Atlantisch werk of juist een vroeg werk van het vijfde wortelras, want hoewel het zogenaamde Indo-Europese of vijfde wortelras bijna 1.728.000 jaar oud was op het moment dat dit werk werd geschreven, was het nog in zijn kindertijd en maakte zo goed als geheel deel uit van de Atlantische beschaving. Vandaar dat Asuramaya een Atlantische astronoom werd genoemd. Het vijfde wortelras is pas sinds een miljoen jaar een ras sui generis (met een geheel eigen karakter).

*OV: Het kaliyuga begon circa 5000 jaar geleden met de dood van Krishna.