© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Thor

Ook Thorr [van thonor donder; vlg. Zweeds tordon, Duits donner]

Thor is het beste bekend als de Noorse god van donder en bliksem, held van de goden en overwinnaar van reuzen tijdens de altijd gaande strijd tussen deze tegengestelden: goden staan voor kracht en energie en de reuzen symboliseren onbeweeglijkheid of inertie. Net zoals de Jupiter van de Romeinen beheerst Thor het weer en stelt dan ook de planeet Jupiter voor. Het haar van zijn prachtige vrouw Sif stelt de gouden oogst voor, of het nu gaat om graan of ervaringen — de mede of nectar van de goden.

De wijzen schilderen Thor af als lomp, heetgebakerd maar zonder list of bedrog, van weinig woorden en met losse handjes. Zijn strijdwagen die door de twee geiten Tandenvermaler en Tandenknarser wordt getrokken, heeft een ijzeren zwenghout en de vonken vliegen van de wielen en van onder de hoeven van de geiten. De vurige ogen van Thor kleuren de wolken rood, zijn baard is rood en op zijn wenkbrauwen draagt hij een kroon van sterren en onder zijn voeten rust de aarde die hij verdedigt. Zijn strijdwagen kan de regenboogbrug — Bifrost — niet passeren want zijn bliksemschichten zouden de brug in vuur en vlam zetten, zodat de god dagelijks de rivier eronder oversteekt wanneer hij het Ding (parlement) van de goden bijwoont.

De symboliek die met deze godheid verband houdt is enorm veelvormig en complex aangezien hij een rol speelt op vele niveau’s. De verschillende namen van Thor laten ook zijn vele aspecten zien als een elektromagnetische kracht die hij in al zijn variaties van het spectrum vertegenwoordigt. Zijn ‘plank’ of ‘schap’ (gebied) is Thrudvang, zijn woning Bilskirnir (flits, van bil korte + skirnir schittering). Hij kan vergeleken worden met de Griekse Eros, de vedische Kama, de primitieve voortduwende oerkracht die aanleiding gaf tot de scheppende goden waaruit de kosmos emaneerde. In deze hoedanigheid wordt hij Trudgälmer (geluid van Thor, IJslands Thrudgelmir) genoemd, de voedende kracht die de kosmos in leven houdt als een levensvatbare en werkzame entiteit gedurende zijn gehele bestaan. Trudgälmer heeft twee zonen in de ruimte: Mode (kracht) en Magne (sterkte), de krachten van afstoting en aantrekking die we terugzien in straling en zwaartekracht of als de middelpuntvliegende en middelpuntvliedende kracht. Als de levenskracht in alle levende wezens wordt Thor Vior genoemd. Als elektriciteit op aarde heet hij Lorride. De aardse Lorride heeft twee geadopteerde kinderen, Tjalfe (snelheid) en Roskva (werk).

Thor is soms bekend als Akuthor [van de werkwoordstam aka een rit in een voertuig, reis], soms als Vingthor (gevleugelde Thor) of Vingner (de gevleugelde). Zijn dag is donderdag (dag van Thor, Angelsaksisch Thunresdaeg). Zijn hamer mjölnir (maler) is het heilige instrument waarmee levensvormen worden geschapen en vernietigd. De hamer symboliseert de kracht die wezens geboren laat worden en is de vernietiger van reuzen, waardoor hun levens worden beëindigd, want reuzen stellen de levensspan van levende wezens voor.

Thot-Sabaoth

Ook Thautsabaoth en Thantabaoth

De beer. Voornamelijk aangetroffen op vroeg-gnostische en zelfs latere Hebreeuwse talismannen. Een van de planetaire bestuurders die zijn eigen hiërarchie van intelligente en quasi-intelligente natuurlijke krachten van het planetaire stelsel van de Chaldeeën bestuurt, dat met variaties vrijwel universeel te vinden was in de landen van het Oosten die de Middellandse Zee omringen.

Thoth

(Egyptisch) Ook Thot en TehutiTeḥuti

Als de Egyptische god van wijsheid, die gelijk is aan de Griekse Hermes, werd Thoth vaak weergegeven als een god met het hoofd van een ibis, maar ook met een menselijk hoofd, vooral in zijn aspect van Aah-Tehuti (de maangod) en als de god van Mendes wordt hij afgebeeld met de kop van een stier. Hoewel hij het best bekend is als optekenaar of vastlegger van de goden wanneer hij een schrijfstift en tafel in zijn handen heeft, wat slechts een andere manier is om te laten zien dat Thoth de god van wijsheid is, de uitvinder van wetenschap en studie. En zo wordt aan hem de verering van de goden, de hymnen en offeringen en het auteurschap van elk boek op het gebied van kennis, zowel menselijk als goddelijk, toegeschreven. De teksten zelf noemen hem de ‘zelf geschapene,’ hij die van niemand het leven heeft gekregen; de Een; hij die rekent in de hemel, de teller van de sterren; de teller en opmeter van de aarde [kosmische ruimte] en van alles dat daar in is: het hart van Ra komt tevoorschijn in de vorm van de god Tehuti’ — want hij vertegenwoordigt het hart en de spraak van Ra, de ratio en mentale krachten van de god en de gebruiker van spraak. Er is gesuggereerd dat Thoth aldus gelijk is aan de Logos van de platonisten. Zijn bijnamen zijn talloos: het best bekend is de ‘driewerf grote’ — pas later wordt hij Hermes Trismegistus.

Volgens Het Egyptische Dodenboek moet de overledene leren om alles te beheersen wat hij in de onderwereld tegenkomt en hij doet dit door de aanwijzingen van Thoth te volgen, die de pelgrim ook leert hoe de procedure verloopt. Ten slotte, als de overledene het toneel van het oordeel bereikt is het Toth die het decreet vastlegt, dat aan hem wordt gepresenteerd door de aap met de hondenkop op de weegschaal. Met die weegschaal wordt het gewicht van het hart gewogen tegen een veer. De goden ontvangen het vonnis van Thoth, die dat op hun beurt bekendmaken aan Osiris, waardoor de kandidaat in staat is het rijk van Osiris binnen te gaan, als zijnde geosirifieerd. Dus Thoth is de innerlijke geestelijke optekenaar in de menselijke constitutie, die de karmische ervaringen optekent en vastlegt en het lot van de overledene voorspelt, waarmee wordt aangetoond dat ieder mens door hem- of haarzelf wordt geoordeeld — want hier is Thoth het eigen hogere ego van de mens. Wat betreft de kosmische ruimte is Thoth niet alleen de kosmische Logos, maar ook zijn aspect als de scheppende drang die in die Intelligentie aanwezig is.

Thoth was ook arbiter van de goden zoals tijdens de strijd tussen de goden van licht en duisternis waarmee het evenwicht, dat was verloren door het conflict, werd hersteld. Op soortgelijke wijze in de gevechten tussen Horus en Set, toen het kwaad een tijdelijk overwicht kende, herstelde Thoth de harmonie. Wat interessant is, is ...

dat Thoth onveranderd blijft van de eerste tot de laatste dynastie ... de hemelse optekenaar, die de gedachten vastlegt, woorden en daden van mensen en die in de weegschaal legt, maken van hem een soort esoterische lipika. Zijn naam komt als een van de eerste tevoorschijn op de oudste monumenten. Hij is de maangod van de eerste dynastieën, de meester van de cynocephalus (de aap met de hondenkop) die in Egypte een levend symbool was voor en herinnerde aan het derde wortelras. (TG 331)

Thothori Nyan Tsan

(Tibetaans) Tho-tho-ri-gnan-btsan

Een Ti­be­taanse koning uit de 4de eeuw toen het boeddhisme voor het eerst in Tibet werd geïntroduceerd.

Thraetaona

(Avestisch) Thrāetaona, ook (Pahlavi) FretonFrētōn en (Perzisch) FeraydunFeraydūn [van Avestisch thrae driemaal + taona machtig]

De vuurgod van de Avesta, waarschijnlijk in betekenis verbonden met Traitana of (Trita in de Veda’s van de hindoes) of de zoon van de wateren, die in India in het algemeen Apam Napat wordt genoemd en die door de bliksem uit een wolk zou zijn geboren. Hij doodde de afgrijselijke slang Azhi Dahaka in de Varena (de hemelen) met vier hoeken — Feraydun (Thraetaona) met zijn drie zonen tegen Azhi Dahaka met drie hoofden. In de Vendidad (20) wordt hij beschreven als de eerste genezer. Blavatsky noemt Thraetaona de Perzische Michaël en vergelijkt Apam Napat met fohat.

Een andere betekenis van Feraydun is de sfeer van de vaste sterren (de sferen van licht).

Zie ook Azhi-Dahaka; Zohak

Thrud

Ook Thrudr, Thrudgelmir en Trudgälmer [vlg. Grieks gymnazein, Scandinavisch idrott sport]

Thor als het dynamische beginsel op een kosmische schaal, waar deze dynamiek de primaire kracht is die naar voren komt uit het grote Onbekende, helemaal aan het begin van welke periode van manifestatie dan ook. In deze hoedanigheid verschijnt Thrud voor elk van de goden net zoals het Kama van de hindoes en Eros van de Grieken.

Thummim

(Hebreeuws) Tummīm [van tom onschuld, integriteit, waarheid]

Waarheid, volmaaktheden. Bekend als een ornament op de borstplaat van de joodse hogepriester. Bij het werpen van de Urim en Thummim liet laatstgenoemde de onschuld van een mens zien (vlg. 1 Sam 14:42, waar tamin wordt vertaald als ‘lot’). De Urim en Thummim ...

waren de middelen om magisch te voorspellen en te communiceren met orakels — theürgisch en astrologisch. Dit wordt duidelijk in de volgende welbekende feiten: — (1) op elk van de twaalf waardevolle stenen was de naam van een van de twaalf zonen van Jakob gegraveerd en elk van deze ‘zonen’ speelde de rol van een van de tekens van de dierenriem; (2) beide waren orakelbeelden, zoals de terafim en spraken orakels door een stem en beide waren hulpmiddelen voor hypnose en brachten de priester die hen droeg in een toestand van extase. De Urim en Thummim waren van oorsprong niet Hebreeuws maar waren geleend — net als de meeste andere godsdienstige rituelen — van de Egyptenaren, waarvan de priesters de mystieke scarabaeus op hun borst droegen, die hetzelfde effect teweegbracht ... toen de joodse ‘Heere God’ opgeroepen werd om in zijn tegenwoordigheid te verschijnen en zijn wil door de Urim uit te spreken door voorafgaande incantaties, was de modus operandi dezelfde als die van de niet-joodse priesters van waar dan ook ter wereld. (TG 334)

Thumoeides

(Grieks) [van thymos hartstochtelijke ziel + eidos vorm]

De naam die Plato gaf aan een deel van de psychomentale natuur, de dierlijke of hartstochtelijke ziel, kama-manas, ten opzichte van een nog lager deel van kama-manas dat hij epithumētikon noemde (verlangend, of dat wat begeerte kent). Boven beide, die door andere Griekse filosofen de psyche wordt genoemd, bevindt zich nous, de zetel van inspiratie, intuïtie, het hoogste begrijpen en soortgelijke edele eigenschappen of vermogens die overeenkomen met het buddhi-manas of atma-buddhi-manas.

Thumos

(Grieks)

Er is enige gelijkenis met ziel. Maar in het algemeen verwijst thumos naar de hartstochtelijke of emotionele natuur, en beantwoordt aan kama-manas.

Thurse

(IJslands) [waarschijnlijk afkomstig van het Deens tosse, dwaas]

Reus. Omdat deze uitdrukkingen worden gebruikt in de Noorse mythologie is er slechts een subtiel verschil tussen de reus en de thurse. In de verhalen schijnt de reus vaker te worden gebruikt om te wijzen op het verstrijken van een lange tijd of cyclus (zoals het Griekse aeon) terwijl met het thurse-aspect de ongevoeligheid van de stof wordt beklemtoond en om te laten zien dat die ongeïnspireerd is door de goden.

Thyan-kam

(Tibetaans)

Toegeschreven aan de grote boeddhistische Ti­be­taanse adept Tsong-kha-pa in een boek van aforismen:

de macht of de kennis om de impulsen van de kosmische energie in de goede richting te leiden. (SD 1:635)

Ti

(Chinees)

In de I Ching is Ti de weldadige voedende kracht of hoogste geest van het heelal. Een van de lagere goden die daar wordt beschreven komt in verzet tegen zijn meerdere, terwijl hij volhoudt dat hijzelf Ti is. Als gevolg van deze rebellie werd de geest met zeven koren van hemelse geesten verbannen naar de aarde: dit heeft ...

een verandering in de hele natuur teweegbracht, omdat de hemel zelf zich neerboog en zich met de aarde verenigde. (SD 2:486)

... het is de Chinese versie van de gevallen engelen. Aan dit verhaal zelf ligt het fundamentele idee ten grondslag dat alle dingen hun oorsprong vinden in het goddelijke, eruit emaneren en er uiteindelijk naar terugkeren, zodat in elk stadium van zijn geestelijke vooruitgang elke lagere entiteit kan beweren dat hij in zijn meest innerlijke zelf gelijk is aan de allerhoogste, de oorspronkelijke bron.

Tiahuanaco

Een regio rond de zuidelijke oevers van het Titicaca-meer op de grenzen van Peru en Bolivia.

Het is ook de plaats waar cyclopische ruïnes te vinden zijn, enorme bouwwerken waarvan de ouderdom onbekend is. Het meer ligt op zo’n 4000 meter boven zeeniveau en door zijn hoogte kan het gebied slechts een kleine bevolking van voedsel voorzien en toch blijkt overduidelijk dat het ooit in de prehistorie een grote beschaving heeft gekend. Ooit zou het klimaat waarschijnlijk veel milder zijn geweest. Binnen een relatief kort tijdsbestek, geologisch gesproken, heeft de Andes zijn huidige hoogte bereikt. De meningen zijn scherp verdeeld voor wat betreft de leeftijd van de monumenten, tien tot vijftigduizend jaar worden genoemd. Blavatsky neigt naar een nog veel grotere ouderdom en stelt dat deze opmerkelijke bouwwerken werden neergezet door mensen van de Lemurische stam, maar die toen eigenlijk verbonden waren met het Atlantische ras, die de laatste fragmenten van de voor-Atlantisch-Lemurische overleveringen hadden geërfd. Er bestaan drie belangrijkste soorten van pre-Inca constructies: de gebouwen die zijn gemaakt met kolossale polygonale stenen, de Tiahuanaco-soort en de pre-Inca wegen en aquaducten. Clements Markham, die in The Incas of Peru over Tiahuanaco spreekt, schrijft:

De stad besloeg een groot gebied en was gebouwd door zeer kundige bouwers die deze kolossale stenen konden hanteren. Een steen meet 11 bij 2 meter en weegt 170 ton, een andere meet 8 bij 5 bij 1,8 meter. Buiten de grote stenen van het oude Egypte is er in de hele wereld niets dat hiermee vergeleken kan worden* ... Het volgende opvallende punt naast de reusachtige afmetingen van de stenen is de hoge kwaliteit van hun vakmanschap. De lijnen zijn nauwkeurig en kaarsrecht, de hoeken heel precies gemaakt, de oppervlakken echt vlak ... Niet minder opvallend zijn de beelden met hoofden met merkwaardig gevormde versierselen ... Er is ruimschoots bewijs voor het vergevorderde niveau van architectonische kunst van de bouwers.

*OV: De auteur was misschien niet op de hoogte van de reusachtige stenen van Baalbek.

Tiamat

(Chaldeeuws) Tiamat is de Chaldeeuwse slang die werd gedood door Bel.

Bel was het hoofd van de goden. Het verhaal wordt later in het Babylonische verhaal herhaald met het verschil dat Marduk of Merodach (maker van de wereld) dan Bel vervangt. De mythologische slang die wordt beschreven als de belichaming van het kwaad, zowel fysiek als moreel, moet geweldig van omvang zijn geweest (400 kilometer lang) en bewoog met een golfbeweging van 10 kilometer hoog. Toen Marduk uiteindelijk Tiamat versloeg sneed hij het monster in twee helften en gebruikte één deel als een bedekking van de hemel, zodat de hoge wateren niet naar beneden zouden komen.

Tiamat is verwant met de Babylonische tiamtu, tamtu, ‘de oceaan,’ die door Berosus in zijn Chaldeeuwse kosmogonie is vertaald met Thalatth. Er is hier ook een verwijzing naar de wateren van wijsheid, de goddelijke wijsheid en de lagere wijsheid van de manifestatie.

Blavatsky legt uit dat de slang Tiamat de grote moeder is ...

... het levende beginsel van chaos. (TG 334)

De strijd van Bel en daarna van Merodach, de zonnegod, met Tiamat, de zee en haar draak, een ‘oorlog’ die eindigde in de nederlaag van de laatstgenoemde, heeft zowel een zuiver kosmische en geologische als een historische betekenis. Het is een bladzijde uit de geschiedenis van de geheime en heilige wetenschappen, hun evolutie, groei en DOODvoor de niet-ingewijde massa. Deze strijd heeft betrekking (a) op het systematische en geleidelijke uitdrogen van enorme gebieden door de felle zon in een bepaalde voorhistorische periode; een van de verschrikkelijke droogten die eindigde met een geleidelijke verandering van eens vruchtbare overvloedig van water voorziene landen in de zandwoestijnen die ze nu zijn; en (b) op de even systematische vervolging van de profeten van het rechterpad door die van het linkerpad. (SD 2:503)

Zie ook Tamti

Tien

Een van de heiligste en meest fundamentele getallen van het occultisme, want de tien — of misschien wat nauwkeuriger gezegd misschien de twaalf zoals Plato duidelijk maakt — is de sleutel van de getalsmatige structuur waarop het heelal is gebaseerd en opgebouwd. Waar de zeven het gemanifesteerde heelal of brahmanda vertegenwoordigt, bevat de tien of de twaalf ook de ongemanifesteerde aspecten. Tien is de basis van het decimale stelsel en juist hierom is het universeel in zijn betrekkingen. Voor de pythagoreeërs was de tien het allerheiligste getal, de mystieke decade die een rol speelt in de mysteriën van de gehele kosmos en die tot uitdrukking brengt, en ...

het absolute AL dat zich manifesteert in het WOORD of de voortbrengende scheppingskracht. (SD 2:553)

... en onder bepaalde andere scholen, zoals die van het Oosten, was de tien symbolisch gesynthetiseerd door de verticale lijn die de cirkel doorsnijdt .

De eerste gnostici beschouwden de tien als dat wat de kennis van het heelal bevat, zowel metafysisch als materieel. De decade van Pythagoras die ...

het Heelal en zijn evolutie uit de stilte en de onbekende diepten van de geestelijke ziel of anima mundi voorstelde, bood de onderzoeker twee kanten of aspecten. Het kon in het begin worden gebruikt voor en toegepast op de macrokosmos en werd dit ook, waarna het afdaalde tot de microkosmos, of de mens. Er waren dus de zuiver intellectuele en metafysische, of de ‘innerlijke wetenschap’ en de even zuiver materialistische of ‘oppervlak-wetenschap’, die beide konden worden verklaard en omvat door het tiental. Kortom, het kon worden bestudeerd uit de algemene begrippen van Plato en volgens de inductieve methode van Aristoteles. De eerstgenoemde ging uit van een veelomvattende goddelijke idee, waarbij de veelheid uit de eenheid voortkwam of de cijfers van het tiental verschenen, maar alleen om tenslotte weer te worden opgenomen en verloren te gaan in de oneindige cirkel. De laatstgenoemde steunde uitsluitend op zintuiglijke waarneming, waarbij het tiental kon worden opgevat, hetzij als de eenheid die zich vermenigvuldigt, hetzij als de stof die zich differentieert, en de studie ervan beperkt bleef tot het platte vlak; tot het kruis, of de zeven die voortkomt uit de tien — of het volmaakte getal, zowel op aarde als in de hemel. (SD 2:573)

Een groot gedeelte van de zeer mystieke en occulte betekenissen van de decade werden door de pythagoreeërs gesymboliseerd door hun heilige tetraktis, die voor hen zo heilig was dat zij er hun krachtigste bindende eed op aflegden. Andere symbolen van het getal tien zijn twee vervlochten driehoeken — want het zevental en de triade zijn hier tegelijkertijd in aanwezig — en de lijn in de cirkel , eenheid binnen de nul (vgl. SD 2:581).

Iedere kosmogonie begon met een cirkel, een punt, een driehoek en een kubus, tot en met het getal 9, waarna het getal werd samengesteld uit de eerste lijn en een cirkel – de mystieke decade van Pythagoras, de som van alles, die de mysteries van de hele Kosmos betreft en tot uitdrukking brengt. In het hindoestelsel zijn deze mysteries, voor degene die de mystieke taal ervan kan begrijpen, honderd keer zo volledig uitgebeeld. De getallen 3 en 4, samen 7, alsmede 5, 6, 9 en 10 zijn de hoekstenen van de occulte kosmogonieën. Deze decade en haar duizenden combinaties vindt men overal op de aardbol. (SD 1:321)

Zie ook Decade

Tijd

De theosofie kent een absolute onverdeelde tijd, of duur, en een gemanifesteerde of opgedeelde tijd: de eerste als het oorzakelijke of noumenale, en de tweede als het gevolg of de fenomenale die daarom mayavisch of illusoir is.

Tijd is alleen maar een illusie, voortgebracht door de opeenvolging van onze bewust­zijns­toe­standen op onze reis door de eeu­wi­ge duur; hij bestaat niet waar er geen bewustzijn is waarin die illusie kan worden teweeggebracht, maar ‘ligt dan te slapen’. (SD 1:37)

De duur is ‘olam (occult of verborgen) in de Kabbalah en staat voor de duur in de eeuwigheid of de eindeloze duur. Onder de Grieken werd het Chronos en zelfs Kronos genoemd en soms werd er door de Romeinen verwezen naar Saturnus. Toch werden zijn occulte of eeuwig geheime activiteiten tijdens de perioden van manifestatie in het filosofische denken van de hindoes toegeschreven aan Rudra-Śiva, of soms aan Vishṇu.

In het theosofische denken wordt oneindige duur gescheiden in onvoorwaardelijke eeu­wi­ge en universele tijd en een voorwaardelijke of periodieke of ‘gebroken’ tijd (SD 1:62). De ene is de abstractie of het noumenon van oneindige eindeloze tijd (Kala), de andere is zijn fenomeen dat periodiek verschijnt. Het symbool van de oorzakelijke of relatief grenzeloze tijd — voor zover het ons heelal betreft — wordt vaak voorgesteld met een cirkel, die wiskundig een lijn zonder begin en zonder einde is. Een spiraalvormige lijn stelt de tijd voor die in cycli naar zichzelf terugkeert en toch zichzelf overstijgt bij elke volgende rondgang en zijn kinderen verslindt, zoals Kronos onder de Grieken zou hebben gedaan. En de slang met de staart in zijn bek stelt vaak dezelfde soort ideeën voor. De tijd, waarmee we de in stukjes opgebroken of de fenomenale tijd bedoelen, of de manvantarische cycli, wordt vaak het nageslacht van de ruimte genoemd, de laatstgenoemde wordt beschouwd als een drager van de manifestatie. Mystiek gezien kijkt de theosofie naar het heden en het verleden en ook naar de toekomst als de illusoire gevolgen van dat beginloze en eindeloze NU, de eeu­wi­ge duur.

Timaeus

(Grieks)

De Timaeus is een dialoog van Plato waarin de pythagorese filosoof Timaeus vertelt over de aspecten van kosmogenese en antropogenese. Timaeus zou zelf hebben verklaard dat hij heeft opgeschreven wat Pythagoras zag als een zeer waardevol boek met de titel Peri Psyche Kosmou Kai Physeos (Over de Ziel van de Wereld en van de Natuur).

Tif’ereth

(Hebreeuws) Tif’ereth Schoonheid, luister, eer.

De zesde sefira die volgens de Kabbalah is geëmaneerd uit de vijf eerdere sefiroth. Maar deze sefira wordt vooral gezien als de vereniging van de twee onmiddellijk daaraan voorafgaande sefiroth — genade of mededogen en macht of oordeel. Deze drie vormen de tweede triade of het gezicht, de zogeheten microprosopus of het lagere gezicht, dat in de Kabbalah Ze‘eyr ’Anpinh wordt genoemd. Tifereth wordt beschouwd als de vereniging van de mannelijke en vrouwelijke krachten: schoonheid, en zonder kether (kroon), vormt deze sefira het hoofd van de middelste zuil van de sefiroth­boom. Zijn goddelijke naam wordt gewoonlijk gegeven als ’elohim; in de orde van engelen wordt die vertegenwoordigd door de Shin’annim. In zijn toepassing op het menselijke lichaam, maar dan overeenkomend met de hemelse mens of ’Adam Kadmon, wordt tif’ereth gezien als de borst of de streek direct onder het hart, het tweede grote centrum dat volgt op de eerste of die van het hoofd, kether. In zijn toepassing op de zeven bollen van onze planeetketen komt die overeen met bol F (SD 1:200). Uit deze sefira emaneerde de zevende, netsah.

Tiqqun

(Aramees) Tīqqūn [van de werkwoordstam tāqan voorbereiden, vestigen, op volgorde zetten, een vorm maken of vast]

De eerste manifestatie ofwel de derde logos: de logos van de scheppende activiteit van de demiourgos of demiurg (wereldbouwer).

Als we het filosofische idee erbij betrekken dat bij de derde logos behoort, namelijk van het ingeboren karma van het vorige manvantara die de goddelijke ideatie leidt door de werkingen van de scheppende logos, wordt de diepzinnige betekenis van het woord duidelijk. Tiqqun kan de eerstgeborene worden genoemd van het actieve-passieve terrein van de logoïsche activiteiten die in verband met zijn geëmaneerde hiërarchieën in de Kabbalah de Hemelse Mens, ’Adam Kadmon, wordt genoemd.

Tirthankara

(Sanskriet) Ook tirthakaraTīrthaṃkara [van tīrtha een pelgrimsoord + kara maker, of doener van de werkwoordstam kṛ maken, doen]

Jaïn-heiligen en -leiders, waarvan er 24 zijn; gelijk aan jaïna of jaïna-arhat.

Tirthika’s

(Sanskriet) Tīrthika’s [van tīrtha heilige plaats]

De heiligen.

Brahmanen aan ‘de andere kant’ van de Himālaya die door de boeddhisten in het heilige land, Tibet, ‘ongelovigen’ worden genoemd en omgekeerd. (Stem 85-6)

Tirukkanda Panchanga

(Tamil-Sanskriet) De Tirukkanda Almanak.

Een kalender van de Tamils die in 1884-5, in kaliyuga-tijdrekening 4986, is samengesteld door Chintamany Raghanaracharya, zoon van de beroemde overheidsastronoom van Madras, en Tartakamala Venkata Kṛishṇa Rao. Deze geleerde brahmanen baseerden hun werk op fragmenten van de erg oude astronomische werken die worden toegeschreven aan Asuramaya — de vermaarde Atlantische astronoom (SD 2:51).

Zie ook Panchanga

Tiryaksrotas

(Sanskriet) Tiryaksrotas [van tiryak horizontaal, dwarsliggend, krom + srotas stroompje, stroom]

Die dieren waarin de spijsverteringskanalen windingen of kronkelingen vertonen. Volgens de Purāṇa’s de vijfde van de zeven scheppingen van levende wezens door Brahmā, de schepping van heilige dieren.

De esoterische betekenis van de uitdrukking ‘dieren’ is de kiemen van al het dierlijke leven, de mens inbegrepen. De mens wordt een offerdier genoemd, en het enige in de dierlijke schepping dat aan de goden offert. Bovendien bedoelt men in de heilige teksten met de ‘heilige dieren’ vaak de twaalf tekens van de dierenriem ... (SD 1:446n)

Al deze zeven emanaties of scheppingen van Brahmā verwijzen naar de zeven perioden van evolutie van levende etnologische klassen — hoger of lager — en of zij grotere of kleinere cycli betreffen. De Tiryaksrotas of (Tiaryagyonya)-schepping komt op aarde alleen overeen met de schepping van de nietsprekende dieren.

Wat in de primaire schepping met ‘dieren’ wordt bedoeld, is de kiem van ontwakend bewustzijn of van bewuste waarneming, dat wat flauw bespeurbaar is in sommige gevoelige planten op aarde en duidelijker in de protistische moneren*. (SD 1:455)

Zie ook Urdhvasrotas

*Voetnoot in De geheime leer : Plant noch dier, maar een bestaansvorm daartussenin.

Tiryns

Een stad in Argolis op de Peloponnesos die uit de Achaeïsche tijd stamt en die zou zijn gestichtCyclopisch gebouwde muur van Tiryns. door Proetus, broer van Acrisius, die werd opgevolgd door Perseus en die het toneel vormde voor het vroege leven van Heracles. De plek werd uitgegraven door Schliemann en Dorpfeld en daarbij werd een oud paleis ontdekt.

De muren, samen met de cyclopische bouwwerken op andere locaties, waren daar neergezet onder leiding van de allerlaatste Atlantische ingewijden, die delen van Europa koloniseerden toen dat begon te verrijzen uit de Atlantische wateren en hun eigen continentale stelsel voor een groot deel was verdwenen. Eigenlijk is het zo dat de bouwers van de zogeheten cyclopische bouwwerken in Griekenland, Italië en het Midden-Oosten en misschien ook elders, de immigranten waren van het Atlantis van Plato, of van Poseidonis, zoals wordt verteld in de Timaeus en waarnaar door andere Griekse en Romeinse schrijvers wordt verwezen.

Tishya

(Sanskriet) Tiṣya

Het zesde of achtste nakshatra (sterrenbeeld). Ook een ander woord in het Mahābhārata en het Harivansa voor het kaliyuga (het vierde tijdperk, ons huidige tijdperk) dat begon met de dood van Kṛishṇa in 3102 v. Chr.

Titanen

(Grieks)

In de Griekse mythologie zijn de titanen de bouwers van werelden, vaak kosmocratoren genoemd en als microkosmische entiteiten de voorouders van de mensenrassen. Zij behoorden tot verschillende ordes, zodat zij in de mythologie als goed of slecht werden beschouwd, als engelen of stoffelijke entiteiten. De oorspronkelijke in de hemel wonende titanen van Hesiodus waren de zes zonen en zes dochters van Ouranos en Gaia (hemel en aarde): Oceanos, Coios, Creios, Hyperion, Iapetos, Kronos, Theia, Rheia, Themis, Mnemosyne, Phoebe en Tethys, maar later kwamen er ook andere namen bij zoals Prometheus en Epimetheus en nog later werd de naam gegeven aan elke nakomeling van Ouranos en Gaia. Er waren opstanden tegen de heersers van de hemel, gevolgd door vallende strijders en verstotenen, wat verwijst naar de afdaling van de scheppende krachten om nieuwe werelden en rassen te ontwikkelen. Bij het verzet van de titanen, eerst tegen Ouranos ten gunste van Kronos, daarna tegen Kronos ten gunste van Zeus, raakten de titanen vermengd met de andere zonen van hemel en aarde — de hecatoncheiren (de honderdhandigen), cyclopen, enz. — en de gedetailleerde verhalen zijn ontzettend ingewikkeld en verwarrend.

De titanen zijn in één opzicht de reuzen van het vierde wortelras, de daitya’s van de hindoes, die op een gegeven moment de heerschappij over de aarde verkrijgen en de lagere goden verslaan. Zij zijn aldus de gevallen wezens — Python, sura’s en asura’s, corybanten, cureten, dioscuri, anakten, dii magni, idaei dactyli, lares, penates, manes, aletae, kabeiri, manu’s, rishi’s en dhyani-chohans — die waakten over en incarneerden in de gekozenen van de derde en vierde wortelrassen.

Titiksha

(Sanskriet) Titikṣā [van de werkwoordstam tij aandringen, aanzetten tot activiteit, actief zijn in het beoefenen van geduld]

Geduld, berusting, verdraagzaamheid. Niet slechts passieve berusting maar een actieve geduldige houding bij het dragen van de wisselvalligheden van het leven. Mystiek gezien, de vijfde toestand van raja yoga

een toestand van verheven gelijkmoedigheid; en, zonodig, zich onderwerpen aan hetgeen ‘genot en leed voor allen’ heet, echter zonder uit die onderwerping genot of leed te putten – kortom, het onverschillig of ongevoelig worden voor zowel vreugde als leed op fysiek, mentaal en ethisch gebied. (Stem 94-5)

De betekenis is hier echter niet van een koude, harteloze, passieve houding ten aanzien van het lijden van anderen, maar een actieve positieve houding, voor zover het het plezier of het lijden van anderen betreft maar ook een actieve meedogende rol spelen ten aanzien van de rampspoed en ellende van anderen. Dezelfde gedachte speelt een rol in het werk met de naam het Diamanten-hart, dat aan adepten wordt gegeven: ook al is men net zo hard en berustend en onverschillig voor het eigen verdriet als een diamant, toch weerspiegelt die diamant in zijn facetten ook de pijnen en het verdriet van allen om ons heen.

Ook verpersoonlijkt als een godin, de vrouw van Dharma (goddelijke wet) en dochter van Daksha.

Tityus

De goddelijke vloed, een reus van Euboea, zoon van Gaia (aarde), verwijst naar de grote zondvloed (SD 2:142). De vader van Europa, een oude Atlantische hoofdman op de omhoogkomende kusten van Europa, de afstammelingen daarvan waren de eerste Europeanen.

To On

(Grieks) [van to de + einai zijn]

Dat wat is, de werkelijkheid als het tegenovergestelde van het schijnbare; de essentie of werkelijke aard van een ding, gebruikt door Plato voor het on­uit­sprekelijke Al van het heelal, gelijk aan de eerste logos.

Tobo

In de Codex Nazaraeus is Tobo een wezen die de ziel van Adam van Orcus naar zijn plaats in het leven leidt.

Adam stelt de mensheid voor en Tobo zijn de wijzen die licht omlaag sturen om de weg uit de duisternis van onwetendheid te vinden. In 2 Kronieken 17 zijn Tob-Adonijah en Tobijah twee van de levieten die zijn gestuurd om te preken in de steden van Judea, ‘tob’ betekent hier goed.

Toda’s

De Toda’s worden beschouwd als een van de zogenoemde autochtone stammen van India, die leven in de regio van de Nilgiri of Blauwe Heuvels in het Madras District in Zuid-India.

Hun taal zou uniek zijn, totaal anders dan elke andere taal van India, net zoals hun uiterlijke kenmerken die in veel opzichten net zo uniek zijn als hun taal schijnt te zijn. Blavatsky beweert dat niet alleen hun uiterlijk anders is dan dat van de primitieve stammen om hen heen, maar dat vooral de spirituele wereld van hun innerlijke leven hen bijzonder maakt. Zij hebben opmerkelijke psychische krachten die steunen op spiritueel begrip en kennis. De andere vier stammen van de Nilgiri’s, die allemaal grote eerbied hebben voor de Toda’s, verklaren dat deze Toda’s de bergen oorspronkelijk in bezit hadden toen hun eigen voorouders als eersten arriveerden en toestemming aan de Toda’s vroegen om op die berghellingen te mogen wonen. Blavatsky bevestigt dat zij een typisch taalgebruik kennen dat lijkt op het spijkerschrift van de oude Perzen en verder dat de 700 Toda’s zichzelf opdelen in zeven clans, zij zorgen ervoor dat zij altijd hetzelfde in aantal zijn — kinderen worden alleen geboren als zij nodig zijn om de groep op het vaste aantal te houden.

Tohu Bohu

(Hebreeuws) Ook Tohu-vah-bohuTohū Bohū [van tohū braakliggend + bohū leegte, verlaten]

Gebruikt in Genesis (tohu wabhu) voor de toestand die voorafging aan de verschijning van het gemanifesteerde heelal — oorspronkelijke chaos. ‘En de aarde was zonder vorm en leeg; en duisternis was op het gezicht van de afgrond’ (Genesis 1:2). Deze twee woorden lijken in betekenis veel op elkaar, tohu wijst op dat wat braak ligt of ongecultiveerd is, zonder bewoners of andere gemanifesteerde activiteit, en bohu wijst op dat wat leeg of verlaten is zodat de combinatie kan worden vertaald als een onbewoonde leegte, wat precies overeenkomt met het Griekse chaos, de ongemanifesteerde toestand van ons zonnestelsel of zelfs de Melkweg, voordat een manvantara begon — de toestand tijdens pralaya.

Tong-pa-ngi

Ook Tong-pa-nid

De geestelijke, intellectuele en psychologische staat die een adept aanneemt tijdens de beproeving van een inwijding (ML 375); het zo goed als onoplosbare raadsel van de onpeilbare diepten van de geest.

Tophet

(Hebreeuws) Tofeth

Een verschrikking, dat wat afkeer of haat oproept. Een plaats in de vallei van Ben Hinnom (dat Gehenna wordt genoemd), dichtbij Jeruzalem, berucht vanwege de aanbidding van de Moloch, waar vuren brandend werden gehouden en mensen op een gegeven moment werden geofferd (Jer 7:31).

Die plek is dus een prototype van de christelijke hel, het brandende Gehenna van ellende zonder einde. (TG 335)

De occulte betekenis ervan was vrijwel gelijk aan die van de Gehenna of avichi, en was in die vorm op aarde de laatste toestand van hen die in een aantal aardse levens opzettelijk kozen voor het kwaad als hun God.

Torah

(Hebreeuws) Tōrāh

Instructie, leer, voorschrift, een openbaring of orakel. De Torah bevat de geschriften van Mozes, de Pentateuch, en wordt gebruikt door de Hebreeën. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de oorspronkelijke geschreven wet — de mozaïsche Torah en de overige geschriften (torah shabbichethab, ‘de wet die in het geschrift ligt’) — en wat de joden later de mondelinge wet of de Torah van het gesproken woord gingen noemen (torah shebbe‘al peh, ...

de ‘wet die op de mond ligt’ of op de lippen), die gecodificeerd werd als de mishnah, en die zou zijn overgedragen door Ezra.
 Van de ‘verborgen Thorah’ wordt gezegd dat die zichzelf vóór At-tee-kah (de ‘Oude van alle Ouden’) in ledematen (of leden) had gegroepeerd als voorbereiding om Zichzelf te manifesteren en Het de wil had om een Thorah te scheppen; laatstgenoemde zei, na te zijn geschapen, daarop deze woorden (tegen Het) : ‘Het, dat wenst te regelen en andere dingen te benoemen, zou om te beginnen Zichzelf maar eens in Zijn juiste Vormen moeten organiseren.’ Met andere woorden, de Thorah, de Wet, bejegende, volgens het bovenstaande zijn Schepper onheus vanaf het moment dat die geboren werd, wat een voortzetting is van een of andere latere talmoedist. Naarmate het groeide en zich ontwikkelde werd de mystieke Wet van de primitieve kabbalist aldus vervormd en door de rabbi’s vervangen en met zijn dode letter voor elk metafysisch beeld gehouden; en daardoor maakt de rabbijnse en talmoedische wet Ain Soph en elk ander goddelijk beginsel ondergeschikt aan zichzelf en keert zijn rug naar de ware esoterische uitleg. (TG 331)

Torens

Torens zijn mystiek gesproken bouwwerken die op de aarde rusten en omhoog reiken naar de hemel. Zo passen zij bij een algemene categorie van hoge plaatsen als bergtoppen, en andere natuurlijke en kunstmatig gemaakte verhogingen, om hemelse krachten te aanbidden. Zeer oude torens kunnen wereldwijd worden gevonden, maar de raadselachtige oorsprong ervan is met het verstrijken van eeuwen verloren geraakt.

Echt opvallend of bijzonder zijn de oude ronde torens van Ierland, Schotland, Sardinië, enz., die ongetwijfeld in verschillende tijden om verschillende redenen werden gebruikt: door krijgers als delen van een vesting; door priesters als een heiligdom en inwijdingskamer; of als uitkijktoren; klokketoren of schuilplaats. De cilindervorm wijst met zijn symboliek op een groot positief en actief beginsel in de natuur. In de Bijbel wordt de toren als een bouwwerk opgericht en als metafoor besproken, als een embleem van macht en aspiratie.

Toum

(Egyptisch) Ook Tum

Een archaïsche god die uitstraalde uit Noot (Nut) en die dezelfde is als de Vedische Aditi of de kosmische ruimte. Een van de voornaamste functies van Toum is het voortbrengen van de hemellichamen en alle hemelse wezens, en in die functie is Toum vrijwel gelijk aan fohat. Hij brengt de andere goden voort en geeft zichzelf wat voor vorm hij ook maar wenst en komt voort uit Noot ...

uit het grote (vrouwelijke), dat in de schoot van de wateren (de grote Diepte of Ruimte) is’. (SD 1:673n)

In het Egyptische Dodenboek wordt hij beschreven als de noordenwind, geest van het westen en de ondergaande zon van het leven — dat ...

de vitale elektrische kracht is die het lichaam bij de dood verlaat en daarom smeekt de overledene dat Toum hem de adem uit zijn rechter neusgat (positieve elektriciteit) geeft, opdat hij in zijn tweede vorm kan leven. ... Zowel fohat als Toum worden aangeroepen als de ‘groten van de zeven magische krachten’, die ‘de slang Apap’ of de stof ‘overwinnen’. (SD 1:673-4)

Het Egyptische dodenboek laat de activiteiten van Toum-Fohat tijdens een manvantara duidelijk zien en tijdens pralaya’s zinkt Toum weg in Akab, de grote diepte of de ruimte.

Tovenaars

[van Engels sorcerers van Latijn sors levenslot]

Zij die occulte vermogens en arcane kennis gebruiken om boosaardige redenen. Dit woord omvat vele gradaties van zwarte magiërs, van onwetende beoefenaars — zoals zij die zich (on)bewust met voodoo bezighouden — tot anderen met meer kennis en een grotere intellectuele ontwikkeling, die vaak eerder werkelijk zwarte magiërs dan tovenaars moeten worden genoemd. Hoewel deze termen vrijwel synoniem zijn.

Toyambudhi

(Sanskriet) Toyāmbudhi [van toya rivier + ambudhi oceaan]

De ontvanger of vergaarplaats van rivieren ...

in het noordelijke deel van een land waar het ‘Witte Eiland’ lag. (TG 336)

... ofwel Sveta-dvipa — een van de zeven eilanden of continenten waarover wordt gesproken in de Purāṇa’s.

Trailokya

(Sanskriet) Ook TrilokaTrailokya [van tri drie + loka wereld, sfeer]

De drie werelden — hemel, aarde en de lagere gebieden (esoterisch de spirituele, psychologische of astrale en aardse sferen) zoals die normaal gesproken in de brahmaanse filosofie bhur (aarde) wordt genoemd, of bhuvah (het firmament, de hemel) en svar (de hemelkoepel, de atmosfeer, de lucht). Iets anders zijn de trailokya van de boeddhisten of de verdeling in drie werelden die er van de laagste tot de hoogste als volgt uitziet: kama-dhatu of -loka (begeertewereld), rupa-dhatu (vormenwereld) en arupa-dhatu (vormloze wereld).

De trailokya zijn absoluut exoterische groepen — waarmee niet wordt bedoeld dat zij onjuist of onwaar zijn, maar dat zij in de exoterische literatuur gewoonweg niet goed genoeg zijn verklaard om er de ware betekenis van te kunnen begrijpen. Binnen de theosofie zijn er zeven of tien groepen van rijken of toestanden na de dood. Deze toestanden kunnen niet bij elkaar worden geveegd als de drie werelden van de brahmanen, maar wel als de drie boeddhistische dhatu’s of loka’s. Rupa-dhatu en arupa-dhatu kunnen dhyana’s (contemplaties) worden genoemd, wat dan wijst op de diepe contemplatieve natuur van de geëxcarneerde ego’s die zijn weggezonken in de enorme diepten van het bewustzijn.

Zie ook Tribhuvana

Trance

[van Latijn transpire oversteken, voorbijgaan aan]

Een toestand waarin de ziel uit het lichaam is gegaan naar een andere staat van zijn, een extase of vervoering. In het algemeen worden de beschreven trances verdeeld in verschillende graden van negatieve en onbewuste toestanden of in toenemende graden van positieve, bewuste en verlichtende toestanden. Onder alle mensen en in alle tijden zijn er voorbeelden geweest van alle graden en de twee toestanden kunnen naast elkaar bestaan, of een toestand kan zelfs als een actieve factor bestaan terwijl de andere vrijwel helemaal wordt buitengesloten.

Hoewel er in beide gevallen van trance een tijdelijke of langer durende losmaking is van de ziel — een verbreking van de normale verbinding met de persoonlijkheid — kunnen de psychologische toestanden bij typische gevallen van de twee soorten duidelijk tegengesteld aan elkaar zijn. In de bewusteloze toestand verkeert de mentaal-psychologische of tussenliggende natuur in een abnormale of onnatuurlijke toestand, zelfs als de persoon kan zien en helderziende beelden van onbekende gebeurtenissen uit het verleden of van een nog onbekende toekomst kan doorgeven. Maar terwijl zijn losgekoppelde tussenliggende natuur actief is op het chaotische astrale gebied moet hij het zonder het vermogen om te kunnen oordelen doen en heeft hij niet de wilskracht van zijn hogere denken. Hij is dan net zo hulpeloos of machteloos als in een nachtmerrie of in een nare droom.

Deze abnormale toestand kan het gevolg zijn van zelfhypnose of door een hypnotische of psychologische invloed van een ander mens worden veroorzaakt, of iemand kan het onbewuste slachtoffer zijn van primitieve natuurgeesten; óf hij kan worden beheerst door een of andere menselijke elementaar, waar wel eens sprake van is bij mediums. In elk van de hierboven genoemde onbewuste absences is er achteraf geen enkele zelfbewuste herinnering aan de ervaring.

Aan de andere kant, in gevallen van extase — of die van de ware ziener — is er een bovennormale activiteit van de mentaal-spirituele natuur van de persoon waarvan de menselijke ziel is bevrijd, of los gekomen is, van zijn kama-manasische begeerten en bewustzijn en uitsluitend is verbonden met zijn hogere denken. Aldus wordt hij intellectueel enorm helder, geestelijk bewust en verlicht. Zijn kalme persoonlijke zelf zorgt dan niet voor een barrière voor de werkelijkheid van het licht van waarheid dat in hem stroomt vanuit zijn eigen hogere natuur. Zijn toestand — of het nu om een spontane vervoering gaat of een zelfopgewekte toestand, of door de eigen wil opgeroepen — verschilt heel erg van de mediamieke toestand. Hij is duidelijk zelfbewust van zijn ervaring en hij bewaart de herinnering eraan. Zo’n verheven trance-toestand kan alleen worden bereikt door individuen die zich hebben voorbereid door het leiden van een heel zuiver leven en die hun wil hebben geoefend, wat ook vereisten zijn voor mystieke rituelen of hogere inwijdingen.

Een persoon verkeert in een trance in een van de verschillende lagere graden wanneer hij tijdelijk afwezig is, of afwezig is door depressiviteit en zelfs in een bepaald opzicht wanneer hij slaapt. Veel mensen met een mediamieke of paranormaal begaafde natuur kunnen op een negatieve manier afwezig raken van de normale bewust­zijns­toe­standen of zij kunnen zo’n toestand ontwikkelen om bewust te worden op het astrale gebied. Deze ongelukkigen die toegeven aan de verleiding om het onbekende op psychologisch gebied in te gaan, ontvangen niets anders dan een verward en onbetrouwbaar visioen. Erger nog, zij openen hun wezen voor een invasie en mogelijke bezetenheid door astrale entiteiten van alle soorten, zelfs van ontlichaamde boosaardige wezens — de elementaren — die altijd op zoek zijn naar de bevrediging van nog vastgehouden en opgespaarde zeer intense lage begeerten. Veel van zulke slachtoffers ontwikkelen zich in die richting door een hartstochtelijk verlangen om het astrale in te gaan of om krachten te ontwikkelen om anderen te kunnen beheersen, zoals wordt geleerd door diverse pseudo-occultisten die op schaamteloze wijze een beroep doen op de zelfzuchtige menselijke aard.

Elke fase van een negatieve trance-toestand is daarom onnatuurlijk en vaak zelfs buitengewoon gevaarlijk, omdat de ware weg van de natuur naar een steeds groter zelfbewustzijn moet leiden, een sterkere geestelijke wil en een edeler intellectuele activiteit.

Transcendentalisten

Transcendentalisten bevestigen dat ware kennis alleen kan worden verkregen door de vermogens van het denken, die de ervaringen van gevoelens en waarneming overstijgen, die de intuïtie verheffen boven empirisch verkregen kennis, of die wordt afgeleid van de zintuigen en zelfs die kennis die wordt verkregen door gewone psychologische activiteit. Transcendentalisme wordt in onze moderne tijd gebruikt voor enkele Duitse filosofen na Kant en de school van Emerson. Het woord werd eerder in verschillende andere betekenissen gebruikt.

Transfiguratie

Het best bekend van de gebeurtenis die wordt beschreven in Mattheüs 17:2 waar wordt gezegd dat Jezus drie discipelen meenam een hoge berg op en voor hun ogen van gedaante veranderde, zodat zijn gezicht scheen als de zon en zijn gewaad wit als licht werd, Mozes en Elias verschijnen dan naast hem.

Er bestaat een kerkelijk feest om deze gebeurtenis, de verheerlijking, te herdenken. Het Griekse woord ervoor is metamorphosis (gedaanteverandering). Het fenomeen vond plaats tijdens de inwijding van een kandidaat in de Mysteriën wanneer zijn persoonlijke zelf contact maakte met de God in hem, de augoeides (de glorieuze) die ervoor zorgde dat zijn lichaam straalde.

Transformatie

Het proces waardoor een substantie een nieuwe vorm aanneemt, zoals bijvoorbeeld wanneer H2O eerst verschijnt als water en daarna als waterdamp.

In gewone spreektaal zeggen we dan dat water is overgegaan in waterdamp, maar het zou nauwkeuriger zijn als we zouden zeggen dat iets dat als water verschijnt zich nu manifesteert als waterdamp. Het onderscheid is belangrijk vanwege de serieuze fouten die worden gemaakt door daar overheen te zien. Wanneer we transformatie betrekken bij het evolutieproces betekent dat dat een ziel verschillende lichamen op zich neemt. Het is de ziel of de monade die van karakter is veranderd en niet de vorm. Waar er een verandering van vorm is, is er een achterliggende substantie, kracht of essentie die hetzelfde blijft door alle veranderingen heen, dezelfde in essentie maar verschillend in vorm. Het Griekse equivalent is metamorphosis.

Transformisme

Zoals het is overgenomen uit het Frans staat transformisme voor het evolutieproces zoals Lamarck en Darwin dat zagen, dat duidelijk anders is dan de evolutie in zijn ware etymologische betekenis en zoals het wordt gebruikt in de theosofie.

Het betekent de veronderstelde overgang van één typisch organisme in een ander organisme door middel van zuiver natuurkundige processen. Evolutie wil echter zeggen dat een levende monade of ziel zichzelf van binnen naar buiten ontvouwt en aldus de vormen ontwikkelt waarin die zich op de stoffelijke gebieden manifesteert, en zichzelf constant kleedt in opeenvolgende en geleidelijk verbeterde vormen, geheel overeenkomstig de veranderingen van zijn eigen groei en wat hij daarvoor nodig heeft.

Transmigratie

Transmigratie is het geloof of de overtuiging dat menselijke zielen na de dood overgaan in lichamen die ofwel menselijk of dierlijk zijn, wat abusievelijk wordt beschouwd als een synoniem voor reïncarnatie, metempsychose enz.

Transmigratie betekent in het algemeen het overgaan van een entiteit van één belichaming naar een andere, zonder rekening te houden met de status van de entiteit of de vorm van de belichamingen, zodat het diverse specifieke betekenissen omvat die eigenlijk met andere woorden zouden moeten worden aangeduid. Feitelijk verwijst het woord naar de transmigratie van levens­atomen, vooral die van de menselijke voertuigen nadat die uiteengevallen zijn. Naar gelang hun eigen affiniteiten en graad van ontwikkeling zullen deze levens­atomen, die de lagere menselijke beginselen hebben opgebouwd, transmigreren naar andere fysieke psychomentale lichamen en daar hun eigen typische evolutionaire weg vervolgen, onvertraagd door de tijdelijke associatie met zijn voormalige lichaam. Na verloop van tijd, wanneer het juiste cyclische moment aanbreekt worden zij alle weer aangetrokken door de reïncarnerende menselijke entiteit waar zij eerder toe behoorden. De leer van de transmigratie van de levens­atomen is erg belangrijk om een helder begrip van de eenheid van al het leven te krijgen, de interactie van de gehele natuur en hoe karma te werk gaat.

De betekenissen van transmigratie, metempsychose, metensomatose, de Hebreeuwse gilgulim, enz., zijn niet synoniem. Elk van deze woorden heeft zijn eigen bijzondere betekenis, hoewel veel van deze verschillende woorden elkaar tot op een bepaalde hoogte overlappen. Dus een wezen dat op aarde reïncarneert neemt een lichaam van vlees tot zich — en transmigreert ook in de betekenis van het overgaan van één vorm van leven naar een andere, gevolgd door een derde en nog meer; en gedurende dit proces vindt er een bepaalde verandering in de toestand van de ziel of van de migrerende entiteit plaats, wat nu juist de bijzondere betekenis is van metempsychose. En dan is er opnieuw het aannemen van een nieuw fysiek lichaam, waar deels het woord reïncarnatie voor wordt gebruikt, wat terugkeert in de specifieke term metensomatose, maar toch speelt ook de fase van wedergeboorte een rol. Elk van deze verschillende begrippen en nog andere, staan voor een bijzonder aspect van het lot en de avonturen van de omzwervende entiteit.

Transmutatie

Transmutatie slaat normaal gesproken op de omzetting van onedele metalen in edelmetalen zoals goud, hoewel ook het omgekeerde proces met dezelfde term moet worden aangeduid.

Drie zaken spelen hier een rol: het oude metaal, het nieuwe metaal en de onderliggende essentie van beide. Om lood om te zetten in goud moeten we iets veranderen dat nu lood is en later goud zal zijn. Transmutaties worden tegenwoordig in de scheikunde uitgevoerd op basis van dit beginsel. De oude alchemisten redeneerden dat aangezien alle elementen afstammen van een wortelelement, het mogelijk moet zijn transmutaties uit te voeren door de zwaardere elementen te reduceren tot hun subtiele onderlaag. Maar afgezien van de liefde voor de wetenschap ziet niemand toch een andere reden voor wat voor natuurkundig proces ook dan de zuivere winst uit hebzucht. Als de taal van de alchemie allegorisch wordt genomen, wat het erg vaak was en is, staat transmutatie eigenlijk voor niets anders dan de verfijning van de grovere of zwaardere elementen van de menselijke natuur. De wetenschappelijke denkers en onderzoekers die de wereld met wetenschappelijke experimenten naar de uiterste grenzen van de stof brengen zijn niet anders dan de moderne alchemisten of transmutisten.

Transubstantiatie

De leer van de rooms-katholieke kerk dat het brood en de wijn van de eucharistie of heilige communie op wonderbaarlijke wijze zijn omgezet in het waarachtige (letterlijke) lichaam en bloed van Jezus, als gevolg van een letterlijke interpretatie van de figuurlijk gebruikte taal van Jezus. Het gaat niet alleen maar om een wijding van de elementen — brood en wijn — maar waar het verschil precies in zit is moeilijk vast te stellen.

De Ouden hadden hun eigen mening wat betreft zulke zaken als de bacchische rituelen van Griekenland en Rome waarin brood en water of wijn mystiek werden geïnterpreteerd — niet werkelijk en feitelijk — als de symboliek van bepaalde elementen van de mysteriën van de godheid die zij vereerden.

Zie ook Brood en wijn

Tetrāgni

(Sanskriet) Tretāgni [van tretā triade + agni vuur]

Een triade van vuur. In het religieuze ritueel van de hindoes spelen de drie heilige vuren gezamenlijk een rol — het offervuur, het gezinsvuur en het zuidelijke vuur. Deze drie heilige vuren worden opgewekt door de wrijving van stokjes die normaal gesproken van het hout van de asvattha-boom worden gemaakt, die mystiek de Boom van Wijsheid en Kennis wordt genoemd.

Tetrāyuga

(Sanskriet) Tretāyuga [van tretā triade, drievoudig + yuga tijdperk]

De tweedekaliyuga432.000 jaarHET HEDENkrita ofsatyayuga1.728.000 jaartetrāyuga1.296.000 jaardvāparayuga864.000 jaarDRAAIRICHTINGDIAGRAM van de vier grote yuga’s die samen een mahayuga (grote eeuw) vormen. Er is gezegd dat tijdens dit tijdperk ‘drie delen van de waarheid overeind blijven.’ Tetrāyuga duurt 1.296.000 jaar. In het Mahābhārata geeft Hanuman, de geleerde hoofdman van de apen een beschrijving van het tetrāyuga:

In het tetrāyuga begon men te offeren, gerechtigheid nam met een kwart af; men hield zich aan de waarheid en was toegewijd aan rechtvaardigheid maar was afhankelijk van ceremonieën. Het offeren met heilige handelingen en een grote variatie aan rituelen had de overhand. Mensen handelden met een bepaald oogmerk, zochten beloning voor hun rituelen en gaven en hadden niet langer zin in een matig leven en vrijgevigheid uitsluitend uit plichtsbesef. (korte versie van Muir 1:144)

Zie ook Dvāparayuga; Kaliyuga; Satyayuga

Triade

Een groep van drie, een drievoudige eenheid, drie-in-een of het getal drie.

De triade stelt ook de grenzen van het logisch redenerende denken voor, want we kunnen niet voorbij de dualiteit van subject en object komen en moeten een verenigende essentie, die beide gezamenlijk bezitten, vooronderstellen. Een triade staat aan het hoofd van alle grote kosmogonieën en filosofieën: geest-stof, purusha-prakriti, subject-object, mannelijk-vrouwelijk, vader-moeder, beweging-ruimte, enz., plus de fundamentele eenheid en bron die elke geëmaneerde duade in zich bevat — het on­uit­sprekelijke, parabrahman, ’eyn soph, enz. De theosofie kent drie duidelijk verschillende triadische vertegenwoordigingen van het heelal, waardoor het aantal op negen komt, of door middel van synthese tien: het altijd-bestaande, het eerder-bestaande en het fenomenale, die allegorisch die van de aanvang, de gemanifesteerde en de scheppende triaden zijn.

Een andere vorm van de triade is die waarin de eenheid wordt gezien als het kind van de duade, zoals in de bekende triade Vader-Moeder-Zoon; en zo krijgen we een viertal van de oorspronkelijke triade met het verschenen heelal als de Zoon. Deze drie triaden of driehoeken stellen respectievelijk vuur en water voor; vervlochten triades zien we in het zegel van Salomo of het zegel van Vishṇu (zie afb.). De triade en het viertal vormen samen het zevental, de hogere triade in de mens is atma-buddhi-manas; kama, prana en liṅgaśarīra vormen een lagere triade. De triade en het viertal herhalen hier de dualiteit van geest en stof, metafysisch en natuurkundig. De Sephiroth-boom van de Kabbalah toont een rechtopstaande triade, twee omgekeerde triaden en een synthetiserende eenheid eronder die Malchuth wordt genoemd.

Tribhuja

(Sanskriet) Tribhuja [van tri drie + bhuja arm, zijde]

Met drie zijden of kanten, een driehoek.

Tribhuvana

(Sanskriet) Tribhuvana

Drie werelden. In de literatuur van de hindoes zijn de drie bhuvana’s svarga (hemel), bhumi (aarde) en patala (de lagere gebieden). Esoterisch gezien zijn de tribhuvana’s de geestelijke, psychologische of astrale en aardse sferen.

De trailokya, hoewel dat ook verwijst naar de drie exoterische werelden, kent in zijn mystieke en esoterische betekenis een veel ruimer gebied van de geografie van de onzichtbare sferen.

Tridandin

(Sanskriet) Tridaṇḍin [van tri drie + daṇḍa staf]

Een groepering of sekte van sannyasins (asceten) die voortdurend een soort van knuppel vasthouden die aan de top is vertakt in drie stokken. Ook iemand die de drie soorten van zelfbeheersing bezit: beheersing van zijn eigen gedachten, woorden en daden. Soms wordt er het drievoudige brahmaanse koord mee bedoeld.

Tridasa

(Sanskriet) Tridaśa [van tri drie + daśa tien]

Dertig. Zoals het werd gebruikt in het oude India verwijst het in ronde getallen naar de algemene cycli van vedische goden, waarvan er 33 algemeen waren: de 12 aditya’s, de 8 vasu’s, de 11 rudra’s en de 2 asvins. Wanneer de trimurti van de hindoes ofwel de triade hieraan wordt toegevoegd krijgen we het getal 36, wat één van de oeroude getallen van de esoterische berekeningen is, niet alleen wat tijdrekening betreft maar ook wat betreft theologie en theogonie. Zesendertig is de helft van 72, en 72 is 1/5 van 360 en 1/6 van de zeer mystieke sleutel van 432, met de nullen eraan toegevoegd of niet, net naar gelang hoe er gerekend wordt.

Wanneer we de wet van de chronologische analogie volgen is dertig, wat 1/12 van 360 is, het grondgetal van de esoterische berekening waar eventueel ook nullen aan kunnen worden toegevoegd, afhankelijk van het stelsel dat men in gedachte heeft.

De 33 crores (330 miljoen) goden die gewoonlijk in het hindoepantheon worden genoemd, moeten op dezelfde manier worden gezien, 33 is in dit geval een rond getal voor 36; want ook hier moeten de 33 crores in verband worden gebracht met de trimurti van Brahmā, Vishṇu en Śiva, die zelf aggregaten zijn en het belangrijke getal 36 opleveren.

Triguna’s

(Sanskriet) Triguṇa’s

De drie kwaliteiten. Alle gedifferentieerde wezens en de materie worden beschouwd drie inherente kwaliteiten of kenmerken te bezitten: sattva (zuiverheid, goedheid, waarheid); rajas (activiteit, hartstocht, begeerte) en tamas (kalmte, onverschilligheid, neerslachtigheid). Elk van deze drie kwaliteiten kent zowel een goede als een onvolmaakte of slechte kant maar heeft in zichzelf ook de andere twee kwaliteiten; zo is er bijvoorbeeld sattva-sattva, rajas-sattva, tamas-sattva, enz. Dus in de verschillende hiërarchieën van de kosmos kunnen de wezens die deze hiërarchieën vormen niet alleen worden onverdeeld in een van de drie guna’s, wat in essentie betekent dat zij dat bepaalde karakter vertonen, maar ook dat zij in hun evolutionaire vooruitgang ook door de andere twee kwaliteiten gaan, hoewel die ontwikkeling wordt gedomineerd door de belangrijkste kwaliteit waaraan zij hun individualiteit ontlenen.

In de Bhagavad-Gita (hfdst. 14 en 17) worden de drie grote kwaliteiten besproken en gezegd dat die aan de natuur ontspringen en het onvergankelijke zelf aan het gemanifesteerde leven binden. Van deze is het de sattva-kwaliteit die vanwege zijn eigenschappen de ziel omwikkelt en tot wedergeboorte leidt door zijn gehechtheid aan wijsheid en kennis; rajas ontwikkelt aspiratie maar ook een neiging en dorst naar leven en zet het ego gevangen door de gevolgen van zo’n activiteit; tamas kent zijn goede kant maar is ook de misleider van alle wezens en zet het ego gevangen in een lichaam door zijn kenmerkende onverschilligheid, luiheid en behoefte aan slaap. De vruchten van juiste handelingen worden zuiver en heilig genoemd en behoren tot sattva; van rajas worden zowel goede vruchten geplukt als die die pijn of verdriet ontwikkelen en tamas vormt standvastigheid en onveranderlijkheid voor een goede zaak, maar is in een slechte betekenis ook de oorzaak van gevoelloosheid, onwetendheid en onverschilligheid. Van die mensen waarin de sattva-kwaliteit is gerealiseerd wordt gezegd dat zij hoog klimmen; zij die vol rajas zijn, zijn de middelmatigen en zij die gebukt gaan onder het slechte aspect of de kwaliteit van tamas komen onderaan terecht.

De wijsheid die in de hele natuur slechts één enkel beginsel ziet, die ondeelbaar en onvergankelijk is, is in essentie niet gescheiden maar alleen evolutionair gezien in gescheiden objecten te herkennen, is van de sattva-kwaliteit. De wetenschap die verschillende en vele beginselen intens actief en agressief in de wereld van geschapen wezens ziet, is van de rajas-kwaliteit. De wetenschap die blijvende stabiliteit ziet en minachting heeft voor [in haar ogen] zinloze verandering, of die aan de andere kant gemeen is, die is gehecht aan één doel alleen alsof dat alles is, die niet de ware oorzaak en reden van het bestaan ziet, is van de tamas-kwaliteit. Aldus kent elk van de drie kwaliteiten zijn positieve en negatieve kant en de ingewijde of adept streeft ernaar alle drie de kwaliteiten in zijn leven in hun hoogste aspecten naar buiten te laten komen.

Trijnana

(Sanskriet) Trijñāna [van tri drie + jñāna kennis of weten]

De drievoudige kennis, die bestaat uit drie graden: 1) kennis gebaseerd op vertrouwen of innerlijke overtuiging, 2) het weten dat is gebaseerd op theorie en 3) persoonlijke kennis of wetenschap opgedaan in praktijk of ervaring.

Trikaya

(Sanskriet) Trikāya [van tri drie + kāya bekleedsel, lichaam]

De drie glorieuze gewaden of toestanden waarin het bewustzijn van een adept zichzelf hult:

1) de nirmāṇakāya (Tibetaans pru-lpai-ku): waarin de bo­dhi­satt­va nadat hij het pad naar nirvāṇa is opgegaan door het beoefenen van de zes paramita’s, aan de mensheid verschijnt om hen te onderrichten en die dus behoort bij de boeddha­’s van mededogen;

2) de sambhogakaya (Tibetaans dzog-pai-ku): het lichaam van geluk dat onbereikbaar is voor alle stoffelijke prikkelingen en dat wordt aangenomen door iemand die de drie vereisten van geestelijke, intellectuele en morele volmaking heeft vervuld; en

3) de dharmakaya (Tibetaans chos-ku): het nirvāṇische lichaam of kleed waarin alle nirvāṇi’s en volledige prateyka-boeddha­’s bestaan.

Het Wonderlijke Wezen of de hiërarch verschijnt in drie vormen, de hoogste heeft rechtstreekse geestelijke omgang met de kosmische adi-boeddha­ en dit hoogste aspect of vorm is de toestand van de dharmakaya waarin, op zijn minst voor de lagere delen ervan, de dhyani-boeddha­ verblijft; de tweede vorm of toestand is die van de dhyani-bo­dhi­satt­va, die in de sambhogakaya-staat in rechtstreekse verbinding met het lagere deel van de dhyani-boeddha­ net erboven staat, met een diepzinnige macht en bewustzijn; de derde en laagste vorm of aspect en toch in één opzicht moreel de hoogste vanwege de rol die zijn immense zelfopofferende wil speelt, is de manusha-boeddha­ die werkt en leeft in de nirmāṇakāya-staat.

Dit is een zeer diepzinnige leer die, wanneer die eenmaal is begrepen, het mysterie van elke triade of drie-eenheid verklaart en de ware sleutel is voor elk drievoudig metafysisch symbool. In zijn eenvoudigste en meest uitgebreide vorm kan die in de menselijke entiteit worden aangetroffen in zijn drievoudige verdeling in geest, ziel en lichaam, en in het heelal wanneer dat pantheïstisch wordt beschouwd en als een eenheid die bestaat uit een goddelijk en zuiver geestelijk beginsel, uit hemelse wezens — de rechtstreekse stralen daarvan — en uit de mensheid. De oorsprong hiervan kan worden gevonden in de leringen van de prehistorische Wijsheidsreligie of esoterische filosofie. Het prachtige pantheïstische ideaal van de onbekende en onkenbare Essentie, die eerst wordt getransformeerd in subjectieve en daarna in objectieve stof, ligt aan de wortel van al deze triaden en drievouden. (TG 338-9)

Zie ook Dharmakaya; Nirmanakaya; Sambhogakaya; Trisarana.