© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Vogels

Vogels zouden zijn voortgekomen uit bepaalde families van reptielen:

DIE MET DE LANGE HALZEN IN HET WATER WERDEN DE VOOROUDERS VAN DE VOGELS IN DE LUCHT ...
Dit is een punt waarop de leringen en de tegenwoordige biologische opvattingen volkomen overeenstemmen. De ontbrekende schakels die het overgangsproces vormen tussen reptiel en vogel, zijn zelfs voor de grootste kwezel duidelijk ...
 Voorzover het onze huidige aardse periode van de vierde Ronde betreft, kan men alleen de zoogdierfauna beschouwen als terug te voeren tot prototypen die door de mens zijn afgeworpen. De amfibieën, vogels, reptielen, vissen, enz., zijn de resultanten van de derde Ronde, astrale fossiele vormen die waren opgeslagen in de aurische omhulling van de aarde en geprojecteerd in fysieke objectiviteit na de afzetting van het eerste laurentische gesteente. (SD 2:183, 684)

Vogels hebben altijd al een prominente plaats gehad in de leer van de symbolen en werden ondermeer verbonden met de goden van het oude pantheon, in het algemeen als hemelse boodschappers en met menselijke en geestelijke zielen (resp. manas en buddhi). Soms stelde de vogel onder de symbolen het atman voor. De oude Perzen symboliseerden een enkele maal het menselijke denken/ziel met een vogel, de karshipta.

Er zijn een aantal redenen die voornamelijk afgeleiden zijn van de gewoonten van het leven en de kenmerkende eigenschappen van vogels, die verklaren waarom zij worden gekozen als symbool voor spirituele zaken, waaronder misschien wel de belangrijkste die is dat vogels eieren leggen, bronnen van nieuwe levens, vanwaar het idee naar voren kwam van het idee van het kosmische ei dat verschijnt in en uit de moederschoot van de kosmische geest. Zo is er in de Finse Kalevala een vogel die zes gouden eieren legt en één van ijzer — de laatste werd onze aarde — een duidelijke verwijzing naar de zeven bollen van de planeetketen. En er was het kosmische ei van het orfisme van Griekenland en de hiranyagarbha’s van Hindoestan, enz.

Vrijwel alle oude godsdiensten kennen verwijzingen naar vogels, heilige en andere — bijvoorbeeld de feniks, de simorgh van de oude Perzen, de oude Egyptische ibis, de gouden havik en de bennu, en Garuda en de Kalahansa van het oude India. Deze laatste is de witte zwaan van de eeuwigheid die in en uit de Eeuwigheid of het Tijdloze wordt geboren:

‘Het nest van de eeu­wi­ge vogel, van wie het klapwieken leven voortbrengt, is grenzeloze ruimte’. (SD 2:293)

Vohu-Mano

Ook Vohu-Mana, Vahman en Bahman [van Avestisch vohu goedheid van de werkwoordstam vah liefhebben vlg. de Sanskriet werkwoordstam vas + de werkwoordstam man denken, zich bewust zijn van]

In de Gāthā’s zijn het Vangaheush Manangho, Vohu-Manangha. Goede gedachten, in goede staat verkeren, dat wat zuiver bewustzijn is en de meest verheven toestand van bestaan. Alleen door Vohuman, zoals in de Gāthā’s wordt gezegd, worden de wetten van het leven nageleefd en altijd vernieuwd. In de literatuur van de mazdeërs is wit de kleur van Vohu-Mano. In de latere mystieke Perzische literatuur wordt het gezien als het eerste intellect, geheel in harmonie met alles van het leven.

Bahman is de naam van de 11de maand van de Iraanse kalender (Aquarius) en het oude feest van Sadeh (viering van het vuur) dat wordt gehouden op de 10de dag van die maand.

Völsung(ar)

(IJslands, Scandinavisch) [van volsi fallus + unge kind]

In de Noorse mythologie stelt de Völsungar een vroeg ras van de mensheid voor, het eerste ras dat geslachtsgemeenschap moest hebben om zich voort te planten. Het zijn de verre nazaten van de Niflungar (kinderen van de nevel) die de mensheid voorstelt vóórdat de bol was gecondenseerd uit de oorspronkelijke nevel. Het verhaal van Sigurd de Völsung is een van de klassieke verhalen van de jongere Edda ofwel de Edda in proza.

Völund

(IJslands) In de Noorse mythologie is hij de held van Völundarkvida of Völundskvadet.

In het Duits wordt hij Wieland genoemd, in het Engels Wayland. In alle versies is hij een smid, een legendarische handwerksman die gevangen was genomen en opgesloten door koning Nidud (een boosaardig tijdperk) en was gedwongen schatten van goud en zilver voor de koning te maken.

De symbolentaal suggereert dat de smid een ras voorstelt dat ten prooi was gevallen aan de invloeden van een totaal materieel tijdperk toen het menselijke genie en zijn vakmanschap werden misbruikt voor onwaardige doeleinden. Het verhaal eindigt met de vlucht van de vakman in een vliegend apparaat dat hijzelf had gemaakt en dat hij de koning, beroofd van zijn zonen, zijn dochter en zijn smid, had achtergelaten.

Völuspá

(IJslands) [van völva, vala sibille + spá profeteren]

Het belangrijkste lied van de poëtische of Oudere Edda dat wordt gezongen door de ‘wijze sibille’ in antwoord op de queeste van Odin naar kennis. De vala stelt het onuitwisbare verslag van het verleden voor, dat hier wordt geraadpleegd door de god Odin. Odin Alvader is de spil in de Noorse mythen en stelt het ontwikkelende bewustzijn voor, of dat nu menselijk, solair, planetair of kosmisch is. Odin onderwerpt de vala aan zijn vragen en zij antwoordt met een verslag van de schepping en voorspelt het toekomstige lot van bewuste wezens. Door dit verslag van de geschiedenis van de wereld leert Odin het lot van onze planeet kennen en van de negen eerdere werelden die voorafgingen aan de huidige. Het gehele proces van kosmische evolutie wordt hier samengevat in een notendop, dat alles behalve begrijpelijk is tenzij die wordt versterkt door de andere liederen van de Oudere Edda.

De opera ‘Der Ring des Nibelungen’ van Wagner is gebaseerd op de Völuspá die verhaalt over het begin en einde van de wereld, en de frisse, nieuwe schepping die erop volgt. De sibille noemt Ragnarök, wanneer de goden zich uit het bestaan terugtrekken en naar hun eigen hemelse sferen gaan en daarmee een grimmig en beangstigend vooruitzicht bieden, maar het verhaal eindigt met een teken van hoop voor de serene wereld die erop volgt.

Vonk

Vuur bestaat in zijn zeven- of tienvoudige vorm op alle gebieden, zodat wij over vonken in verschillende betekenissen kunnen lezen of horen spreken. Atman is de homogene goddelijke vonk die in miljoenen stralen uitstraalt, in zijn geheel vormt hij de oorspronkelijke zeven. Hetzelfde idee kan in een meer mechanische vorm bij Lucretius worden teruggevonden die zegt dat al het vuur uit die ene vonk komt. Vonken kunnen werelden zijn, monaden of zelfs atomen, hoewel het woord eigenlijk altijd voor de jiva in het atoom staat. De goddelijke vonk hangt aan de vlam met de allerfijnste draad van fohat en reist door de zeven werelden van maya en gaat vervolgens omhoog op zijn evolutionaire reis door de bezielde rijken. In de mens is het de monade verenigd met het aroma van manas en wordt dan een jiva genoemd. Het is dat wat van elke persoonlijkheid achterblijft en aan een draad van atman hangt. De persoonlijkheden zijn als de vonken die dansen op de maanverlichte golven — vluchtige weerkaatsingen van hun geestelijke voorbeeld.

Bij de Hebreeën zijn de ’elohim vonken en de cherubijnen zijn de deva’s en vuren en vlammen; en er zijn de rishi’s, de rudra’s en de 49 agni’s of vuren. In het Chaldeeuwse Boek van Getallen slaat de Hamer van de Werker de vonken uit de vuursteen (de ruimte) die werelden worden. De vonken zijn de zeven lonten van de goddelijke vlam. Het aardse scheppende en voortbrengende vuur wordt gevormd door wrijving en dit is de analogie van het hemelse vuur dat er latent in aanwezig is, de vereniging van buddhi met manas.

Heilige Vonk

Gebruikt in de Stanza’s van Dzyan als verwijzing naar de geschiedenis van het vroege ras van mensen en vooral ten aanzien van zijn intellectuele ontwikkeling.

De heilige vonk duidt op het manas-beginsel dat in de mens ongeveer halverwege het derde wortelras werd wakkergeroepen. De vormgevers van de astrale en stoffelijke mens, de barhishad pitri’s, hadden de fysieke mens laten ontwikkelen tot aan het punt waar het denkvermogen een plaats kon worden gegeven en kon functioneren. Daarna hadden wezens van een intellectuele lijn van kosmische evolutie, de manasaputra’s, de intellectuele vonk van de jonge mensheid wakkergeroepen en de mens ging vervolgens verder als een redenerend, denkend en intellectueel en moreel verantwoordelijk wezen.

Sommige rassen zouden zonder een heilige vonk zijn gebleven (SD 2:421) want zij waren ook later nog steeds relatief onverlicht. Toch was dit geen etnologische staat maar alleen evolutionair want zelfs deze delen van de mensheid hebben nog steeds een latent aanwezig intellect, maar een intellect dat nog niet tot leven is geroepen. Deze laatste opmerking slaat inderdaad met net zoveel waarheid op alle lagere natuurrijken — de dierlijke, de plantaardige en de minerale.

Zie ook Heilig Vuur

Voodoo

[van het Fon-dialect vodunu van vodu moreel en religieus leven van de Fons (meervoud van Fon) van Dahomey, ook wel Danxomé genoemd, een koninkrijk in het zuiden van de West-Afrikaanse republiek Benin]

Voodoo is een welomlijnd stelsel van Afrikaanse zwarte magie of toverij, dat ook diverse vormen van dodenbezwering kent. Voodoo heeft Amerika bereikt via de Afrikaanse slaven van de Afrikaanse Westkust en is in en rond de verschillende graden van de cultus blijven bestaan en is een herkenbaar, ook al wordt het nauwelijks begrepen, sociaal element in de geschiedenis en het leven van die volken. Van bijzondere betekenis voor de oorspronkelijke fon-religie waren de tempels in de heilige wouden, met symbolische hiërogliefen op de wanden die de handelingen van hun koningen uitbeeldden, voodoo-legendes enz., die hun geloof in de onkenbare god Meru (Grote Meester) verklaarden. Deze ongemanifesteerde god, te ver verwijderd van de mensen om hen een of andere vorm te kunnen geven, communiceerde via lagere goden en de geest van de natuur, dat wil zeggen voodoo. De priesteressen dienen de tempel met een geheime cultus met vier graden van inwijding en gebruiken wachtwoorden die onbekend zijn aan de leken. De cult van de slang of adder is de meest primitieve vorm van de godsdienst. Zulke ideeën uit het voodoo-verleden degenereerden na verloop van tijd en werden overgroeid door geloofsvormen en gewoontes van grovere inheemse stammen die de basale elementen van een hiërarchische godsdienst dragen, die zo in raadselen waren gehuld dat zij duidden op een oorsprong die ver voorbij de scheppende verbeeldingskracht van wat voor stam ook moeten liggen. Hier, in de vreemde tempels met een duister mysterie, kunnen we beslist de laatst overgebleven echo’s van een of andere oude wijsheidsleer horen van hen die werkelijk zo ‘wijs waren als de slangen.’

Het minst veranderd ten opzichte van het oorspronkelijke stelsel is waarschijnlijk de voodoo-muziek met zijn plechtige, constante ritme die bij een bepaalde stemming past voor een gebed of aanroep. Dit ritme wordt constant aangehouden, zelfs bij de rituele gezangen van Haïti die volledig bestaan uit creoolse teksten, of uit een reeks onverstaanbare of onbegrijpelijke geluiden.

Tegenhangers van de verlagende en boosaardige voodoo-stelsels zijn er met vele verschillende namen, zoals die van de tantrika van India van de linkerhand en de dugpa’s van Tibet. In het algemeen kunnen we zeggen dat al die onheilige praktijken dateren van een tijd waarin de geestelijke kennis en macht door de laatste Atlantiërs werden misbruikt.

Voordalak

(Slavisch) Een vampier ...

een lijk dat geïnspireerd wordt door zijn lagere beginselen en in staat is uit zichzelf een soort van half-leven vol te houden door tijdens de nacht uit het graf op te staan, wanneer dat in de ban is van zijn levende slachtoffers en het bloed daarvan opzuigt. (TG 366)

In Isis ontsluierd worden vele voorbeelden gegeven hoe men vanuit het volksgeloof denkt deze wezens machteloos te kunnen maken.

Men is in alle tijden overtuigd geweest dat deze vampieren bestaan en men gelooft er nog steeds in, vooral in het Oosten (India) waar een van deze soorten, hoewel het een zuiver astrale entiteit betreft, de piśācha wordt genoemd.

Voorgevoel

Een voorgevoel is een waarschuwing voor een ophanden zijnde gebeurtenis, het vaakst gebruikt als waarschuwing voor gevaar of tegenslag. Een profetisch gevoel dat zegt dat een of andere calamiteit op het punt staat te gebeuren. Het verschilt daarin van helderziendheid dat het eerder een gevoel is dan een beeld.

Een gebeurtenis op het fysieke gebied kan worden voorafgegaan door oorzaken die niet waarneembaar zijn voor onze gewone zintuigen en toch zijn de fijnzinniger innerlijke zintuigen zich er wel van bewust. Sommige mensen en veel dieren kunnen een aardbeving voelen aankomen door een gevoeligheid voor bepaalde astrale en stoffelijke omstandigheden die voorafgaan aan de feitelijke aardschok. Wanneer we een geval willen verklaren waarin iemand een rit met een noodlottige treinreis kon vermijden, roept dat de algemene vraag op of zulke zaken voorspeld kunnen worden en het samenhangende probleem van de tijd. In deze gevallen kan het innerlijke waarnemingsvermogen een gebeurtenis zien voordat die op het stoffelijke gebied heeft plaatsgevonden en zulke gevallen zijn te talrijk om ze eenvoudig weg te wuiven en af te doen als verbeelding, of dat het ‘toevallig’ zo is.

Zie ook Profeteren

Voormenselijke rassen

In een fysieke betekenis zijn de voormenselijke rassen de menselijke rassen vanaf het eerste wortelras tot ongeveer halverwege het derde wortelras, voordat de mens een fysieke vorm had gekregen die lijkt op de huidige.

Deze rassen kunnen voormenselijk worden genoemd omdat zij astraal waren of half-astraal / etherisch. Ook kan het duiden op de afgebroken pogingen om wezens te ontwikkelen op hun weg naar een toekomstige mensheid. In een andere en veel hogere betekenis zijn de voormenselijke rassen de zaden van een toekomstige mensheid, deze zaden zijn de werkelijk verheven geestelijk/intellectuele wezens die ooit mensen zijn geweest in een eerder manvantara. Deze zaden werden de zonen van God genoemd, de uit het denken geboren nakomelingen van Brahmā, rishi’s, prajapati’s, manu’s, enz.

In de Bijbel wordt het bestaan van reuzen in een eerder tijdperk van de geschiedenis van de aarde vermeld en de theologie noemt deze de rassen van voor die van Adam.

Voorouderverering

Een gebruik dat over de hele wereld bekend is en gewoonlijk wordt beschreven als een verering van de geesten van ouders en voorouders.

Het is het geloof in het voortgezette bestaan van de overledene en in bepaalde gevallen in hun vermogen om een belang te hebben in, en te worden geraakt door de gelukkige omstandigheden van hun levende nakomelingen. Het is het gevoel van de vereerders dat zij een voortgezette geestelijke eenheid vormen en moreel wederkerig leven met verplichtingen en diensten en dat het welzijn van de levenden afhangt van de vervulling van die verplichtingen ten opzichte van de overledenen. Dit kan worden herkend in de oude Romeinse ideeën in de Aeneis, waar de huisgoden (lares en penates) met zorg werden beschermd gedurende alle wisselvalligheden van het leven. Dit geloof en deze praktijk wijzen naar tijden waarin de dood werd gezien als niet meer dan een gebeurtenis in een voortkabbelend leven. Door die oude gebruiken lijkt het gevoel van een persoonlijke afgescheidenheid te zijn opgegaan in een levendig gevoel van eenheid binnen een gezin, terwijl de voorrechten en verplichtingen na een overlijden van kracht blijven.

Het fundamentele idee achter voorouderverering schijnt te zijn dat de betrokkenen zichzelf als deel van een eenheid ervaren in een voortgaande en nimmer eindigende stroom van levens, die zichzelf door de eeuwen heen voortzet en waaruit individuen opstaan en weer in terugzinken. Het is een visie die schril afsteekt bij het moderne beeld waarin het individu de belangrijkste factor in het leven is.

Voorspellen

[van Latijn divination een waarzegger van divus geestelijk wezen, een god]

Het voorspellen is de kunst van het verkrijgen van verborgen kennis met de hulp van geestelijke of etherische wezens. Het is in twee categorieën in te delen: 1) het opwekken van zienerschap of helderziendheid, en 2) de interpretatie van tekens. In de eerste vallen de mondelinge antwoorden van de pythische priesteres of de cumaeische sibille en de vele daarop lijkende gevallen, inclusief alle gevallen waarin de waarzegger een trance of helderziendheid opwekt, ofwel in hemzelf door een natuurlijke kracht of door incantaties, drugs of andere middelen. Of in een ander persoon, zoals de inkt die wordt gegoten in de palm van de hand van een kind dat er beelden in ziet, of door een of andere vorm van hypnose.

In de tweede categorie vallen geomantie, het lezen van voortekens, het lezen van de tekens op de lever van een geslacht dier, het lezen van kaarten, het werpen van Chinese stokjes, de voorspellende astrologie, handlijnkunde, numerologie en een grote variatie van andere vormen. Tussen de twee categorieën in kunnen praktijken vallen als het staren in een kristal of in water, waar de uiterlijke middelen en de innerlijke beelden beide een rol spelen voor het te behalen resultaat. Vaak is het een middel om de eigen innerlijke vermogens te benutten, ofwel door natuurlijke of door opgewekte helderziendheid, of door gebruik te maken van de middelaars die de gebeurtenissen regelen die schijnbaar als gewoon worden gezien als het vallen van kaarten, tekens in het zand en het trekken van loten. En deze laatste is verwant aan het onderwerp van voortekenen.

De universele samenhang in de natuur, de wisselwerking van alles met alles, impliceert dat de meest voor de hand liggende triviale gebeurtenissen noodzakelijkerwijs zijn verbonden met andere gebeurtenissen, zodat de ene kan worden geïnterpreteerd door middel van de andere, voor zover de waarzegger de regels kent en het inzicht en het vakmanschap heeft. Dus bij het voorspellen met kaarten geeft iemand de kaarten met het denken gericht op de gewenste kennis, waar het vallen ervan wordt geregeld door deze ongeziene en weinig begrepen invloeden. Het mag duidelijk zijn dat de omstandigheden en capaciteiten van de waarzegger een essentiële rol spelen voor het succes van elke poging, vandaar dat de aanwijzingen met betrekking tot vasten, matigheid, kuisheid en dergelijke, zo vaak bij de voorbereiding worden vereist.

De kunst van het waarzeggen is altijd over de hele wereld bekend geweest. Tegenwoordig is deze kunst, net als zoveel andere oude gebruiken, in een kwaad daglicht gesteld vanwege het grove misbruik ervan, zoals het misbruik bij zwarte magie en toverij. Dezelfde opmerkingen zouden ook van toepassing kunnen zijn voor gevallen van psychisme, seances, enz. — want een groot deel van de mensheid is noch wijs noch evenwichtig genoeg om zulke methoden zuiver uit te voeren. En er is een te grote tendens om het voorspellen alleen maar te doen voor de bevrediging van persoonlijke verlangens of nieuwsgierigheid. We zouden er veel verstandiger aan doen op onze geestelijke vermogens te letten en die te ontwikkelen, die zijn onvergelijkelijk veel krachtiger en effectiever, zoals de intuïtie.

Er mag aan worden toegevoegd dat zulke praktijken als het slachten van dieren om de ingewanden ervan te lezen, in welke tijd dan ook, nooit tot de goddelijke of witte magie hebben behoord.

Voortplanting

Onder voortplanting wordt binnen de theosofie onder andere begrepen de steeds uitgebreidere methoden waarvan de menselijke levensgolf voor zijn voortbestaan en als soort op aarde gebruik heeft gemaakt en die een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van de samengestelde menselijke natuur.

Uiteraard maakt voortplanting ook deel uit van de evolutionaire geschiedenis van de ronden en rassen. Het wederbelichamende ego manifesteerde zijn samengestelde natuur naar de mate van de diverse graden van zuiverheid van de stof waarin en waardoor die langzaam afdaalde, gebied na gebied, tot aan de huidige staat waarin wij nu verkeren. Het bewijs van deze reeksen van etnische belichamingen en van de steeds verder ontwikkelde voortplantingsmethoden kunnen worden teruggevonden in de vormingsstadia van het menselijke embryo, in de zichtbare of nauwelijks zichtbare rudimentaire organen in volwassenen en in de voortplantingsmethodes die nog steeds worden gebruikt in de lagere natuurrijken van planten en dieren.

De histoloog, de bestudeerder van weefsels en organen, ziet wanneer hij de deling van cellen observeert, een herhaling op microscopisch niveau van de eeuwenoude geschiedenis van de reeksen van wederbelichamingen van de mens. Hij ziet in de laagste levensvormen een homogene druppel protoplasma die zich in tweeën deelt. Dan, in een cel met celkern, splitst de celkern zich in twee onderkernen die zich binnen de celwand ontwikkelen, of zij breken er doorheen om zich buiten die cel in onafhankelijke entiteiten verder te ontwikkelen. Deze deling is een kopie van de voortplantingsmethode van het eerste wortelras. De daaropvolgende soort voortplanting is die van knopvorming, waar een deel van de ouder aan de oppervlakte opzwelt om zich uiteindelijk af te scheiden en uit te groeien in een volgroeid individu zoals in vele groenten, de zeeanemoon, enz. is te zien. Dit is een herhaling van de manier waarop het ras van oermensen zich ontwikkelde vanuit de eerste voortplantingsmethode. Bij de volgende stap in de biologie werpt het ouderorganisme één enkele cel af die zich ontwikkelt tot een meercellig organisme dat lijkt op de ouder, zoals bij bacteriën en mossen. De vorming van deze sporen wordt gevolgd door een tussenliggende vorm van hermafroditisme waarbij de biseksuele organen in hetzelfde individu aanwezig zijn, zoals bij planten.

Aansluitend zien we ongeveer halverwege het tweede wortelras hoe de ‘knoppen’ veel talrijker worden, wat zoölogen menselijke sporen of zaden zouden noemen of wat Blavatsky beschreef als levensvatbaar zweet. Dus veel van deze knoppen zouden in bepaalde seizoenen de ouder verlaten wanneer de ouder-entiteit rijp was geworden, zoals de sporen of zaden van planten tegenwoordig doen. Deze zaden werden verzorgd door de natuur en ontwikkelden in het juiste milieu. Tegenwoordig wijzen de uitzonderlijke gevallen van de geboorte van meerlingen nog op deze omstandigheden rond voortplanting van vele, vele miljoenen jaren geleden.

Na talloze miljoenen jaren ontwikkelde het tweede wortelras zich geleidelijk tot het vroege derde wortelras en de menselijke individuen androgyn werden. Zij vormden een bevruchte kiem die werd afgeworpen als een ei, ongeveer zoals tegenwoordig te zien is bij vogels en bepaalde reptielen. Deze menselijke eieren rijpten langzaam en uiteindelijk kwam er een kind uit, zonder enige hulp, bijna zoals het kuiken nu doet. De hermafrodiet van het vroege derde wortelras begon zich heel geleidelijk in geslachten te scheiden, in de ongeboren eieren, door de impuls of drang van de in de natuur aanwezige wetten van emanatie en evolutie. Dit ras moest op zijn beurt het vierde wortelras naderen en erin opgaan, zodat de kinderen in toenemende aantallen werden geboren uit een baarmoeder, zoals we dat tegenwoordig kennen.

Niet alleen hield de ontwikkeling van de verschillende voortplantingsmethoden gelijke tred met de veranderende omstandigheden van de ronden en rassen maar wordt ook duidelijk waarom het einde van bepaalde rassen wordt versneld door een ongewone steriliteit bij vrouwen, die niet op een andere manier kan worden verklaard, simpelweg doordat hun levensduur bijna is verstreken. Bovendien is de huidige methode van voortplanting net als die van alle eerdere methoden, een voorbijgaande fase van de wederbelichaming van de mens en ook die zal te zijner tijd tot de menselijke evolutiegeschiedenis gaan behoren en de andere nieuwe methoden, waarvan de schaduwen vooruit zijn geworpen, zullen hun plaats hebben ingenomen. Als de mens op de opgaande boog zijn hogere natuur ontwikkelt en naar buiten brengt, zullen zijn kinderen door en uit hemzelf in de wereld worden gebracht door zijn geestelijke en intellectuele scheppende vermogens op basis van zijn wil.

Vooruitzien

Vooruitzien is het zien van een gebeurtenis met het innerlijke oog nog voordat die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Omdat het innerlijke oog onafhankelijk functioneert van de tijd op basis waarvan onze zintuigen en het denken reageren, is het zich ook bewust van zaken die voor ons gewone waarnemingsvermogen alleen in de toekomst zouden afspelen. Vandaar dat als een verbinding is gelegd tussen ons bewustzijn en dit innerlijke waarnemingsvermogen wij een beeld van gebeurtenissen kunnen ontvangen die nog niet in het heden zijn aangekomen. Gebeurtenissen op het stoffelijke gebied zijn de gevolgen van oorzaken die zich voorbereiden op onzichtbare gebieden. Het gevolg volgt de oorzaak — maar niet onfeilbaar, maar in wisselende maten van waarschijnlijkheid. De theosofie onderwijst een objectief idealisme, wat betekent dat het heelal met al zijn fenomenale of gemanifesteerde eigenschappen een product van maya is, maar dat dát maya voor alle wezens die in zo’n heelal onderworpen zijn aan de macht ervan — dat wil zeggen de gebeurtenissen, manifestaties en soortgelijke dingen die kúnnen gebeuren — relatief werkelijk is voor hun bewustzijn. Dus voor het oog van de geest — het ontwaakte oog van Śiva zoals dat in het Oosten wordt genoemd — verschijnen alle gebeurtenissen van het verleden, heden of de toekomst in het eeu­wi­ge Nu, een schaduw die wordt geworpen door de golven van maya voor het bewustzijn van het ziende oog en dit is het eraan ten grondslag liggende feit dat het vermogen van vooruitzien geeft, een heus voorgevoel, vooruitziendheid, enz.

Zie ook Profeteren; Voorgevoel

Voorzienigheid

[van Latijn providens voorzien]

Voor de mens betekent het voorzichtigheid, anticiperen, wijsheid uit de praktijk. Maar wanneer het wordt gebruikt voor een goddelijk wezen staat het in het Westen voor de beschermende zorg die zich onderscheidt door een hogere wijsheid dan die van ons. Voorzienigheid is gelijk aan het Griekse phronesis dat kan worden vertaald als goddelijk licht.

Zie ook Karma; Nemesis

Vorm

De drie hypostasen van het objectivisme van Aristoteles zijn gemis, vorm en materie die kunnen worden vergeleken met [de drie-eenheid] Vader-Moeder-Zoon, waar echter ook het leven onder wordt gerekend. Met het gemis wordt niet leegte of het ‘niets’ bedoeld want de term slaat alleen op dat wat voorafgaat aan vorm en aan het actieve gemanifesteerde leven als de wortel-oorzaak en bron van de laatste. En omdat het vormloos is wordt het ‘het gemis’ genoemd omdat als het inderdaad geen vorm heeft het ook geen beperkingen of beklemmingen kent. Vorm is ook hetzelfde als voertuig en dus ook lichaam of belichaming en ook het rupa van het Sanskriet, wat te zien is in het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de rupa en arupa-werelden (zie hieronder).

Vormloos

Gelijk aan het Sanskrietwoord arupa (zonder lichaam of vorm).

Omdat een totaal vormloos iets op zijn eigen gebied geen kwaliteiten heeft waarmee het kan worden onderscheiden van enige andere entiteit of ding aldaar, schijnt het woord eerder te betekenen ‘zonder lichaam’ of vorm gezien vanuit ons aardse standpunt. Vandaar dat het betekent dat er entiteiten in de arupa-sferen bestaan in een toestand die Plato ‘ideeën’ noemde, die zullen worden belichaamd in de diverse lagere gebieden in een of andere periode gedurende het immens lange kosmische bestaan. Er bestaat geen kosmisch pralaya voor arupa-entiteiten, omdat alleen de rupa’s uiteenvallen. Maar deze verklaring, hoe waar ook, geldt alleen vanuit een aards standpunt.

Vorsten

De zevende orde van engelen in de hemelse hiërarchie van pseudo-Dionysius de Areopagiet. Deze hiërarchie is terug te vinden in het Nieuwe Testament:

Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch vorsten, noch machten, noch tegenwoordige dingen ... ons zullen kunnen scheiden van de liefde van God. (Romeinen 8:38-9)

Vorsten is hier de vertaling van het Griekse woord arche (het begin, eerste beginsel, gebied onder bestuur, heerser en wet als abstractie). In het Latijn is het principatus (het begin, soeverein). Er wordt verwezen naar de erkende namen van de gnostische hiërarchische stelsels van aeonen of emanaties.

Uit het Denken komt het woord naar voren, Logos, uit het woord de Voorzienigheid [eerder goddelijk licht] en dan komt daaruit Kracht en Wijsheid in Vorsten, Machten, Engelen, enz. (de leer van Basilides)

Al deze verschillende bewoners van de sterrenwereld zijn kopieën van oeroude prototypen.

In een tekst met betrekking tot het oude Syrische overzicht van hiërarchieën wordt de laagste of ondermaanse wereld — de aarde — geregeerd door de engelen, de sfeer van Mercurius door de aartsengelen, die van Venus door vorsten, die van de zon door de zonnegoden met de naam ‘machten,’ die van Mars door krachten, Jupiter heerschappijen en Saturnus tronen*.

De negenvoudige hiërarchie zoals die door Dionysius de Areopagiet is onderverdeeld in drie triaden is niets anders dan een christelijke kopie van de oude occulte leer die is overgenomen van neoplatonische en neopythagorese gedachten die rond het begin van de christelijke jaartelling en gedurende een paar eeuwen daarna algemeen bekend en wijdverbreid waren in de landen rond de Middellandse Zee. De oude wijsheid waar al deze verschillende gedachtestelsels oorspronkelijk vandaan kwamen, was ook bekend met zo’n stelsel van hiërarchieën die op een natuurlijke wijze in een soortgelijk overzicht van negen, tien of zelfs twaalf afdelingen van kosmische krachten en substanties konden worden samengevat. Deze verschillende klassen van hemelse wezens of engelen zijn de verschillende soorten entiteiten die ons zonnelstelsel vullen en werkelijk opbouwen of vormen en waaraan de theosofie andere namen geeft dan die door Dionysius werden gebruikt.

*OV: Zie Beginselen van de Esoterische Filosofie, G. de Purucker, blz. 320.

Votan

Een wetgever en vergoddelijkte held van het oude Amerika, die volgens de overlevering de stichter van de beschaving van Centraal-Amerika zou zijn.

De overleveringen zoals die zijn vastgelegd door Abbé Brasseur de Bourbourg zeggen dat hij van over zee kwam met grote schepen en dat hij en zijn kameraden lange loshangende gewaden droegen en een taal spraken die leek op die van de Nahuatl — wat lijkt op het verhaal dat wordt verteld over Quetzalcoatl. Hij zag dat het volk van Centraal-Amerika van Darién tot aan Californië, onder mensonterende omstandigheden leefde, in kale hutten of spelonken en zich kleedde met huiden. Votan leerde het volk de kunsten en wetenschappen, zoals de landbouw en de kunst van het weven. Hij vestigde vormen van bestuur en leerde hen de waarheid over de goden en hun allerhoogste hoofd genaamd de god van waarheid, die in het begin werd aanbeden zonder tempels en zonder altaren. Volgens de overlevering stichtte hij de stad Palenque, wat de oudste stad van Centraal-Amerika zou zijn.

Votan is ...

waarschijnlijk dezelfde als Quetzal-Coatl; een ‘zoon van de slangen,’ iemand die toegang had ‘tot de slangenkuil,’ wat betekent een adept die toegelaten was om ingewijd te worden in de geheime kamer van de tempel. (TG 366)

Vrata

(Sanskriet) Vrata meervoud Vratani [van de werkwoordstam vṛ selecteren, kiezen]

Kracht, wet.

Vriddha-garga

(Sanskriet) Vṛddha-garga

Oude Garga. Een oude wijze die een van de oudste schrijvers op het gebied van de astronomie was.

Vriddha-manu

(Sanskriet) Vṛddha-manu [van vṛddha oud + manu een oude wetgever]

Een oude bespreking van De Wetten van Manu, waarschijnlijk het originele werk waarnaar wordt verwezen in enkele Sanskrietgeschriften maar die onbekend is aan oriëntalisten.

De Vrije Wil

De vrije wil is de inherente macht of capaciteit om te kiezen, is goddelijk in oorsprong en wordt door elk wezen in de kosmos tot op een bepaalde hoogte bewust of onzelfbewust uitgeoefend waarmee hij zijn werkelijke zelf ontwikkelt.

Elk ding en wezen heeft zijn eigen essentiële kenmerk of svabhāva en elk heeft noodzakelijkerwijs zijn relatieve aandeel in de inherente vrije wil om zijn lotsbestemming uit te werken. Aangezien evolutie een naar buiten komen van de in-gewikkelde monadische essentie betekent, is het het ontvouwen of ont-wikkelen van innerlijke capaciteiten en eigenschappen, iets wat niet kan worden gemaakt hoezeer het ook door iets buiten zichzelf zou worden gestimuleerd. De ene goddelijke wil is de kracht achter evolutie op alle gemanifesteerde gebieden door de gehele kosmos heen. Vandaar dat elke entiteit als een eenheid van het goddelijke Al, zijn deel aan vrije keuze en macht heeft om naar buiten te brengen wat in hemzelf aanwezig is.

Vrije wil betekent ook de manifestatie, hoe zwak ook, van de vegetatieve of automatische activiteit van de wervelende elektronen van het atoom en is ook terug te vinden in de typische activiteiten van de stof als cohesie, polariteit en elektriciteit, in de verschillende groeivormen van het plantenrijk, op het gebied van dierlijke activiteiten, in de ontwikkelende mens en in de vervolmaakte mensen die goden worden genoemd en verder omhoog langs de ladder van het Zijn. De vrije wil handelt op basis van de drang die er bijvoorbeeld voor zorgt dat een monade van de mineralen zijn eerdere kleed afwerpt om een nieuwe aan te nemen in het plantenrijk, waaruit het opnieuw na het afwerpen van deze laatste, zich verder ontwikkelt in het dierenrijk en zorgt er ook voor dat een monade ook deze dierlijke vormen afwerpt om een menselijke vorm aan te nemen waar hij zijn bereik en invloed vergroot omdat hij nu in een bepaalde mate zelfbewust handelt.

Het karma dat een mens in omstandigheden brengt die hij in het huidige leven niet kiest of wenst, past toch bij zijn vrije wil omdat het het resultaat is van al zijn eerdere handelingen die nu worden uitgedrukt in gevolgen. Deze reacties van oorzaken die hij in beweging heeft gezet in dit of een van zijn vorige levens, vormen het resultaat dat behoort bij zijn eerdere keuzes en vormen een zelfopgelegd lot, maar het is niet fatalisme omdat hij nu opnieuw vrij is om te besluiten hoe hij de uitkomsten van wat hij eerder voor zichzelf had gekozen onder ogen ziet. Karma is wiskundig exact zowel materieel als metafysisch, maar er spelen zoveel elementen van keuze en verhoudingen een rol dat zijn gevolgen noodzakelijkerwijs moeten worden gemeten op een glijdende schaal van het Zijn, om het zo maar uit te drukken.

Er is ook een automatische fase van de vrije wil in het doelmatige instinct dat zelfs de verschillende activiteiten van de kleinste en laagste levensvormen kenmerkt. De onzelfbewuste dieren worden beschermd en daarom geleid door de wil van hemelse wezens die de zogeheten wetten van de natuur vormen en toch kiezen zelfs de dieren er instinctief voor hun eigen innerlijke soorten van svabhāva uit te werken. Zij willen onbewust zichzelf zijn en doen niemand na. Zij hebben een vrije wil precies in verhouding tot hun bewustzijn, net zoals ieder mens dat heeft in de hogere graden van zijn begripsvermogen en een meer actieve intuïtie. Dus mensen hebben het vermogen om hun eigen evolutie uit te werken, want ‘het koninkrijk der hemelen moet met kracht worden genomen’. De goden zijn vooruit gegaan op de weg naar alwetendheid — voor zover het om ons heelal gaat — door hun eigen individuele inspanningen om bewust in steeds grotere harmonie te handelen met die ene goddelijke wil. Dus het volume of de kracht van de vrije wil verhoudt zich strikt in die mate waarin de entiteit de centrale vonk van het goddelijke willende vuur dat alles dat er is bezielt, tot ontwikkeling heeft gebracht. Toch heeft niet één enkel wezen of entiteit een volledig vrije en volmaakt onverantwoordelijke vrije wil en moet elk zo’n entiteit door zijn relatieve onvolmaaktheid en door zijn niet te ontlopen onderworpenheid aan grotere willen, zich altijd ontwikkelen vanuit zijn stadium van onvolmaaktheid terwijl die klimt op de ladder van het Zijn: zij die op de hogere sporten van de hiërarchische ladder staan willen bewust in een steeds grotere mate de grotere goddelijke wil volgen die alles in zijn greep houdt.

Vrijmetselarij

Er is een operatieve (praktische) vrijmetselarij die staat voor de kunst van het bouwen met steen en er is een speculatieve en symbolische vrijmetselarij, zo genoemd sinds 1717 toen vier Engelse loges van operatieve vrijmetselaars de Grand Lodge of England of Speculative and Emblematic Freemasonry (de grootloge van Engeland van speculatieve en emblematische vrijmetselarij) oprichtten. De laatste werd zo genoemd omdat de bouwmaterialen, gereedschappen en instrumenten symbolisch en naar analogie worden gebruikt bij het bouwen van het heelal en de mens, als de tempel van een God.

Maar onder de oude oorspronkelijke vrijmetselaars, en zelfs die van tegenwoordig in alle landen van het Oosten, overal ...

waar de magie en de wijsheid-religie maar worden bestudeerd, staan zij die deze beoefenen en bestuderen, bij hun orde bekend als bouwers, want ze bouwen de tempel van kennis, van geheime wetenschap. Die adepten die actief zijn, worden praktische of operatieve bouwers genoemd, terwijl de studerenden of neofieten tot de speculatieve of theoretische worden gerekend. Eerstgenoemden tonen door hun werken aan dat ze de beheersing hebben over de krachten van zowel de onbezielde als de bezielde natuur; laatstgenoemden zijn bezig zich te vervolmaken in de eerste beginselen van de heilige wetenschap. (IU 2:392)

De moderne vrijmetselarij kent vele riten en graden, al de zogeheten hogere graden zijn gebaseerd op de drie fundamentele graden van vakmanschap — 1) leerling, 2) gezel en 3) meester — welke graden de geheimen van de ware vrijmetselaar omvatten en een rechtmatig bewijs vormen dat zij afstammen van de oude vrijmetselarij. De lessen of leidende gedachten van deze drie graden beslaan respectievelijk 1) het ethische, het onderwerpen van de hartstochten; 2) het intellectuele, het oefenen van het denken, de zeven liberale kunsten en wetenschappen en het beklimmen van de ladder van wijsheid; en 3) het spirituele, het overwinnen van de dood. De lessen worden in elke graad versterkt en geïllustreerd met passende symbolen en allegorieën. Het centrale thema van de moderne vrijmetselarij is het bouwen van de tempel van koning Salomo; de dood van Hiram Abif en als gevolg daarvan het verliezen van het Woord; de wederopstanding van Hiram Abif, en het doorgeven van het vervangende Woord.

De moderne vrijmetselarij is zonder twijfel niets anders dan de fletse en vage weerspiegeling van de oeroude occulte vrijmetselarij, van de leringen van die goddelijke vrijmetselaars van de Mysteriën van de prehistorische en voorwereldlijke Tempels en Inwijdingen, opgericht door waarlijk bovenmenselijke Bouwers. (BCW 14:168)

 De Tempel was de laatste Europese geheime organisatie die als groep enkele mysteriën van het Oosten in haar bezit had. Het is waar dat er in de afgelopen eeuw opzichzelfstaande ‘broeders’ waren (en misschien nu nog zijn), die trouw en in het geheim werkten onder leiding van oosterse broederschappen. Maar als deze tot Europese genootschappen behoorden, sloten zij zich zonder uitzondering daarbij aan met bedoelingen die aan de broederschap onbekend waren, hoewel dat tegelijkertijd in haar voordeel was. Door hen zijn de moderne vrijmetselaars in het bezit van al hun kennis die van belang is; de overeenstemming die men nu tussen de speculatieve rituelen van de oudheid, de mysteriën van de essenen, gnostici en hindoes, en de hoogste en oudste maçonnieke graden ziet, is hiervoor een duidelijk bewijs ...
 Hun geheime doel was vrijheid van intellectueel denken en herinvoering van één universele religie. (IU 2:380, 382).

  De eenvoudige waarheid is dat de moderne vrijmetselarij betreurenswaardig verschilt van wat de eens universele geheime broederschap was ... en de tijd is gekomen om de vrijmetselarij te hervormen, en die oude, aan de vroegere broederschappen ontleende mijlpalen, die de 18de eeuwse stichters van de speculatieve vrijmetselarij in de broederschap hadden willen opnemen, weer te herstellen. (IU 2:387, 377)

De vrijmetselarij was in feite begonnen als een onbeduidende theosofische beweging net zoals de oorspronkelijke Orde van de Tempel en de Orde van Rozenkruisers, elk was ontworpen met het doel om in de buitenwereld voor zover het mogelijk was in die tijden de kennis van de oude wijsheidsleringen levend te houden.

Vril

De vril was een geweldige magische kracht die werd aangewend door de mensen in The Coming Race, een posthuum uitgegeven roman van Bulwer-Lytton.

Blavatsky vergeleek de vril met de Atlantische mash-mak, de trillingskracht van J.W. Keely, de kracht van geluid, Éliphas Lévi’s astrale licht, ākāśa, enz. enz.

Vrischika

(Sanskriet) Vṛścika — Schorpioen.

Het achtste teken van de dierenriem, Scorpio. Sommige hindoe-mystici zeggen dat die Vishṇu voorstelt die het heelal groter maakte: de uitzetting van het mystieke bija (zaad) van Vishṇu in het heelal, als een gemanifesteerd symbool van de scheppende activiteit.

Vritra

(Sanskriet) Vṛtra

De demon van droogte in de vedische literatuur, de grote vijand van Indra, god van de sterrenhemel, waarmee hij voortdurend in oorlog was. Vritra werd uiteindelijk door Indra overmeesterd en gedood, vandaar dat de laatste Vritra-han (doder van Vritra) wordt genoemd (zie hieronder).

Vritra-han

(Sanskriet) Ook Vritra-jitVṛtra-han, Vṛtra-jit

De vernietiger van Vritra. Een bijnaam van Indra, god van de sterrenhemel, die voortdurend in oorlog was met Vritra, de vedische demon van droogte.

De Vrouw en het Vrouwelijke

De vrouw of het vrouwelijke is in de filosofie het symbolische moeder-aspect van de natuur of de vrouwelijke eigenschappen van het heelal, zoals dat altijd is terug te vinden in de triaden van Vader-Moeder-Zoon (in het christelijke overzicht veranderd in Vader, Zoon en Heilige Geest — de Heilige Geest werd in het eenvoudige christendom echter altijd als vrouwelijk gezien).

Sinds onheuglijke tijden is het de gewoonte geweest om de oorspronkelijke geest/substantie die later de stof werd, te vereenzelvigen met het kosmische vrouwelijke beginsel dat symbolisch werd voorgesteld door een horizontale lijn. De geest werd altijd geassocieerd met het mannelijke beginsel (voorgesteld door een verticale lijn), maar de woorden vrouwelijk en mannelijk zijn slechts geleend van mensen en de kenmerken van de tevoorschijn komende kosmische beginselen zouden eigenlijk veel beter kunnen worden uitgedrukt door paren van tegengestelden als negatief en positief.

Bij kosmogenese wordt het vrouwelijke beginsel vertegenwoordigd door de wateren van de ruimte of de grote diepte, die vaak de moederschoot van de natuur wordt genoemd. Uit deze beeldspraak ontstond in enkele oude kosmogonieën, zoals in die van de Hebreeën, het idee van de ark die alle levenskiemen van het heelal draagt en werd beschreven als rustende of bewegende op het water om uiteindelijk erbovenuit te stijgen wanneer die tot bloei komt. Een ander symbool van het heelal als kiem, nog voordat enig aspect van manifestatie tevoorschijn is gekomen, is de matripadma of de gesloten ‘moeder-lotus,’ nog vóór de kosmische bloei is opgewekt door de geest en tot uitbreiden is aangezet en dan het heelal wordt. Daar wordt ook naar verwezen door devamatri (de goddelijke moeder), de matrix van waaruit alle zonnen en planeten worden geboren.

In de kosmogonie van de Hebreeuwse Kabbalah wordt de eerste sefira, die emaneert uit de latent aanwezige godheid, soms vrouwelijk voorgesteld. En toch, wanneer deze vrouwelijke emanatie scheppend wordt, worden er typisch mannelijke trekjes aan toegevoegd, zodat zij op dit punt mannelijk/vrouwelijk zou zijn. Deze eerste geestelijke emanatie die voortkomt uit zichzelf, is de volgende fase van de kosmogonische vorming en wordt de shekinah genoemd, de moeder van alle daaropvolgende geëmaneerde sefiroth. Dus de shekinah is een echo van de zeer oude kosmogonische beschouwingen van de hindoes die overeenkomt met pradhana of prakriti.

In de theosofische kosmogonie wordt de ruimte nog voordat enige kosmische activiteit is begonnen vaak de Grote Moeder genoemd en aan het begin van een manvantara, wanneer Vader-Moeder samen met de ruimte gaan emaneren worden zij svabhavat of moeder-ruimte genoemd. Svabhavat is de emanatie van kosmische ruimte of duisternis — zo genoemd omdat het zijn duidelijke en onversneden essentiële geest zo goed als voorbij het bereik van het licht van het denken valt, zoals dat dan is verschenen in de mensheid.

Metaforen als vrouw en moeder zijn altijd symbolisch wanneer er wordt gedoeld op het moederschap en hebben absoluut niets te maken met het fysieke geslacht, want ...

de esoteriek negeert de beide seksen. Haar hoogste godheid is even geslachtloos als vormloos, noch vader noch moeder, en haar eerste gemanifesteerde wezens, zowel hemelse als aardse, worden alleen maar geleidelijk androgyn en scheiden zich ten slotte in verschillende seksen. (SD 1:136n)

Oorspronkelijk, in de oudheid, was dit heel duidelijk en werd goed begrepen zodat er geen verlaging was of een verkeerd begrip van deze vormen van beeldspraak. Maar met de neergaande cycli raakten de godsdienstige ideeën van de mensheid net zo gematerialiseerd: de belangrijkste ideeën werden vergeten of raakten verloren, abstracties werden geconcretiseerd tot stof, een mannelijke Schepper of vrouwelijke Schepster werden toen aan de top van de verschillende pantheons geplaatst en de vroege religieuze filosofie — die net zo wetenschappelijk was als het religieus en filosofisch was — wierp op de achtergrond van het ruimtelijke heelal beelden van menselijke omgevingen en manieren van leven, zodat de goden van de mythen uiteindelijk als mensen werden voorgesteld, krachtiger maar net zo goed geraakt door hartstocht, gedreven door impulsiviteit en hierdoor beperkt, net zoals de mensen dat zijn. Zo’n projectie van menselijke eigenschappen in de kosmische ruimten leidde tot een nog gematerialiseerder beeld van de goden, zodat de vrouwelijke of vormende eigenschappen van de natuur in de populaire godsdienstige mythen uiteindelijk bezweken voor de mannelijke en het eerdere, in essentie prachtige idee van moedernatuur, werd vervangen door de zuiver mannelijke trekjes van de nationale goden, waarvan velen er duidelijk mannelijk en boosaardig uitzagen, zoals de joodse Jehovah, die kon groeien in toorn en met genoegen de zoete lucht van verbrande offers opsnoof of als de Griekse Zeus die van zijn voetstuk viel door onwaardige passies.

Geen enkel exoterisch religieus stelsel heeft ooit een vrouwelijke schepper aanvaard en daarom werd de vrouw vanaf het eerste opkomen van volksreligies als de mindere van de man beschouwd en behandeld. Alleen in China en Egypte werden Kwan-Yin en Isis op één lijn gesteld met de mannelijke goden. (SD 1:136n)

 De aspecten van Isis zijn bijvoorbeeld bekend genoeg: als de moeder met haar kind en als de trouwe spirituele partner van Osiris — deze waren gemakkelijker te begrijpen voor het volk, maar in het heiligdom bleef Isis de universele kosmische natuur, de kosmische vormende moeder, de godin waarvan de sluier van de natuur nimmer door een gewone sterveling werd opgetild. Plutarch maakt melding van een inscriptie gericht tot Isis:

Ik ben alles dat is geweest, dat is, en dat zal zijn, en niemand heeft ooit mijn sluier weggetrokken (De Iside et Osiride) waaraan werd toegevoegd ‘de vrucht van mijn schoot werd de zon’. (Proclus, Commentary on the Timaeus, 1:82)

Maar in China was het ideële kosmisch vrouwelijke ‘Kwan-yin,’ de moeder van genade en kennis die in Hindoestan mahat of kosmisch buddhi wordt genoemd. Zij wordt het drievoudige in Kwan-shai-yin ...

omdat zij in haar metafysische en kosmische wisselwerkingen de ‘moeder, de vrouw en de dochter’ van de logos is, juist zoals zij in de latere theologische vertalingen ‘de vader, de zoon en (de vrouwelijke) heilige geest’ werd — de sakti of energie — de essentie van de drie. (SD 1:136)

Onder de gnostici werd de waarheid zelf beschreven als een naakte godin, elk deel van haar kosmische vormen droeg een getal en een letter. Deze goddelijke wijsheid noemden zij Sophia die vrijwel hetzelfde is als de kabbalistische shekinah. Zelfs in het moderne Westen heeft het instinct besloten dat gerechtigheid moet worden weergegeven als vrouwelijk, net zoals vrijheid en vrede (twee keer ‘v’).

De gnostische Sophia, ‘wijsheid’, die ‘de moeder’ is van het Achttal, ... is de heilige geest en de schepper van alles, evenals in de oude stelsels. De ‘vader’ is een veel latere vinding. De vroegste gemanifesteerde logos was overal vrouwelijk — de moeder van de zeven planeetkrachten. (SD 1:72n)

Het vrouwelijke beginsel

Als de ongemanifesteerde Een eenmaal de Duade is geworden, het tweetal, doordringt dualiteit de kosmos die vaak wordt voorgesteld als mannelijk én vrouwelijk of als actief en passief, geest en stof, denken en lichaam, positief en negatief.

De laatstgenoemde uitdrukkingen verdienen altijd de voorkeur omdat zij geen menselijke eigenschappen hebben. Synoniemen voor het vrouwelijke beginsel zijn wortelstof, mulaprakriti, de eeu­wi­ge kosmische Maagd, de Grote Moeder, de moederschoot van de natuur, de kosmische ark enz. Het fysieke onderscheid dat dit symbool aan het menselijke denkvermogen geeft is dat van dualiteit en als we redeneren van beneden naar boven kunnen we gemakkelijk de vergissing maken dat we de eigenschappen van een fysieke menselijke aard toekennen aan hemelse wezens en de voortbrengende krachten van de kosmos, wat resulteert in fallisme en de verlaging van heilige symbolen.

De mannelijke en vrouwelijke beginselen zijn geen entiteiten in zichzelf maar aspecten van een eenheid en aangezien elk element een samengestelde entiteit is, wijzen de woorden mannelijk en vrouwelijk, als ze zijn gebruikt voor een bepaald element, slechts op een tijdelijke overheersing van de ene of de andere kwaliteit.

Nogmaals, er wordt niet gekeken naar de fundamentele natuur maar naar relaties, zodat wat vrouwelijk is met betrekking tot een ding, dat mannelijk kan zijn ten aanzien van iets anders..

Vul

(Chaldeeuws) De god van de atmosfeer.

Gelijk aan Indra van de hindoes. Hij werd later vervangen door Anu, de god van de hemel, die met Bel en Ea de grote Babylonische triade vormde.

Vulcanus

[van Latijn Vulcanus]

Astronomen hebben enkele keren het bestaan van een planeet tussen de zon en Mercurius vermoed en baseren dit vermoeden op meerdere verschillende waargenomen verstoringen in de omloopbaan van Mercurius. Lang geleden werd voor deze onbekende planeet de naam Vulcanus voorgesteld. Er werd op 26 maart 1859 gerapporteerd dat een hemellichaam langs de zonneschijf ging en toch is er sinds die tijd niets van dit hemellichaam gezien, hoewel er wel naar werd gezocht.

De theosofie stelt dat er een planeet is die nu in het algemeen onzichtbaar is voor de onderzoekende mens en die dichter bij de zon staat dan Mercurius en dat die verdween voor het menselijke oog tijdens het derde wortelras, na de val van de mens tot lichamelijke voortplanting. De Ouden spreken van zeven heilige planeten en de zon werd vaak genoemd als een vervanger of een versluiering van deze planeet.

Vulcanus is ook de oude Romeinse god van het vuur, die altijd vergeleken werd met de Griekse Hephaestos, die volgens het volksgeloof van de Romeinen zijn werkplaats onder diverse vulkanische eilanden zou hebben gehad, maar vooral onder de Etna. Het eiland Lemnos was altijd aan hem gewijd geweest. Hij wordt voorgesteld als de daarop lijkende goden van het Oosten zoals de hindoe Visvakarman of Tvashtri, als een ontwerper, kunstenaar of architect-bouwer van het kosmische bouwwerk. En net zoals zijn tegenhangers die de smeden van de goden waren en makers van hun goddelijke wapens, was ook hij Heer van de constructieve kunsten, meester van wel duizend ambachten, enz. Niet alleen werd zijn smidse onder de Olympus voorzien van vuur, aambeelden en alles wat een smid maar nodig heeft, maar volgens de beschrijvende verhalen van de Griekse en Romeinse mythologie werd hij bovendien geassisteerd door automatische dienstmaagden die Vulcanus zelf had gemaakt. De godheid neemt een prominente plaats in in de Homerische gedichten waarin hij de zoon van Jupiter en Juno is.

De legenden vertellen dat Vulcanus als de goddelijke ambachtsman — die zowel kosmisch als microkosmisch actief is — meewerkte aan de vorming van het ras van mensen. Hij ontwierp ook Pandora en hielp bij de geboorte van Minerva — want hij opende het hoofd van Jupiter met een bijl om de godin uit het hoofd van de vader van zowel goden als mensen te laten komen.

Vulcanus komt overeen met het theosofische fohat.

Vulkaan

[Italiaans vulcano van Latijn Vulcanus de vuurgod]

Kleine bijzondere verschijningsvormen van het algemene op grote schaal voorkomende fenomeen van vulkanisme, waardoor continenten cyclisch het toneel zijn van rampen, afgewisseld met cyclische en net zo rampzalige overstromingen. De geologische lagen bevatten het aantoonbare materiaal van grootschalig vulkanisme in de enorme uitstromingen van een lava-zee die zich nu als lagen tussen de sedimentaire gesteenten bevinden. Het is de fysieke manifestatie van het werk van de kabeiroi, waarvan de vader Vulcanus of Hephaestos was.

Vanuit een ander standpunt gezien is het fenomeen van vulkanisme niets anders dan het afvoeren van diverse soorten van energie die zich onder het oppervlak van de bol hebben opgestapeld en waardoor die gevaarlijke opgespaarde energie kan ontsnappen. De aarde zou het slachtoffer kunnen worden van veel ernstiger en rampzaliger toestanden dan die tot op heden bekend zijn en die tot op een bepaalde hoogte nog steeds plaatsvinden, als die energie niet een weg naar buiten zou kunnen vinden.

De Negenenveertig Vuren

De negenenveertig vuren verwijzen naar de zeven toestanden van manifestatie van het ene leven met zijn verschillende zevenvoudige onderverdelingen — ongeacht of deze zeven toestanden van manifestatie nu kosmisch of van een geïndividualiseerde entiteit zijn.

Dus kosmisch verwijst het begrip naar de zeven kosmische beginselen (atman, buddhi etc.) met hun respectievelijke zeven onderafdelingen. Wanneer toegepast op het individu verwijst het naar zijn zeven beginselen met hun zevenvoudige onderafdelingen:

De mens geeft zij alles wat zij aan alle andere gemanifesteerde eenheden in de natuur schenkt; maar bovendien ontwikkelt zij in hem de weerspiegeling van al haar NEGENENVEERTIG VUREN. Elk van zijn zeven beginselen is een volle erfgenaam van en deelhebber aan de zeven beginselen van de ‘grote moeder’. (SD 1:291)

Om de betekenis hiervan in een mens te illustreren kan elk van de zeven hoofdelementen of beginselen waarin de menselijke constitutie kan worden opgedeeld, elk gemakkelijk een vuur worden genoemd. Elk vuur kan weer worden onderverdeeld in zeven vuren, zodat alle zeven menselijke beginselen en elementen die zo worden beschouwd, kunnen worden gezien als de vuren van intelligentie, leven, bewustzijn en substantie. Vooral wanneer we denken zoals een individu dat doet met zijn zevenvoudige constitutie waarin de zeven kosmische elementen en beginselen zijn onderverdeeld op een zevenvoudige manier.

In werken als de hindoe Purāṇa’s worden de vuren vermenselijkt als Agni-Abhimani en zijn 48 telgen, elk ervan zou ook een broer van Abhimani genoemd kunnen worden en ieder is een bijzondere vertegenwoordiger of aspect van vuur. De uitdrukking kan ook worden toegepast op de dioscuri en kabiri.

Het vuur of de 49 vuren, verwijst niet alleen naar het stoffelijke kosmische vuur of de menselijke vitale warmte die zo algemeen bekend is, maar meer nog naar de vuren van levenskracht en intelligentie. Zo kan bijvoorbeeld de kosmische eerste logos het originele kosmische vuur van intelligentie en leven maar ook van substantie worden genoemd, die de manifestatie verdeelt in zijn kinderen die net zo goed zijn broers zijn, de diverse beginselen en elementen van het gemanifesteerde heelal. In de gnostische Pistis Sophia zegt de rabbi Jezus tegen zijn discipelen:

Niets is dus hoger dan de mysteriën die gij zoekt, behalve HET MYSTERIE van de zeven klinkers en hun NEGENENVEERTIG KRACHTEN ... (SD 2:564)

Vurige levens

De vurige levensvormen ...

de zevende en hoogste onderafdeling van het gebied van de stof, en komen bij het individu overeen met het Ene Leven van het Heelal, maar alleen op dat gebied. (SD 1:262n)

Deze levens laten door het gebruik van hun vitaliteit de microben afwisselend het menselijk lichaam opbouwen en vernietigen.

Zie ook Levensatoom en (SD 1:249-50, 262-3n; 2:117)

Vuur

Vuur is in alle tijden vereerd als het symbool van de geest dat tegengesteld is aan de stof.

Zijn essentie of substantie is geest. Samen met de essentiële of substantiële lucht of water — beschouwd als oerelementen — wordt het ‘ziel.’ Met er nog aan toegevoegd het element aarde wordt het bezielde lichamen, omdat die worden bezield en opgewekt door de eigenschappen en kwaliteiten van de voorafgaande meer etherische elementen. In de oudheid werd groot belang gehecht aan het levend houden van de heilige vuren van de haard en het altaar. In al deze zaken zag men in het aardse vuur de vertegenwoordiger van het hemelse vuur, een fase van kosmisch bewustzijn. De godheid wordt vaak genoemd als het kosmische vuur van bewustzijn.

Het oude beeld dat men van vuur had en dat zo werd gekoesterd ging veel verder dan de gewone kijk op vuur als een vorm van chemische verbranding of een van zijn fenomenen. Onder alle oudere volken was het vuur veelsoortig, zowel wat betreft zijn kenmerken als eigenschappen en liep uiteen van het goddelijk-spirituele intellectuele via alle tussenliggende gemanifesteerde stadia tot aan de fysieke warmte die voortkomt uit het verbranden van materiaal als hout of de natuurlijke warmte van ons lichaam. Om deze reden spraken de oude filosofen als bijvoorbeeld Heracleitos over vuur als het oerelement van het heelal in overeenstemming met de oeroude opvattingen hierover.

Vuur is het actieve, energieke, vitaliserende, opwekkende beginsel op alle gebieden. Het wordt vaak gekoppeld aan water als geest en vorm; is tegengesteld aan het aardse, als hemels en aards; lucht wordt genoemd als zijn voertuig, net zoals aether, omdat de wortel van kosmische aether het hemelse vuur is. De volgorde van de elementen wisselt door verschillende standpunten en op verschillende gebieden van manifestatie. De geheime leer verklaart dat uit de oorspronkelijke chaos vuur tevoorschijn kwam dat koud was, vormloos en lichtgevend — in essentie bewustzijn-substantie. De eerste gemanifesteerde hete vuren en vlammen kwamen pas in een later stadium van zijn manifestatie naar voren. In de centrale zon is het drievoudige vormloze vuur dat voorafgaat aan het zevenvoudige gemanifesteerde vuur van de kosmos voor ons verborgen. Vuur, of dat nu hemels of aards is, is de meest volmaakte en zuivere weerspiegeling van de ene universele vlam; het is leven én dood, schepper en herschepper; de oorsprong en het einde van elk stoffelijk ding — goddelijke bewustzijn-substantie. Met één vlam kunnen alle lampen worden aangestoken: vuur geeft oneindig veel zonder enig verlies. Vuur alleen is Een, op het gebied van de ene werkelijkheid en op het gebied van illusie zijn zijn deeltjes vurige levens.

Zoals met de meeste andere dingen heeft het vuur zijn lage pool en dus zijn helse aspect; maar de vuren van de hel werken zuiverend. Door zijn kracht van zelfbewuste keuze kan een individu zichzelf in disharmonie brengen met de loop van de natuur en zo zijn eigen duivels creëren. Vuur was het grote zuiverende middel van de middeleeuwse alchemie want het verwijderde het vuil van het goud. Hetzelfde is waar op moreel gebied, want een geestelijk streven roept een innerlijk vuur op dat het goud zuivert van de droesem in het hart van de aspirant. De twee geboorten of dopen hebben te maken met water en vuur, de eerste behoort bij het vlees, de laatste bij de spirituele geboorte of de doop die naar de aspirant toekomt.

Zie ook Agni; Element; Taijasa-Tattva; Vlammen

Vuur-zelf

Het vuur-zelf heeft vele verschillende betekenissen, vanaf het goddelijke vuur tot aan het fysieke vuur, ofwel vitaliteit.

Wanneer het zelfstandig wordt gebruikt wijst het op het goddelijk-spirituele vermogen dat de zuivere essentie van de goddelijke monade is, zijn individualiteit. En omdat vuur in het occultisme niets anders is dan een manifestatie van zuivere intelligentie, is het vuur-zelf daarom de meest verheven monadische of geïndividualiseerde egoïteit, goddelijk in zijn essentie in de menselijke of kosmische constitutie.

Heilig Vuur

Een equivalent van de heilige vonk en wijst op het ontsteken van het vuur van het denken in de mens van het derde wortelras.

Heilig vuur wordt vooral gebruikt in verband met de occulte allegorie van de oude Grieken over Prometheus, die wordt voorgesteld het heilige vuur — het vuur van het denken en van gedachte — vanuit de hemel naar de mens te hebben gebracht. Ook gebruikt als verwijzing voor de heilige goden van Samotrake, de kabeiroi:

... de verpersoonlijkte heilige vuren van de meest occulte natuurkrachten. (SD 2:106)

Het wordt vergeleken met het Levende Vuur als ...

... een bij wijze van spreken, waarmee de godheid wordt bedoeld, het ‘Ene’ leven. Een theürgische term die later door de rozenkruisers werd gebruikt. Het symbool van het levende vuur is de zon, waarvan bepaalde stralen zich tot het vuur van het leven in een ziek lichaam ontwikkelen en voor het trage denken de kennis over de toekomst geven en aanzetten tot een actief functioneren van een bepaald psychologisch en algemeen slapend vermogen in de mens. (TG 119)

Vuurfilosofen

De vuurfilosofen waren de filosofen van het middeleeuwse Europa die het vuur beschouwden als het allerhoogste beginsel.

Hun ideeën waren voor een groot deel afkomstig van Oosterse occulte of half-occulte organisaties, vandaar dat zij kunnen worden beschreven als Perzische magiërs of de Europese aanhangers van Robert Fludd (1574-1637), een leerling van Paracelsus die de analogie van de macrokosmos en microkosmos en de vier elementen onderwees.

De naam die is gegeven aan de hermetici en alchemisten van de middeleeuwen, maar ook aan de rozenkruisers. De laatstgenoemden, de opvolgers van de theürgen, beschouwden vuur als het symbool van de godheid. Het was niet alleen de bron van stoffelijke atomen, maar ook de drager van spirituele en psychologische krachten die energie gaf. Ruim bekeken is vuur een drievoudig beginsel, esoterisch een zevenvoud, net zoals al het overige van de Elementen. Zoals de mens is opgebouwd uit geest, ziel en lichaam, plus een viervoudig aspect: zo is vuur dat ook. Zoals in de werken van Robert Fludd (de Fluctibus) een van de beroemde rozenkruisers, bevat vuur (1) een zichtbare vlam; (2) een onzichtbaar astraal vuur (ziel) en (3) geest. De vier aspecten zijn warmte (leven), licht (denken), elektriciteit (kamisch, of moleculaire krachten) en de synthetiserende essentie, voorbij Geest of de radicale oorzaak van zijn bestaan en manifestatie. Voor de hermetist of rozenkruiser is een vlam die is gedoofd op het objectieve gebied, slechts overgegaan van de zichtbare wereld naar de ongeziene, van het kenbare naar het onkenbare. (TG 119-20)

Vuurlopen

De kunst om over brandende kolen te lopen zonder zich te branden of om vuur en hete voorwerpen vast te houden en zich ook daar niet aan te branden.

Recent is zo’n staaltje door de wetenschap erkend. Dit fenomeen is in Nederland vooral bekend geworden door Emile Ratelband, de persoonlijkheidsgoeroe, maar was altijd al goed bekend bij gewone oosterse fakirs, medicijnmannen, magiërs en adepten. Sommige mesmeristen die, met een paar strijkbewegingen, een arm of een been gevoelloos kunnen maken, gebruiken hetzelfde middel als de vuurlopers. Terwijl sommige mediums in trance worden gebracht om onkwetsbaar te worden gemaakt voor vuur, wordt deze toestand in Tibet en India bewust en met de wil ontwikkeld.

In al deze gevallen komt de toestand voort uit een compressie van de astrale fluïde die al ...

rond een persoon bestaat en een elastische schil vormt, die volkomen ondoordringbaar is voor welke fysiek voorwerp dan ook. (IU 1:378)

Ook gewone, normale hitte laat als zodanig geen sporen achter op een astrale substantie. Deze onzichtbare schil van samengeperste astrale fluïde verklaart ook de gevallen waarin een mens zo beschermd is dat hij niet kan worden neergeschoten. Dan verschijnen de kogels net buiten de loop van het wapen, trillen in de lucht en vallen op de grond, alsof zij een ondoordringbare barrière zijn tegengekomen. Deze beschermende, elastisch schil verklaart ook waarom harde slagen en aanvallen met scherpe instrumenten geen afdruk hebben achtergelaten op de ‘convulsionnaires’ zoals is terug te vinden in de historische verslagen over de convulsionnaires van St. Medard (IU 1:373-6).

Vuurloze voorouders

De oermensen kwamen voort uit de lichamen van de vuurloze astrale voorouders, die luchtvormig en zonder enige vaste vorm waren.

En toch vormden deze voorouders de voorafgaande astraal-fysieke voertuigen van de menselijke stam zelf. Dus kunnen we zeggen dat de volwassene voortkwam uit het lichaam of wezen van deze jeugdige stamvader, die zelf als een kind was.

Deze voorouders werden vuurloos genoemd omdat zij niet de vlam of het vuur van het denken bezaten en zij niet bewust de hogere intellectuele pitri’s of klassen van manasaputra’s konden ontvangen of bevatten.

Vuurnevel

De vuurnevel wordt in De geheime leer (1:83, 86-7) gebruikt om te wijzen op het vuur of het levende intellectuele leven van het ene element in zijn tweede fase als Vader-Moeder, ākāśa, jivatman, goddelijk astraal licht, of wereldziel. Of nogmaals als het eerste of hoogste stadium van de fysieke of lagere astrale substantie, die in sommige opzichten gelijk is aan de schepping van mahabhuta.

De Zonen van de Vuurnevel zijn de ‘Zonen van Wil en Yoga’ de lagere hiërarchie van de uitverkorenen of gekozenen die tot bestaan kwamen in het vierde wortelras.

Zie ook Zonen van Ad

Vyahriti’s

(Sanskriet) Vyāhṛti’s [van vi-ā-hṛ uiten]

Een vyahriti is de mystieke uiting van de namen van de zeven loka’s (werelden): bhur, bhuvah, svar, mahar, janar, tapar en satya. De eerste drie worden de grote vyahriti’s genoemd en zouden volgens de Wetten van Manu (2:76) zijn gemolken door de prajapati’s uit de Veda’s: bhur of bhuh van de Rig-Veda, bhuvar of bhuvah van de Yajur-Veda en svar of svah van de Sama-Veda. Deze drie mystieke woorden ...

zouden scheppende krachten bezitten. De Satapatha Brahmana legt uit dat zij ‘de drie lichtgevende essenties’ zijn die met behulp van hitte door Prajapati (’heren van schepping,’ voorvaderen) werden onttrokken aan de Veda’s. ‘Hij (Brahma) uitte het woord bhur en het werd de aarde; bhuvah en het werd de sterrenhemel en swar, werd de hemel.’ Mahar is de vierde ‘lichtgevende essentie’ en werd uit de Atharva-Veda gehaald. Maar, aangezien dit woord zuiver mantrisch en magisch is, werd het, om het zo maar te zeggen, apart gehouden. (TG 367)

In het mystieke denken van de hindoes zijn het de zeven vyahriti’s die worden aangestoken met en geboren uit het vuur van het denkvermogen en hun namen suggereren de respectievelijke kenmerken van de zeven loka’s.

Vyakta

(Sanskriet) Vyakta [van vi-anj zorgen voor een verschijning, vertoning, manifestatie of emanatie]

Als een bijvoeglijk naamwoord: gemanifesteerde, zichtbare, vandaar dat wanneer mulaprakriti (wortelnatuur) vyakta wordt, het wordt gedifferentieerd en geconditioneerd — het emaneert uit zichzelf de zeven prakriti’s die op hun beurt de verschillende vikriti’s maken. Dus het heelal is in al zijn veelvormige gedifferentieerde gebieden van het hiërarchische Zijn gemanifesteerd.

Als een zelfstandig naamwoord: de gemanifesteerde, een bijnaam van Vishṇu.

Zie ook: Vastubhuta

Vyana

(Sanskriet) Vyāna [van vi scheiding + de werkwoordstam an ademen, blazen]

Een van de prana’s of vitale levensstromen in het menselijke of dierlijke lichaam dat levenskracht geeft, het opbouwt en het gemanifesteerde voertuig onderhoudt, omdat het de vitale ‘lucht’ is die scheidend of uiteenvallend werkt. Vandaar dat het verband houdt met de spijsvertering en andere functies die een scheidende of uiteenvallende activiteit voor de gezondheid van het lichaam impliceert, en dus werkt om het evenwicht in het lichaam te behouden.

Zie ook Udana

Vyasa

(Sanskriet) Vyāsa

Een die uitbreidt of versterkt, een vertolker of onthuller ...

in het oude India gebruikt voor de hoogste goeroe’s. Er waren vele vyasa’s in Aryavarta. Een ervan was de samensteller of arrangeur van de Veda’s, een ander de schrijver van het Mahābhārata — de achtentwintigste vyasa of onthuller in de volgorde van opvolging — en de laatste van aanzien, was de schrijver van de Uttara Mimansa, de zesde school of stelsel van de Indiase filosofie. Hij was ook de stichter van het stelsel van de Vedānta en leefde, volgens oriëntalisten, omstreeks 1400 v. Chr., maar dit jaartal is vast en zeker te recent. De Purāṇa’s vermelden slechts achtentwintig vyasa’s die in verschillende tijden naar de aarde afdaalden om de waarheden van de Veda’s te verspreiden — maar er waren er veel meer. (TG 367)

Vyavaharika

(Sanskriet) Vyavahārika [van vy-ava-hṛ handelen of gedragen in een onderneming of zaken, van de werkwoordstam hṛ dragen, ontvangen, verkrijgen, vasthouden]

Vyavaharika heeft te maken met het (commerciële) handelen of uitoefenen van een zakelijk leven. Het behoort tot de gewone praktische zaken van het leven of gewoonte. In de filosofie van de Vedānta is het een van de drie vormen van bestaan in het leven van een mens in tegenstelling tot het ene werkelijke leven (paramarthika) en het illusoire leven (pratibhasika).

Vyaya

(Sanskriet) Vyaya [van vi weg + de werkwoordstam i gaan, veranderen]

Veranderen, weggaan, sterven, veranderlijk. Dat wat maar onderworpen is aan verandering of verval, ongeacht hoelang het duurt, vooral wanneer het woord wordt gebruikt als tegenstelling van avyaya (onveranderlijk).