© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Zaad

De essentie of kiem van een entiteit die zijn svabhāva (essentiële natuur) bevat en de vormen bepaalt die erdoor worden gevormd.

Deels door de aangroei van verschillende elementen, maar voornamelijk door de emanerende stroom die van binnen naar buiten werkt, of van boven naar beneden. Dit zaad van een plant is een bolletje van fysieke stof maar het eigenlijke zaad is ultra-stoffelijk. Alle zaden zijn strikt genomen de vitale levenskrachten die in en door de fysieke kiemen werken en dus zijn deze echte zaden etherische organismen, structuren die zijn opgebouwd uit een hogere orde van de stof (SD 1:201). Dus zien we een opeenvolging van levenskrachtige zaden die behoren bij een individuele entiteit en elk zo’n zaadje is de ultieme eenheid van dat organisme op een bepaald gebied. Er is het fysieke zaadje van een plant dat het astrale zaad bevat — een eenheid op zijn eigen gebied die een nog fijnstoffelijker zaad bevat dat behoort tot een hoger gebied, enzovoorts. Uiteindelijk is een zaadje een levensatoom dat in zichzelf de uitdrukking is van een monade op een bepaald gebied en die monade is een gedachte in de goddelijke verbeeldingskracht.

Zaad-Logos

Een vertaling of equivalent van de spermatische logos van de stoïcijnen.

Zachar

(Hebreeuws) Zākhār — een man.

Gebruikt in ‘man en vrouw [zachar u neqebah] schiep hij hen’ (Genesis 1:27). Dit slaat niet op de vorming van een man én een vrouw maar op de ontwikkeling van een androgyn of biseksueel wezen dat zowel mannelijk als vrouwelijk in één was en dus verwijst deze uitspraak naar het derde wortelras van de theosofie.

Zie ook Sacr

Zagreus

(Grieks) Ook Zagreus-Dionysos

Dionysos was een eerdere naam voor de latere Bacchus. Wat de mythe over Zagreus betreft, die moet echter eerder tot de leringen van de orfische mysteriën worden gerekend dan tot de mythologie, want er kunnen geen verwijzingen naar worden gevonden in wat de grote schrijvers uit die periode, bijvoorbeeld Homerus en Hesiodus, hebben achtergelaten. De verwijzingen die tot ons zijn gekomen zijn voornamelijk terug te vinden in de handschriften van de oude Griekse dramaturgen en dichters en in teksten van andere oude fragmenten.

Aangezien de kosmische evolutie op een allegorische wijze binnen de Orfische Mysteriën onderwerp van studie was, was dat ook het geval met de evolutie van de individuele ziel of de microkosmos, waarin de mythe van Zagreus — later Zagreus-Dionysos de Griekse verlosser — een rol speelde en die de Griekse Dionysische Mysteriën trachtten weer te geven in een gedramatiseerde en versluierde of symbolisch literaire vorm.

Dionysos is één met Osiris, met Kṛishṇa en met Boeddha (de hemelse wijze) en met de komende (tiende) Avatar, de verheerlijkte geestelijke Christos, ... (SD 2:420)

Zagreus staat voor drie verschillende dingen: 1) de machtige jager — de pelgrimziel die jaagt naar waarheid, zijn vele eeuwen durende pelgrimage voert hem terug naar de godheid); 2) hij die velen gevangen neemt — de Heer van de Dood; en 3) de hersteller of vernieuwer — koning van de wedergeborenen of ingewijden. Zagreus (later Bacchus of Iacchos) is de goddelijke Zoon, de derde van de orfische drie-eenheid, de andere twee zijn Zeus de demiurg of goddelijke Al-vader en Demeter-Kore, de godin van de aarde in haar dubbele aspect als de goddelijke moeder en de sterfelijke bediende.

De mythe vertelt dat Zagreus, de favoriete zoon van Zeus, de woede van Hera opriep die zijn vernietiging beraamde. Eerst liet zij de afgezette titanen uit de Tartaros vrij om de pasgeboren zoon te doden. Zij hadden het kind overgehaald de scepter en de appel om te ruilen voor het goedkope speelgoed dat zij hem voorhielden: een thyrsus of een bacchische staf (symbool van de materie en wedergeboorte in het stoffelijke leven), een draaiende tol en een spiegel (maya of illusie). Terwijl het kind naar zichzelf zat te staren in de spiegel namen zij hem mee, verscheurden zijn lichaam in zeven of veertien delen (zoals in het Egyptische mysterieverhaal van Osiris), kookten, roosterden en verslonden hem. Toen deze enorme wandaad door Zeus was ontdekt sloeg hij de titanen met zijn bliksem en donderslag en uit hun as kwam de mensheid tevoorschijn.

De titanen met hun waardeloze cadeaus symboliseren de jachtige energieën van het persoonlijke materiële leven die de ziel ketenen en misleiden. Het zijn aardse krachten die de ziel van het pad afleiden door de verlokkingen van de bekoorlijke dingen. Het in stukken gereten lichaam werd eerst gekookt in water — een symbool van de astrale wereld, daarna geroosterd ‘zoals goud is beproefd door vuur’ een symbool van het lijden en de zuivering en de terugkeer van de zegevierende ziel naar de gelukkige toestand.

Apollo of de Muzen verzamelden op bevel van Zeus de verspreide fragmenten en begroeven die dichtbij de Omphalos (het middelpunt van de aarde) te Delphi. Op de grafkist stond geschreven: ‘Hier ligt het dode lichaam van Dionysos, zoon van Semele,’ zodat de mythe van Zagreus alleen bekend was aan hen die ingewijd waren in de orfische mysteriën, maar de mythe van Semele was daarentegen algemeen bekend. Deze [laatstgenoemde] exoterische mythe stelt de goddelijke Zoon voor als de zoon van Zeus met de sterfelijke dienstmaagd Semele, Demeter-Kore in de vermomming van een sterfelijke vrouw aan wie het nog steeds kloppende hart van Zagreus werd toevertrouwd nadat hij was gedood, zodat zij zijn moeder/beschermer zou kunnen worden.

Toen Semele zeven maanden zwanger was van Zagreus had Hera het denken van haar met wantrouwen vergiftigd en de aanstaande moeder dwong Zeus zichzelf te onthullen en hem aan haar in zijn ware gedaante te tonen, waarop het sterfelijke lichaam van Semele werd vernietigd door het goddelijke vuur. Het heilige kind werd door Zeus gered van de dood, hij naaide het hoog in zijn eigen dij totdat ‘het leven dat eerst Zagreus was, werd herboren als Dionysos,’ de opgestane Verlosser, met Pasen (de voorjaars dag-en-nachtevening) maar als Zagreus was hij rond het wintersolstitium geboren, door de dood van Semele. Hier zien we waarom de zon zo’n belangrijke rol speelt in deze mythe.

De nimfen van de berg Nysa brachten hem veilig groot in een grot maar toen hij eenmaal volwassen was geworden dwong Hera hem over de aarde te gaan zwerven. Hij overwon alle tegenstand en had, waar hij ook ging, succes bij het instellen van mysteriescholen. Na zijn triomf in de wereld van mensen daalde Dionysos af in de onderwereld en bracht zijn moeder naar boven, die nu Semele-Thyone (Semele de geïnspireerde) genoemd werd, om haar plaats in te nemen onder de Olympiërs als de goddelijke moeder en stralende koningin, om nog later met Dionysos naar de hemel op te stijgen.

Zowel Zagreus als Dionysos zijn bekend als de god met vele namen, waarvan de meesten verwijzen naar zijn dubbele rol als de lijdende sterveling Zagreus en de onsterfelijke of wedergeboren godmens. Vele titels maken van hem ook de mystieke verlosser. Hij is de Almachtige, de Onvergankelijke, het Levensbloed van de Wereld, het majesteitelijke van het woud maar ook datzelfde in de vrucht, in het gehum van een bij, in het vloeien van een stroompje water, enz., de aarde met al zijn veranderingen — het is een ellenlange lijst en vertoont een opvallende gelijkenis met een passage waarin Kṛishṇa, de hindoe-avatara, Arjuna een idee geeft hoe hij hem volledig kan kennen:

‘Ik ben de smaak van water, het licht in de zon en de maan,’ enz.. (BG hfdst. 7)

De filosofen, dramaturgen en geschiedschrijvers die de mythe van Dionysos zuiver allegorisch en symbolisch hadden genomen, noemen daar ook de andere grote namen van de oudheid bij waaronder Plato, Pythagoras, alle neoplatonisten, de grootste geschiedkundigen en een paar van de eerste kerkvaders, in het bijzonder Clemens van Alexandrië. Eusebius, Tertullianus, Justinus en Augustinus schreven er ook over.

De exoterische literatuur over het orfisme is beperkt en de esoterische leringen werden nooit aan het papier toevertrouwd. Buiten de orfische tafels en hymnen is er tot op heden geen oorspronkelijk materiaal ontdekt. Wetenschappers die hun mening baseren op de Homerische Hymne aan Demeter stellen dat het Eleusinische Mysterie-verhaal uitsluitend sloeg op het verhaal van Persephone, maar later onderzoek laat zien dat onder invloed van Epimenides en Onomakritos (beiden waren goed ingevoerde bestudeerders van het orfisme) het orfische mysterieverhaal van Zagreus-Dionysos deel uitmaakte van het Eleusinische ritueel, de goddelijke zoon Iacchos werd aldus herkend als de orfische god-mens, Zagreus-Dionysos.

Kosmisch gezien verwijst dit zeer esoterische verhaal naar de kosmische Logos die het heelal opbouwt en dan niet alleen de inspirerende en kracht schenkende ziel wordt, maar ook de godheid die de manifestatie vanuit Chaos naar volledige volheid leidt met een evolutionaire grandeur. En voor wat betreft de mensheid verwijst de legende naar de oorsprong, omzwervingen en bestemming van de menselijke monade, die zelf een geestelijk bewustzijnscentrum is, van onzelfbewust zijn als een godsvonk, door de omzwervingen van het lot, totdat hij een volledig zelfbewuste god is geworden. De sleutel voor de symboliek van Zagreus-Dionysos wordt door Plato in de Cratylus gegeven:

De Geest in ons is het ware beeld van Dionysos. Hij die dan ook verkeerd handelt met betrekking tot Het ... zondigt tegen Dionysos Zelf ...

... dat wil zeggen, de innerlijke God, de godheid in de mens. De legende beschrijft dus niet alleen het verleden van de kosmos maar ook het menselijke verleden en bevat ook een profetie van wat zal plaatsvinden in de verre toekomst.

Zalmat-Gaguadi

(Babylonisch) Ook Zalmat-Qaqadi — donker ras.

In de Babylonische legende is het een van de twee eerste rassen, dat als eerste sterfelijk zou worden en daarom tot voortplanting zou vervallen. Het is ...

het Adamische ras, een van de twee belangrijkste rassen die bestonden in de tijd van de ‘Val van de Mens’ (dus ons derde wortelras) ... (TG 384)

Zie ook Sarku

Zama Zama Ozza Pachama Ozai

(Grieks) [van Hebreeuws]

Gewoonlijk vertaald als ‘de mantel, de glorieuze mantel van mijn kracht,’ maar nauwkeuriger zou zijn ‘Sluier! Sluier! Kracht! Heerlijkheid! Mijn kracht!’

Dit is een gnostische inscriptie, de vijf woorden die zouden zijn geschreven op of behoren bij de ākāśische of schijnende mantel van Jezus bij zijn verheerlijking. Hier verklaart de ingewijde dat zijn kracht of macht, geestelijk en intellectueel, in die prachtige sluier zit, die levenskrachtig, vol energie en wijsheid is en die hem omhult en die het voertuig is van zijn geestelijke en intellectuele kracht.

Deze woorden vormden een anagrammatische versluiering van de vijf mystieke vermogens die worden voorgesteld door de ...

de mantel van de ‘herrezen’ ingewijde na zijn laatste beproeving van een driedaagse trance; de vijf werden pas zeven na zijn dood, wanneer de adept de volkomen christos werd ... dat wil zeggen opging in nirvāṇa. (SD 2:580)

Zamyad Yasht

(Avestisch) Ook Zamdat, (Pahlavi) Zamik en (Perzisch) Zami [van Avestisch zam, aarde + yad, dat wat de aarde heeft voorgebracht + yasht, een eerbiedige handeling, een zoroastrisch geschrift]

De 19de yasht van de nog bestaande zoroastrische geschriften. De yashts zijn in het algemeen geschriften waarin de Izeds worden aanbeden. Deze yasht is gericht tot de genius van de aarde, de Spenta Armaiti. Zijn derde deel is gewijd aan de Amesha Spenta’s.

Het is bovendien de 28ste dag van de maand van de oude Iraanse kalender.

Zamzummim

(Hebreeuws) Zamzummīm [van de werkwoordstam zāmam mediteren, nadenken over, het bedenken van succesvolle plannen, succesvol peinzen, sterk zijn, krachtig]

Een ras van prehistorische reuzen uit Palestina dat in de Bijbel wordt beschreven (Deut 2:21).

Zie ook Anak, Zonen van Anakim

Zarevna Militrissa

(Russisch) [van zarevna (carevna, verengelsd tsarina) koningin + militrissa een bombastische titel, waarschijnlijk Grieks]

Zarevna Militrissa speelt een prominente rol in Russische sprookjes als de koningin van de hemel en wordt afgebeeld met een maan op haar voorhoofd. Het is ook een naam van de maan omdat zij de bestuurster is van de menigten van elementalen en de andere wezens die werken onder, via en door haar invloeden.

Zarpanitu

(Babylonisch) Ook Sarpanit, Zer-banit en Zirat-banit

De schijnende, het beeldschrift stelt de woorden zer ‘zaad’ en banit ‘producerend, vormend’ voor. Zij is een Babylonische godin en partner van Marduk of Merodach. In latere Babylonische tijden (na 1200 v. Chr.) toen Marduk eenmaal in rang was opgeklommen tot de belangrijkste god van het pantheon en de oudere Chaldeeuwse goden verving, werd Zarpanitu gezien als de grote natuurgodin en nam de plaats in van Belit (partner van Bel). Een triade werd gevormd door de toevoeging van Nebo, god van wijsheid, die gelijk is aan Budha van de hindoes en Hermes van de Grieken.

Zoals in India Budha de zoon was van Soma (de maan) en van de vrouw van Brihaspati (Jupiter), was Nebo de zoon van Zarpa-nitu (de maangodheid) en van Merodach, die Jupiter was geworden, nadat hij een zonnegod was geweest. (SD 2:456)

Herodotus noemde Zarpanitu ‘Zeus-Belos.’

Zartaoth

(Chaldeeuws) Ook ‘Onioth

De muilezel of ezel. In het Chaldeeuwse stelsel is hij een van de hiërarchieën van natuurkrachten. Behalve Zartaoth waren er ook Michaël, Gabriël, Raphaël, Thantabaoth, enz. (vgl. SD 2:115n), die allemaal de genii voorstellen, volgens de astrologische en astrolatrische stelsels van de oude Semitische stammen die heersen over de sterrenstelsels en daarom invloed hebben op de planeten.

Ze‘eir ’Anpin

Klik hier voor grote weergave

(Aramees) Ook (Herbreeuws) Ze‘eir ’AppayimZĕ‘ēir ’Anpīn, Zĕ‘ēir Āppayim [zĕ‘ēir klein, kort + ’apīn gezicht, gelaat]

Het kleine gezicht, het kleine gelaat. Zijn Griekse tegenhanger is de microprosopus. Een kabbalistische term die wordt gebruikt voor de negen lagere sefiroth, die uitstralen uit de eerste sefira (Kether de kroon) of het lange gezicht (’Arich ’Anpin). De negen lagere sefiroth zijn niet in staat uitdrukking te geven aan de volledige sefiroth­boom of die, of het overzicht daarvan, te laten zien, noch de volle straling van het Verborgene van het Verborgene. Het kleine gezicht is de eenheid van de negen sefiroth die worden beschouwd als een samengesteld individu, wat overeenkomt met de kabbalistische ’Adam Kadmon, de Hemelse Mens of de gemanifesteerde of derde logos.

Zie ook Yesod

Zebulun

(Hebreeuws) Zĕbūlūn [van de werkwoordstam zābal omringen, omvatten, verwijst naar de sferen van de planeten]

Ook Zabulon, Zebulon. De tiende zoon van Jakob, ook de stam die naar hem is vernoemd. Wanneer dit betrekking heeft op de twaalf patriarchen met de twaalf tekens van de dierenriem is die gelijk aan Vissen. Zebulun of Ba‘al Zebul (heer van de [zevende] sfeer of hemel) verwijst in de oude Semitische astrolatrie en astrologie naar de planeet Saturnus.

Zee van Melk

Kosmische stof, de ‘stremsels,’ de Melkweg.

Zee van Vuur

In de Stanza’s van Dzyan, ...

het boven-astrale (d.i. noumenale) licht, de eerste uitstraling van de wortel, Mulaprakriti, de ongedifferentieerde kosmische substantie, die astrale stof wordt. Het wordt ook de ‘vurige slang’ genoemd’ ... (SD 1:75)

Het Zegel van de Theosophical Society

Samengesteld uit een slang in de vorm van een cirkel (Ananta-Sesha) die in zijn staart bijt — wat een symbool is voor de eeuwigheid en grenzeloze wijsheid. Zijn schubben wijzen op de onbegrensde verscheidenheid aan wijsheid of waarheid en ook op de ontelbare aantallen kleinere cycli binnen de grenzeloze duur. De omschreven swastika in het cirkeltje waar de staart en kop elkaar ontmoeten is een vrijwel universeel voorkomend oeroud symbool dat de evolutie illustreert, de eindeloze beweging van geest in en door de stof.

Binnen de grote cirkel die wordt gevormd door de slang bevinden zich twee vervlochten driehoeken, een embleem dat in India het zegel van Vishṇu wordt genoemd en in het Westen het zegel van Salomo. De witte omhoogwijzende driehoek wijst op het geestelijke vuur van bewustzijn, verborgen wijsheid, of geest. De omlaagwijzende zwarte driehoek, soms ook blauw of rood gekleurd, verwijst naar de gemanifesteerde werelden van stof, of naar onthulde wijsheid in de gemanifesteerde werelden. De twee vervlochten driehoeken vormen een zespuntige ster, die staat voor de gemanifesteerde Logos, ofwel de derde kosmische emanatie van de on­uit­sprekelijke Een. De zespuntige ster verwijst ook naar de zes algemene krachten in de natuur, de zes beginselen, de zes gebieden, die — als er een punt of stip in die ster is aangebracht, want dit punt is wat Pythagoras het Monas monadum (de monade van alle monaden) noemde — worden voorgesteld als zijnde voortgebracht door hun oorsprong, de zevende.

De dubbele driehoek — de Satkiri Chakram van Vishṇu — of de zespuntige ster, is de volmaakte zeven. In alle oude Sanskrietwerken — Vedische en Tantrische — ziet u dat het getal 6 vaker wordt vermeld dan 7 — omdat dit laatste getal, het middelpunt, erbij is inbegrepen, want het is de kiem van de zes en hun matrix ... de punt in het midden stelt hier het zevende voor, en de cirkel, het Mahākāsha — de eindeloze ruimte — het zevende Universele Beginsel. In één opzicht worden beide als Avalokitesvara beschouwd, want zij zijn respectievelijk de Macrokosmos en de microkosmos. Van de in elkaar gevlochten driehoeken — is die met de punt naar boven de verborgen Wijsheid, en die met de punt naar beneden de geopenbaarde Wijsheid (in de wereld van de verschijnselen). De cirkel duidt op de beperkende en begrenzende hoedanigheid van het Al, het Universele Beginsel, dat zich vanuit elk willekeurig punt uitstrekt, zodat het alle dingen omvat, terwijl het de potentialiteit van iedere handeling in de Kosmos belichaamt. Daar het punt dus het centrum is waaromheen de cirkel wordt getrokken — zijn zij identiek en één, hoewel vanuit het standpunt van Maya en Avidya — (illusie en onwetendheid) — het een van de ander is gescheiden door de geopenbaarde driehoek, waarvan de 3 zijden de drie guna’s — de eindige eigenschappen voorstellen. In de symboliek is het centrale punt Jivātma (het 7de beginsel), en dus Avalokitesvara, het Kwan-Shai-yin, de geopenbaarde ‘Stem’ (of Logos), het kiempunt van de gemanifesteerde activiteit; derhalve in de terminologie van de Christen Kabbalisten, ‘de Zoon van de Vader en Moeder,’ en overeenkomstig de onze — ‘het Zelf gemanifesteerd in het Zelf’ — Yi-hsin, de ‘ene vorm van bestaan,’ het kind van Dharmakaya (de universeel verspreide Essentie), zowel mannelijk als vrouwelijk. Parabrahm of ‘Adi-Buddha,’ dat door dit kiempunt naar buiten werkt als een actieve kracht, reageert vanuit de omtrek naar binnen als de Opperste maar latente Potentie. De dubbele driehoeken symboliseren het Grote Passieve en het Grote Actieve; het mannelijke en het vrouwelijke; Purusha en Prakriti. Iedere driehoek is een Drieëenheid, omdat hij een drievoudig aspect voorstelt. De witte vertegenwoordigt in zijn rechte lijnen: Jnanam — (Kennis); Jnata — (de Kenner); en Jneyam — (dat wat gekend wordt). De zwarte — vorm, kleur en substantie, alsmede de scheppende, onderhoudende en vernietigende krachten, en [deze] staan in wisselwerking met elkaar ... (MB 383-4)

Binnenin de ster is het ansatakruis geplaatst, ofwel het kruis met een handvat of tau, wat een aspect is van de gespecialiseerde werkingen of activiteiten van de geest in de stof, voor zover het onze wereld betreft, maar vooral als het gaat om de intelligentie die invloed uitoefent op de kosmische stof. Het is een symbool dat vaak in verband wordt gebracht met de adept of ingewijde die zo zijn vereniging met de geestelijke intelligentie onderstreept en niet zozeer de krachten en machten van het niet-geestelijke leven van de stoffelijke wereld.

Toen Blavatsky en kolonel Olcott in 1879 naar India waren gereisd was het Sanskrietwoord Aum boven het zegel geplaatst en eronder was de volgende frase toegevoegd: Satyan nasti paro dharmah (Er is geen religie [wet] hoger dan de waarheid [werkelijkheid]) die aangenomen was als het motto van de Theosophical Society.

In enkele opzichten lijkt het zegel van de Theosophical Society op het persoonlijke zegel van Blavatsky. Maar, in plaats van het tau binnen de vervlochten driehoeken stonden in haar zegel de initialen E B (E stond voor Elena, uitgesproken Yelena in het Russisch, en B voor Blavatsky). Binnen de cirkel bevonden zich astrologische en kabbalistische tekens die volgens sommigen verwijzen naar Blavatsky zelf, terwijl boven het zegel een kroontje van een gravin was geplaatst dat behoorde tot haar familie.

Men kan zeggen dat het zegel van de Theosophical Society verwijst naar het heelal dat zich verder manifesteert vanuit zijn oorsprong in de kosmische geest, een emanatie die wordt geïllustreerd door de allesomvattende slang van ruimte en duur. Precies zoals de slang periodiek zijn oude huid afwerpt, wordt een heelal na een periode van rust of sluimer, opnieuw geëmaneerd, het is dan het kind van zijn eerdere zelf voor een nieuwe periode van kosmische manifestatie.

Het Zelf

De theosofische literatuur maakt onderscheid tussen het zelf en het ego.

Het zelf is een zuiver geestelijke eenheid, goddelijk in essentie, hetzelfde in ieder wezen dat tot uitdrukking wordt gebracht met ‘ik ben.’ Ego’s zijn zeer talrijk, verschillend in verschillende wezens en die worden tot uitdrukking gebracht door woorden als ‘ik ben ik.’ Ego’s zijn indirecte of weerkaatste bewustzijnen, die zichzelf zien als los staand van andere ego’s, elk heeft zijn eigen geïndividualiseerde kenmerken. Maar het zelf of atman is het zuiverste en de sterkste intuïtie van het zijn als een universeel beginsel en als de top van de hiërarchie die mens wordt genoemd. Het is zuiver bewustzijn, het essentiële beginsel dat ieder mens kennis van zelfheid geeft. Omdat het geen egoïsch bewustzijn heeft, lijkt het voor ons denken onbewust te zijn. Om zelfbewust te worden is een voertuig nodig, zodat het zelf zichzelf kan zien als in een spiegel.

Wat het persoonlijke zelf wordt genoemd is in mensen samengesteld, waarin het ware zelfschap of de atmische straal als het ware zwakjes door vele schermen schijnt. Dit veroorzaakt onze verschillende mentale toestanden die moeten worden beschouwd als wat behoort bij onze individualiteit, hoewel zij eigenlijk invloeden zijn die in en uit ons denken stromen en die wij ten onrechte als ons bezit willen zien, die wij geheel onjuist als ons eigendom claimen, zoals wanneer we zeggen ‘ik ben boos’ in plaats van ‘ik ervaar boosheid.’ De weg van bevrijding bevrijdt ons in toenemende mate van deze onechte zelven; we verlaten dan de ketterij van afgescheidenheid en zien eindelijk het ware zelf in ons dat gelijk is aan het zelf in alle wezens.

Het Zelfbestaande

(Atmabhu, Svayambhū)

Het zuiver en alleen bestaan in en door het zelf. Gebruikt voor elke zelfstandige entiteit wanneer die apart of op zichzelf staand wordt gezien, los van andere zelven. Toegepast door Westerse theologen voor een godheid die anders is dan zijn schepselen, waarvan de essenties uit hem voortkwamen en afhankelijk van hem zijn. Behalve dit gebruik waarbij de kosmische monade of eenheid wordt beschreven wordt dit ook gebruikt voor lagere monaden die in betrekking staan tot de entiteiten die daaruit voortkwamen. Bijvoorbeeld de logos of het hoofd van een hiërarchie zou zelfbestaand kunnen worden genoemd in tegenstelling tot zijn emanaties. In de Kabbalah wordt de Hemelse Mens (’Adam Kadmon) de zelfbestaande genoemd en hetzelfde kan worden gezegd van Brahman, of zelfs van Brahmā in de hindoeïstische stelsels.

Zie Svayambhū; Tsi-tsai

Zelfbewustzijn

Het gewaarworden van zichzelf als de degene die ervaart, het toekennen van de eigen ervaringen aan een ego en er bewust van zijn dat een wezen een opzichzelfstaand individu is.

Toch is bewustzijn in abstracte zin niet meer dan het gewaarworden van de ervaring. Dieren en erg jonge kinderen zijn bewust, de overige mensen [met uitzonderingen] zijn zelfbewust. Toch kan de volwassene, wanneer die helemaal is opgegaan in een ervaring zijn zelfbewustzijn voor een poosje verliezen. En ook is de mens maar deels zelfbewust omdat hij alleen een deel van zijn hele wezen kan overzien. Datgene in hem dat nu schouwt kan een deel worden van datgene dat beschouwd wordt. Net als het onderwerp verschuift degene die ergens mee bekend is naar omhoog en naar binnen, om het zo maar te zeggen, en dan zullen meer en meer van zijn zaken vallen in de categorie van dingen of zaken die al bekend zijn.

Het Onbekende brengt het heelal tot manifestatie om uiteindelijk volledig zelfbewust te worden. En in de mens, de microkosmos, gaat een onzelfbewuste godsvonk door evolutiestadia en ervaringen heen om een relatief volledig zelfbewustzijn te bereiken. De mogelijkheid om zelfbewust te worden zit zelfs in elk atoom. Om zelfbewust te worden moet de geest door elke cyclus van kosmisch ‘zijn’ gaan, totdat elke ego het volledige zelfbewustzijn van een mens of een daaraan gelijke entiteit heeft bereikt. Het zelfbewustzijn van de mens hangt af van zijn drievoudige natuur, het is de mens die de scheider is van het Ene in vele tegengestelde aspecten.

De vroege mensheid was niet zelfbewust. Het waren de levende intellectuele vuren of manasaputra’s die aan het menselijke denken zijn zelfwaarneming en zelfbewustzijn of manas schonken. Dit manas wordt uiteindelijk afgeleid van kosmisch mahat en in de mens van vandaag is het aham-schap of ahankara. Volledig zelfbewustzijn betekent bewust zijn van ons eigen zelf, kosmisch purusha, het zevende beginsel, niet alleen van het heelal maar ook van de mens zelf.

Zelfgeboren

Ouderloos — in het Sanskriet aupapaduka of aja genoemd — termen die zijn gebruikt voor het hoofd van een hiërarchie, zoals de Logos, die overeenkomt met de Zoon, de tweede persoon van de christelijke drie-eenheid. Vanuit een ander aspect gezien is de zelfgeborene de kosmische draak in de hoogste van zijn zeven betekenissen. Alle goden en wezens, of het nu een godheid of adept is, worden uit en door de wil geboren. Neem bijvoorbeeld de pitri’s, die naar voren kwamen uit Brahma’s lichaam van de schemering. Of Daksha, een zelfgeboren kracht die tevoorschijn kwam uit het lichaam van zijn vader. Elke kosmische monade is svayambhuva (de zelfvoortgebrachte of de zelfontwikkelde) en wordt op zijn beurt een centrum van kracht van binnen, die een planeetketen naar buiten brengt.

Het eerste wortelras wordt zelfgeboren genoemd, want de individuen van dit ras waren de astrale schaduwen van hun voorouders en hun methode van voortplanten was door deling. Zeven zelfgeboren oorspronkelijke goden kwamen voort uit de triadische Een. De zelfgeborenen vormden de primaire schepping van de zeven scheppingen, en worden ook wel emanaties of zelfgeboren goden genoemd, of ’elohim, zoals de Hebreeën die noemden.

De theosofische filosofie gaat in de gemanifesteerde rijken uit van vier methoden van voortplanting (chatur-yoni) die uiteenlopen van het goddelijke door vele tussenliggende graden tot aan het fysieke:

1) de hoogste of zelfgeborene (aupapaduka), zoals de innerlijke geboorte naar wens, van goden en bo­dhi­satt­va’s;

2) geboren worden uit de levenszaden van diverse soorten op de verschillende gebieden, of het nu monaden zijn of fysieke zaadkiemen;

3) uit een ei geboren (andaja), zoals reptielen en vogels; en ten slotte

4) geboren uit een baarmoeder (yonija), zoals de mens en andere zoogdieren.

Deze vier vormen waarin het levenslicht wordt gezien, worden hier niet gegeven in volgorde van belangrijkheid of geestelijkheid, want mensen die uit een baarmoeder komen zullen op een later moment door inwijding en innerlijke ontwikkeling uiteindelijk opnieuw de aupapaduka-geboorte ervaren.

Zelfgeleide Ontwikkeling

Zelfgeleide ontwikkeling wil zeggen dat elke ontwikkeling of alle evolutie wordt veroorzaakt door en bestaat uit de zelfexpressie van het svabhāva (essentiële kenmerken) gecombineerd met de wil van de monade die verblijft in die vorm. Dit in tegenstelling tot de leer die zegt dat externe omstandigheden de bepalende evolutionaire factor zijn. De uitdrukking is van toepassing op elke ontwikkelende entiteit vanaf de levens­atomen naar omhoog, maar heeft een bijzondere betekenis wanneer die wordt gebruikt voor de mens, omdat hij is begiftigd met het vermogen om zijn persoonlijke bewustzijn te vermengen met dat van de monade van binnen of van boven, zodat wat in het dier of de onontwaakte persoon een onbewust proces is, in de ontwaakte mens een proces is waarin zijn denken en wil berusten:

Geen zuiver geestelijk buddhi (goddelijke ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben voordat de vonk die voortkwam uit de zuivere essentie van het universele zesde beginsel — of de OVERZIEL — (a) door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld van dat manvantara is heengegaan en (b) individualiteit heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte en zelf bedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van het laagste tot het hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel (Dhyani-Boeddha). (SD 1:17)

Hoe sneller een mens realiseert dat hij zichzelf in de hand moet nemen en zijn leven moet laten leiden of beheersen door het hoogste in hem, in plaats van de slaaf te zijn van impulsen die uit zijn lagere natuur omhoogkomen, des te sneller zal hij de hogere stadia van vooruitgang van zijn ontwikkelingsweg naderen, waarover de mensheid als geheel eeuwigheden kan doen om die te bereiken door de langzame werking van de kosmische stuwkracht.

Dit wil zeker niet zeggen dat ieder mens de drang van zijn eigen persoonlijke voorkeuren moet volgen, maar dat hij de weg van plicht moet gaan, wat hetzelfde is als de evolutionaire weg te volgen zoals die aan hem is onthuld door zijn intuïtie en de zuiverheid van zijn aspiratie. Hij zou de meester over zijn lot moeten worden, geestelijk openstaan voor zijn toekomst door een door hemzelf bedachte oefening en omhooggerichte inspanning.

Zelfdoding & Euthanasie

[Euthanasie in mindere mate]

Als wij ons als een onafscheidelijk deel van het universum beschouwen, of we dat nu zien als een reusachtig groot organisme of als een enorm grote bezielde machine, dan kunnen we ons niet met geweld losmaken van een bestaand patroon zonder de harmonieuze werking van de andere delen ervan te verstoren. En precies hier raken we het immens morele of ethische belang van het kwaad van zelfmoord. Maar zelfs al hadden we het recht om ons leven te vernietigen, dan zou dat toch volstrekt zinloos zijn. We kunnen het lichaam vernietigen, maar niet het denken.

 De zelfmoordenaar komt nadat hij maar even volledig bewusteloos is geweest na zijn overlijden weer bij kennis als dezelfde mens maar dan in het kamaloka, met exact dezelfde bewustzijnstoestand als voorheen maar zonder de fysieke triade (lichaam, astraal lichaam en grove fysieke levenskracht). Zijn bewustzijnstoestand is alsof hij wordt gemarteld door het voortdurend herhalen, over en weer, van zijn zelfmoord met de bijbehorende emoties. Dit gebeurt volkomen automatisch omdat het denken als een machine werkt, die niet anders doet dan de beheersende of overheersende impulsen besturen op het moment waarop de persoon zich van zijn fysieke lichaam ontdoet. En aangezien het hogere ego zijn eigen levensduur heeft, moet hij in die toestand verblijven totdat, wat voor hem de natuurlijke levensduur op aarde zou zijn geweest, is verstreken en hij op een natuurlijke wijze zou sterven, met of zonder lichaam.

Wanneer die periode eindigt gaat hij opnieuw over in een onbewuste toestand en ervaart dan de tweede dood en alles dat geestelijk aan hem is gaat over naar devachan, terwijl de lagere delen achterblijven die dan hun eigen omzwervingen gaan maken. Naast de extremen van al het mentale lijden die hij niet had hoeven te verdragen als hij niet de hand aan zichzelf had geslagen, heeft de zelfmoordenaar zichzelf ook beroofd van het volledige vruchtdragen van een gezegende tijd in devachan, want het laatste staat in directe verhouding tot de hoeveelheid van zijn aardse ervaringen en de geestelijke kwaliteit ervan. Omdat hij direct na de daad van zelfdoding nog steeds ‘leeft’ komt zijn straf voor een groot deel voort uit de enorme intensiteit van dat leven en het grote verlangen om te genieten van het gevoel om dingen van de aarde aan te raken. Als zijn leven op aarde verdorven was en sensueel verleidt dit verlangen hem om een of ander levend wezen te vinden die hem in staat moet stellen contact te maken met datgene wat voor hem plezierig was — om opnieuw te kunnen leven, maar dan als het ware indirect. Veel misdaden, obsessies en manies, zoals alcoholisme, kunnen hierdoor worden verklaard. Mediums en sensitieven vormen open deuren voor zulke contacten en deze zelfgedode astrale wezens, die vaak aarde-wandelaars worden genoemd en die in veel gevallen eigenlijk astrale overblijfselen zijn, hebben door hun eigen handelen zichzelf voor die duur beroofd van hun verbinding met hun hoogste beginselen — de geestelijke ziel (buddhi) en de innerlijke God (atman) — die zo geen hulp en bijstand kunnen bieden, waardoor zij door deze ‘open deuren’ binnenstormen ...

en door dat te doen, verliezen zij aan het einde van de natuurlijke termijn in het algemeen voor altijd hun monade. (MB 119)

Omdat zelfvernietiging, zoals het wordt genoemd, altijd verkeerd is en een ongerechtvaardigde en gewelddadige verstoring is van de geregelde processen van de natuur, kan de daad niet anders dan disharmonie en ellende voor alle betrokkenen teweegbrengen. Dus we zouden enkele algemene regels op moeten stellen om na te volgen die we altijd voor bepaalde gevallen moeten aanvaarden, want er zijn geen dogmatische in-beton-gegoten regels voor deze kwesties. Zelfmoordenaars kunnen onderling enorm verschillen van de lafhartige en zelfzuchtige motieven van een slecht mens, tot de onbeheerste daad van de krankzinnige en de volslagen verkeerd begrepen maar soms zelfs meedogende daad van iemand die denkt dat hij door zijn zelfmoord anderen kan helpen. Deze extremen zijn eenvoudigweg gigantisch groot en de natuur die bij deze daden altijd volmaakt rechtvaardig is, hoewel automatisch, bewaakt en beschermt, voor zover de natuurwetten dat toestaan, de laatstgenoemde gevallen die voortkomen uit een oprecht maar verkeerd geloof of gedachte die het gevolg is van onwetendheid. We mogen het niet wagen te oordelen zonder de volledige kennis te bezitten van de karmische erfenis, of de dieperliggende oorzaken die hebben geleid tot de zelfmoord.

In een wereld die in bepaalde opzichten bijna wordt verscheurd door zelfzucht, angst en haat, met daarbovenop de gevallen van zelfmoord, die terugkeren in de statistieken van alle landen als zij daar tenminste over beschikken, is de waarheid over zelfmoord en het lot van de zelfmoordenaar absoluut geen reden om sentimenteel over te doen, maar kan gewoonweg niet vaak genoeg worden herhaald.

Zie ook Euthanasie; en hierboven Zelfgeleide evolutie

Zelfverloochening

Zelfverloochening is niet een pijnlijke verplichting maar het resultaat van vrije keuze.

Noch is zelf­verloo­che­ning het opgeven van een begeerlijk doel in ruil voor een ander object waarnaar wordt verlangd. De vraag of het voordeel heeft of niet heeft er niets mee te maken, dit zijn de misleidingen van de persoonlijke ego. Degene die zichzelf écht verloochent laat het verkrijgen van en verlangen naar persoonlijke vooruitgang los omdat die de wet van zijn lagere natuur gehoorzamen hij volgt dan de wet van de hogere natuur, die de wet van liefde en harmonie is. De vraag met betrekking tot wat hij wint of verliest is dan ook relatief zonder betekenis voor hem, want hij is zichzelf vergeten omdat hij zijn grotere zelf heeft gevonden.

Zelfzucht

Wanneer de bevrediging van de begeerten van het persoonlijke zelf of ego het hoogste doel in het leven is en de belangen van anderen worden genegeerd kunnen we spreken van zelfzucht.

Hoewel het individualisme een noodzakelijk ontwik­kelings­stadium is, kan de mensheid op zijn omhooggaande evolutionaire weg, op weg zijn naar de realisatie van de essentiële eenheid van alle zelven. Zelfzucht is dan onze grootste belemmering op de weg van het spiritueel ontvouwen of op onze ontwikkelingsweg. Het zijn niet de grovere manifestaties die het schadelijkst zijn, maar de fijnzinniger vormen die het masker van deugdzaamheid dragen. Die kunnen worden overwonnen door te aspireren naar de bron van ons wezen, door de onvruchtbaarheid en zinloosheid in te zien van het zoeken van het zelf en zijn vernietigende uitkomsten en door het ontwikkelen van dat basisinstinct van altruïsme dat in het hart van ieder wezen zit.

Wat hier zelfzucht wordt genoemd komt in het denken van boeddhistische filosofen en wetenschappers overeen met de ideeën, hoewel zij verschillen van mening, die een relatie hebben met atman. Zij waren nooit van plan om de fundamentele betekenis van atman of zelfheid te ontkennen en toch heeft dit verkeerde beeld van de oude boeddhistische leringen voor het valse idee gezorgd dat Gautama Boeddha en zijn volgelingen zouden hebben onderwezen dat de mens geen essentieel zelf of een zelfheid zou hebben, doordat zelfzucht in het algemeen beschouwd werd als het permanente deel van de ziel in de mens, en doordat de leer van anatma (in Pali, anatta) erg krachtig en steeds maar weer werd onderwezen. Dit laat duidelijk zien dat zelfs in India in de tijd van Boeddha, zelfheid in zijn populaire betekenis van concentratie op het lagere zelf en zijn belangen, net zo populair en wijdverbreid was als het tegenwoordig is. Het is een paradox dat in onzelfzuchtigheid de edelste en hoogste emanatie van zelfexpressie van het atman of het geestelijke zelf in de mens kan worden gevonden.

Zend

Ook Zand en Zantay [van de werkwoordstam zan perceptie, kennis vlgs. oud-Perzisch dan]

Commentaar, interpretatie, uitleg, toelichting. In het Westen verwijst Zend naar een taal waarin de Avesta was geschreven maar moderne Parsi-geleerden en oudere Pahlavi-boeken spreken over Avesta als de taal en de schrift. Blavatsky verbindt Zend met Zensar of Senzar, de mysterietaal van de ingewijden.

Zend staat ook voor ...

het ‘weergeven van het esoterische in exoterische zinnen,’ de sluier die wordt gebruikt om de juiste betekenis te verbergen van de Zen-(d)-zar teksten, de priestertaal die de ingewijden van het oude India gebruiken. Deze is nu nog te vinden in een aantal niet te ontcijferen inscripties en wordt tot op de huidige dag nog steeds gebruikt en bestudeerd in de geheime gemeenschappen van de oosterse adepten en wordt door hen — afhankelijk van de plaats — Zend-zar en Brahma- of Deva-Bhāshya genoemd. (BA 2:138)

Zie ook Avesta; Senzar; Zend-Avesta

Zend-Avesta

(Pahlavi) [van Oud Perzisch zend commentaar, verklaring + aba-ta de wet]

De geschriften die behoren bij de godsdienst van de Parsi’s en die nog steeds door hen worden gebruikt als het fundament van hun geloof. De Parsi’s noemen deze verzameling documenten de Avesta. Zend werd voornamelijk door de Parsi’s gebruikt om de Pahlavi-vertalingen en toelichtingen op de Avesta te duiden.

Zenit

Het hoogste punt aan de hemel. Een van zes kardinale punten, de andere zijn de vier windstreken van het kompas en het nadir. Deze worden gesymboliseerd door het getal zes en de swastika. Zij zijn geen vaste punten, maar richtingen die behoren bij een centraal punt dat wordt ingenomen door de waarnemer.

Zenuwether

Zenuwether is de naam die dr. Benjamin Ward Richardson gaf aan een hypothetische fluïde of stof die door hem werd beschouwd als een soort middelaar tussen de zeer kleine bouwsteentjes van het menselijk lichaam en die zou dienen als een middel om de interactie tussen die bouwsteentjes mogelijk te maken.

Dr. Richardson was een zeer respectabele 19de eeuwse Engelse arts en zijn visies die vooral onorthodox waren, dwongen respect af. Hij gebruikte het woord ether ongeveer zoals natuurkundigen doen: als we de bouwstenen van een lichaam van elkaar gescheiden zien moet er een soort medium zijn dat hun gelijktijdige activiteiten kan verklaren. Zo’n medium moet in bepaalde opzichten anders zijn dan de gewone stof en het wordt opengelaten of dat medium nou de vorm van materie heeft of energie. Deze theorie is er een uit een grote familie — vitale fluïden, dierlijk magnetismen, odische krachten — zomaar een greep uit een groot aantal theorieën of als een eerste ruwe gok. Het is echter niet voldoende als we die vergelijken met de complexe analyse van de opbouw en functies van het lichaam zoals die worden uiteengezet in de boeken van de hindoes.

Prana en liṅgaśarīra zijn algemene termen voor de energieke en voertuiglijke aspecten van ons lichaam en dr. Richardsons zenuwether past in vele opzichten bij beide. Maar de wetenschap begint met het lichaam waarvan zij aanneemt dat het een zelfbestaande basis heeft en gaat dan verder om er iets aan toe te voegen, terwijl de theosoof begint met het levensbeginsel en er een lichaam uit afleidt. Wat het laatste betreft, elke cel en elk atoom is een levende eenheid, voorzien van zijn eigen bewegingskracht en er hoeft geen zenuwether voor de ontwikkeling van de fenomenen van leven of vitaliteit aan te worden toegevoegd.

Zeru-Ishtar

(Chaldeeuws)

Het hoofd of de hogepriester van de Chaldeeën, ook wel de Magiër-hiërofant genoemd.

Zeruam

(Chaldeeuws)

Rijk aan goud en zilver. De oude koning van het gouden tijdperk wordt beschreven als een erg oude man die de tijd voorstelt. Plinius verklaart dat Sim, de zoon van Zisuthrus ook Zeru-an werd genoemd. De Zeruana Akarana (Pahlavi; in Avestisch is het Zervan Akarana) van de Perzen staat voor grenzeloos, onbegrensd of de cyclische tijd en is nauw verbonden met Zeru-an. Voor hen is Zervan Akarana gelijk aan het ’eyn soph van de Hebreeuwse Kabbalah of het kala van de hindoes (eindeloze tijd) die uitstraalt van Ahura-Mazda, de eeuwigbestaande Logos of het oorspronkelijke licht, waaruit op zijn beurt in hiërarchische volgorde alles emaneert dat bestaat en vorm heeft.

Zervan Akarana

(Avestisch) [van zervan tijd (vgl. Pahlavi zervam, zarvan, zurvan) + arana, akrana grens] Ook Zeruana Akerne — grenzeloze geest (BCW 4:328).

In de zoroastrische literatuur zijn er twee verschillende soorten tijd — grenzeloze tijd die eerder of ervoor bestond en ook altijd bestaat — en eindige tijd, die 12.000 symbolische jaren blijft bestaan, de periode waarin de twee krachten van Ahura-Mazda en Ahriman zijn verwikkeld in hun nooit eindigende worsteling. Volgens de Avesta heeft Zervan Akarana altijd bestaan. Zijn heerlijkheid is te verheven, zijn licht te schitterend voor het menselijke intellect om er grip op te krijgen en te begrijpen. Zijn eerste emanatie is het eeu­wi­ge licht dat Ahura-Mazda wordt, de Logos, waaruit de zes Amesha Spenta’s emaneren en alles dat is, dat bestaat en vorm heeft. Een andere vertaling luidt ‘de [tijds]duur in een cirkel,’ de cirkel als een symbool voor het eindeloze, het beginloze, het onbekende — dus onbegrensde tijd. Zervan Akarana is dus het mazdeïsche equivalent van parabrahman of ’eyn soph.

De cyclus markeert het tijdperk van de wereld (een vaste tijd, in tegenstelling tot de grenzeloze tijd) die in de Avesta, Zervan daregho-hvadata (de soevereine tijd van de lange periode) wordt genoemd, gemeten als twaalf perioden van duizend jaar, maar ...

wat men in het stelsel van de Avesta in het algemeen opvat als duizend jaar betekent in de esoterische leer een cyclus met een duur die slechts aan de ingewijden bekend is en een symbolische betekenis heeft. (IU 2:221n)

Zes

Het getal van de manifestatie.

De ouden gingen ervan uit dat, nu de basis van de gehele gemanifesteerde natuur zes in getal is — zoals de zes fundamentele krachten, gebieden en hiërarchieën van wezens — dat daarom de natuur door al zijn gemanifesteerde structuren en werkingen heen, onderworpen zou zijn aan deze fundamentele numerieke sleutel. Dus niet alleen de structuur van de natuur zelf zou zesvoudig zijn, maar ook de cyclussen in hun werkingen. Hier vinden we de fundamentele verklaring waarom de hindoes, de oude Babyloniërs en de mysteriescholen en leraren van andere landen, de zestallige of zestigtallige sleutels overnamen als een getalsmatige reeks van gebeurtenissen waarmee de cycli zichzelf herhalen en daarom overeenkomen met gebeurtenissen in menselijke en kosmische aangelegenheden. Vermenigvuldigd met zichzelf en daarna met tien (het volmaakte getal) levert 360 op — het getal van het goddelijke jaar van de hindoes, ook van de graden van een cirkel en het uitgangspunt van de Babylonische saros.

De combinatie met drie (6+3) maakt negen, maar dit werd door de ouden met een wantrouwend oog bekeken, want ...

terwijl het getal 6 het symbool was van onze bol, gereed om door een goddelijke geest te worden bezield, symboliseerde de 9 onze aarde, bezield door een slechte of boze geest. (SD 2:581)

In een handschrift van Saint-Germain wordt de zes gezien als het symbool van het bezielende en inspirerende beginsel en wordt ook gezien als ...

het symbool van de aarde tijdens de ‘slaap’maanden van de herfst en de winter. (SD 2:583)

In het occultisme wordt de zes weergegeven met een kubus die de zes dimensies laat zien — de vier kardinale punten en het zenit en nadir.

Terwijl dus het zestal door de wijzen op de fysieke mens werd toegepast, was het zevental voor hen het symbool van die mens plus zijn onsterfelijke ziel. (SD 2:591)

De zes is ook aanwezig in de dubbele driehoeken, die wanneer vervlochten, een zespuntige ster vormen.

Dit is de reden waarom door Pythagoras en de Ouden het getal zes aan Venus werd gewijd, omdat ‘de vereniging van de twee geslachten en de alchimistische bewerking van de stof door triaden nodig zijn om het voortbrengende vermogen te ontwikkelen, die vruchtbare kracht en neiging tot voortplanting, die in alle lichamen inherent is’. (SD 2:592)

Zie ook Zesvoudig, Zestallig

Zesde Beginsel

Het zesde beginsel is buddhi in de opklimmende schaal van de zeven menselijke beginselen. Kosmisch Brahmā wordt het zesde beginsel genoemd, het zevende is Brahman (SD 1:18). In het zonnestelsel wordt de zon gezien als de heerser over zijn eigen rijk, vanwege zijn geestelijke luister, het buddhi of zesde beginsel van dat rijk is de zoon van ākāśa, Aditi, Deva-matri (SD 1:527), drie namen voor hetzelfde kosmische voortbrengende beginsel. Dat de zon het buddhi-beginsel van zijn eigen rijk is, is niet in tegenspraak met het feit dat alle zonnen bij elkaar het kama-rupa van de Melkweg vormen.

Zesde Zintuig

De vijf zintuigen die in de mens volledig zijn ontwikkeld hebben behoefte aan een zesde zintuig om de indrukken op te vangen en op te slaan en dit kunnen we mentale waarneming noemen.

Een zesde zintuig, met een op de juiste wijze ontwikkeld zintuiglijk orgaan wordt ook wel genoemd als een nog niet verschenen orgaan, maar tijdens het zesde wortelras zal dat zich beginnen te manifesteren. Een rudimentaire versie is al in sensitieven aanwezig die dingen aanvoelen of een voorgevoel ergens van hebben dat moeilijk is te beschrijven en niet afkomstig kan zijn van een van de gebruikelijke vijf zintuigen.

Zie ook Zintuigen

Zespuntige Ster


Klik op afbeelding voor nog grotere weergave

De zespuntige ster is gelijk aan de dubbele driehoek van het Zegel van Salomo en is in India het teken van Vishṇu, waar het ...

het symbool van de trimūrti is, drie in één. De driehoek met zijn top naar boven duidt op het mannelijke beginsel, en met de top naar beneden op het vrouwelijke; de twee symboliseren tegelijkertijd geest en stof. (IU 2:264-5, 2:270, 452-3)

De zespuntige ster kan in symbolische afbeeldingen van de vroegste kosmogonieën worden aangetroffen. Als de zespuntige ster wordt gevormd door de twee vervlochten gelijkzijdige driehoeken — de ene licht met de punt omhooggericht en de andere donker met de punt omlaaggericht en beide driehoeken symmetrisch zijn geplaatst ten opzichte van een centraal punt — en de dubbele figuur wordt omsloten door een cirkel, stelt het teken het heelal voor, geest en stof, de alpha en omega van de kosmos, en involutie en evolutie. In de kabbalistische weergave is er in plaats van de cirkel die de ster omgeeft een slang die zijn staart in zijn bek houdt, zoals in het hiernaast afgebeelde zegel van de Theosophical Society.

Dit is het Egyptische symbool van tijd en eeuwigheid en van de steeds terugkerende cycli: van geboorte en dood, manvantara en pralaya, waaraan het heelal en elke entiteit daarin is onderworpen. In de theosofie symboliseert het bovendien de zes krachten of energieën van de natuur, de zes kosmische gebieden, beginselen enz., allemaal voortgebracht door de zevende, ofwel het centrale punt in de ster.

Het toppunt van de lichte driehoek symboliseert de geestelijk-goddelijke monade die zijn woonplaats in de geestelijk-goddelijke rijken heeft; het laagste punt van de donkere driehoek, de menselijke monade, die zijn woonplaats in het middelste rijk van strijd tussen geest en stof heeft, het laagste punt zelf stelt de gemanifesteerde werelden voor, de twee zijden die zich uitstrekken naar het geestelijke rijk en de evolutie voorstellen middels aspiratie en zelfopgelegde inspanning richting een geestelijk leven. Aan de andere kant, de twee zijden die zich omlaag uitstrekken vanaf de top van de lichte driehoek stellen de stralen voor die tevoorschijn komen uit de geestelijk-goddelijke monade om alle wezens in de gemanifesteerde werelden te verlichten, te inspireren en omhoog te tillen. Wat betreft de mens wordt de menselijke monade gesymboliseerd door het laagste punt van de donkere driehoek, dat de weerkaatsing van het kind van de geestelijk-goddelijke monade is of de innerlijke god.

Het centrale geometrische punt, dat uitsluitend symbolisch wordt afgebeeld omdat het in werkelijkheid noch lengte, breedte of dikte heeft, stelt de onzichtbare geestelijke zon voor, het licht van de ongemanifesteerde godheid. Soms is er in plaats van dit punt een ansatakruis met een cirkel dat verschijnt als zijn zenit — een symbool van grenzeloze, ongevormde ruimte, net zoals een kruis in een cirkel.

Ook kan het pentagram of de vijfpuntige ster de plaats innemen van het centrale punt, in welk geval het pentagram de microkosmos ofwel de mens voorstelt, in de macrokosmos oftewel het heelal.

De dubbele driehoek, die symbolisch de MACROKOSMOS, of het grote heelal, voorstelt, bevat naast het denkbeeld dualiteit (zoals te zien is in de twee kleuren en de twee driehoeken — het heelal van GEEST en dat van STOF) ook de denkbeelden EENHEID, DRIE-EENHEID, de pythagorische TETRAKTIS — het volmaakte vierkant — tot en met de dodecagoon en de dodecaëder. (BA 1:435-6)

Zie ook Zestal, Zesvoud; Zegel van de Theosophical Society

Zestal of Zesvoud

[van Latijn senarius]

Behorende tot de zes of datgene dat het getal zes als zijn grondslag heeft. Als een zelfstandig naamwoord is het een groep van zes of het getal zes, gelijk aan het Griekse hexa. Het zevenvoud zonder zijn synthese, de vervlochten driehoeken zonder hun middelpunt en dus gelijk aan de gemanifesteerde natuur, zoals te zien is in de zes richtingen van de ruimte, de zes vlakken van de kubus en de zeshoekige structuren in de natuur. Het kan worden gezien als samengesteld uit twee driehoeken, mystiek gezien zijn die van vuur en water. De 6 stelt de belichaamde mens voor, gescheiden van de geestelijke monade. De zes stralen van de scheppende logos, die gescheiden van hun synthese worden beschouwd, de zes dagen van de schepping, enz. laten hetzelfde zien.

Meer mystiek stelt het zesvoud of het zestal de zes stappen van vooruitgang van de manifestatie voor en als gevolg hiervan de zes gebieden van de natuur, waarin en waardoor de monade, of dat nu de kosmische of de invididuele is, zichzelf tot volledige manifestatie ontvouwt als een belichaamd wezen op de verschillende gebieden van de natuur. Dus het zestal stelt in de mens alle omhulsels van het atmische bewustzijn voor vanaf buddhi omlaag tot aan zijn stoffelijk lichaam, waarbij de atmische levensstroom een knoop of focus vormt op elk gebied als een kind-monade van de atmische ouder.

Zie ook Zes

Zetetisch

[van Grieks zetetikos hij of dat wat een rol speelt in onderzoek, research, zoeken — met de waarheid als het doel]

Een naam die vaak wordt gegeven aan de sceptici onder de Griekse filosofen, sceptisch betekende oorspronkelijk een zoeker naar waarheid, hoe hoog de prijs ook mocht zijn.

Zeus

(Grieks)

Het hoofd van de goden van het Griekse pantheon. In de dichtkunst en mythen wordt hij voorgesteld zittend op zijn troon in de hemel, waar hij de wolken om zich heen verzamelt en de aarde opfrist met regenbuien en wind. Hij stuurt ook stormen en onweer en zijn belangrijkste wapen is de bliksem, die hij gebruikt tegen hen die tegen zijn wil ingaan.

Zeus was naar het idee van de oude Griekse filosofen, die bijna allemaal ingewijden/denkers waren, niet de hoogste god. Het was alleen te wijten aan een algemeen verbod in die tijd om de kosmische hiërarch in het openbaar te noemen, dat Homerus geen melding maakte van dit eerste beginsel (en ook niet van de tweede, de chaos en aether van Orpheus en Hesiodus) en zijn kosmogonie laat beginnen met Nyx, die door Zeus werd vereerd — Nyx is hier gelijk aan pradhana-prakriti.

Zeus werd niet altijd beschouwd als het on­uit­sprekelijke kosmische beginsel zoals in de drama’s van Aeschylus en zijn trilogie over Prometheus in het bijzonder.

In het geval van Prometheus stelt Zeus de menigte van de oorspronkelijke voorouders, van de PITAR, de ‘vaderen’ voor, die een mens schiepen die zonder rede en zonder denkvermogen was; terwijl de goddelijke titan de geestelijke scheppers voorstelt, de deva’s die tot voortplanting ‘vervielen’. De eerstgenoemden staan geestelijk lager, maar zijn lichamelijk sterker dan het geslacht van Prometheus: daarom worden de laatstgenoemden als overwonnen voorgesteld. ‘De lagere menigte, van wie de titan het werk vernietigde en zo de plannen van Zeus verijdelde’, was op deze aarde in haar eigen sfeer en gebied van werkzaamheid; terwijl de hogere menigte uit de hemel was verbannen en verstrikt was geraakt in de netten van de stof. Zij (de lagere ‘menigte’) waren meesters van alle kosmische en lagere titanische krachten; de hogere titan bezat slechts het verstandelijke en geestelijke vuur. Dit drama van de worsteling van Prometheus met de Olympische tiran en despoot, de zinnelijke Zeus, wordt dagelijks in onze eigen mensheid opgevoerd: de lagere hartstochten ketenen de hogere aspiraties aan de rots van de stof, om in veel gevallen de gier van smart, pijn en berouw voort te brengen. (SD 2:421-2)

Deze lagere menigte vormt de verschillende klassen van maanpitri’s, terwijl de hogere menigten gezamenlijk worden gesymboliseerd door Prometheus die het geheel of totaal is van de agnishvatta-pitri’s of agni-dhyānī’s.

Ten overvloede,

tussen Zeus, de abstracte godheid van het Griekse denken, en de Olympische Zeus gaapte een afgrond. ... Zeus was de menselijke ziel en meer niet, telkens wanneer hij blijkt toe te geven aan zijn lagere hartstochten — de jaloerse god, wraakzuchtig en wreed in zijn egoïsme of IK-BEN-HEID. (SD 2:419)

In een ander aspect is Zeus de godheid van het vierde wortelras, terwijl zijn vader Kronos het derde wortelras voorstelt.

Enkele goden van het Griekse pantheon werden vaak hermafroditisch voorgesteld, zo wordt Zeus soms beschreven als een figuur met de borsten van een vrouw, terwijl een van de orfische hymnen, die tijdens de mysteriën werd gezongen, zegt: ‘Zeus is een man, Zeus is een onsterfelijke meid.’

De Latijnse Jupiter was de tegenhanger van de Griekse Zeus, zodat het volgende citaat naar beide godheden verwijst:

De viervoudige Jupiter, evenals Brahmā met de vier gezichten — de god van de lucht, van de bliksem, van de aarde en van de zee — de heer en meester van de vier elementen, kan als de vertegenwoordiger worden opgevat van de grote kosmische goden van elk volk. Hoewel hij macht over het vuur overdroeg aan Hephaistos-Vulcanus, over de zee aan Poseidon-Neptunus en over de aarde aan Pluto-Aidoneus, omvatte de Jupiter VAN DE LUCHT deze toch allemaal; want de AETHER had vanaf het begin voorrang boven en was de synthese van al deze elementen. (SD 1:464)

Zeus, als de vader van de goden, was zelf Aether, vandaar dat hij bij de Grieken soms Zeus-Zen werd genoemd precies zoals de Latijnse volken spraken over Jupiter Pater Aether (vader aether).

Zeven

Het fundamentele getal van de manifestatie dat vaak wordt aangetroffen in verschillende kosmogonieën net zoals in veel religieuze dogma’s en de ceremonieën van verschillende oude volken. Hoewel het getal tien door de pythagoreeërs het volmaakte getal werd genoemd, was de zeven uniek in zijn reeksen van getallen omdat het ...

getal zeven alle volmaaktheid van de eenheid heeft — het getal van de getallen. Want evenals de absolute eenheid ongeschapen en onverdeeld (dus getalloos) is en het geen getal kan voortbrengen, zo is dat ook met de zeven het geval: geen geheel getal onder de tien kan het voortbrengen. (SD 2:582)

Zeven is het getal van het gemanifesteerde heelal, terwijl tien of twaalf het getal is van het ongemanifesteerde heelal.

Pythagoras onderwees dat de zeven was opgebouwd uit de getallen drie en vier, en verklaarde dat als volgt:

Op het gebied van de noumenale wereld was de driehoek, als eerste voorstelling van de gemanifesteerde godheid, haar beeld: ‘vader-moeder-zoon’; en het viertal, het volmaakte getal, was de noumenale, ideële wortel van alle getallen en dingen op het stoffelijke gebied. (id.)

Verder werd de zeven door de pythagoreeërs het voertuig van het leven genoemd, want het bestond uit lichaam en geest: het lichaam zou bestaan uit vier hoofdelementen, terwijl de gemanifesteerde geest drievoudig was waarin de monade, het intellect of de essentiële ratio en het denken besloten lagen.

Er zijn talloze gevallen van zeventallen te zien — de zeven dagen van de week, de zeven kleuren van het spectrum, de zeven tonen van de toonladder — maar bijzondere nadruk wordt gelegd op de zeven menselijke en kosmische beginselen; de zeven zintuigen (vijf zintuigen zijn nu verschenen en twee zullen in de toekomst worden verworven door evolutionaire ontwikkeling); de zeven kosmische elementen; de zeven wortelrassen en zeven onderrassen; de zeven natuurrijken, die van de mensen en daaronder; de zeven ronden; de zeven loka’s en tala’s; de zeven gemanifesteerde bollen van de planeetketen; de zeven heilige planeten; de zeven rasboeddha­’s; de zeven dhyani-bo­dhi­satt­va’s en -boeddha­’s; de zeven Logoi; enz.

De mens wordt net als de natuur een saptaparna (de plant met zeven bladeren) genoemd en wordt gesymboliseerd door de driehoek boven het vierkant. Maar het zesvoud werd toegepast op de mens in al zijn geledingen van het stoffelijke tot aan het geestelijke en wanneer voltooid door het atman — waardoor het een zevenvoud werd — duidde de laatste op de gehele reeks van de constitutie, of het nu om de mens ging of de natuur en werd gekroond door de eeuwig levende geest.

In de literatuur van de hindoes verschijnt voortdurend het getal zeven: de saptarshi’s (de zeven wijzen), de zeven hogere en lagere werelden, de zeven menigten van goden, de zeven heilige steden, de zeven heilige eilanden, zeeën of bergen, de zeven woestijnen, de zeven heilige bomen, enz. In Griekenland werd de zeven vaak in verband gebracht met de goden en godinnen: Mars kende zeven bedienden, de zeven was heilig voor Pallas Athene en voor Phoebus Apollo — de laatste met zijn zevensnarige lier die hymnen speelde voor de zevenvoudige natuur als aan de zon met zijn zeven stralen; de zeven zonen en zeven dochters van Niobe, enz.

Naast de mythologische beschouwingen komt het getal zeven in de manifestatie van het stoffelijke leven onophoudelijk voor:

Want als de geheimzinnige zevenvoudige cyclus een natuurwet is, en dat is zo, zoals is bewezen; indien blijkt dat hij de evolutie en de involutie (of dood) beheerst op het gebied van de entomologie, ichthyologie en ornithologie en ook in het dierenrijk, bij zoogdieren en mensen — waarom kan hij dan niet aanwezig en werkzaam zijn in de Kosmos in het algemeen, in zijn natuurlijke (hoewel occulte) indelingen van tijd, rassen en mentale ontwikkeling?. (SD 2:623n)

Zeven is inderdaad het heilige getal van het leven en met de cirkel en het kruis vormt die een triade van oeroude symbolen van de oude wijsheid.

Zeven (solaire) Stralen

Het zonlicht bevat de typische macht van elk van de zeven solaire logoi. Een adept kan zeven tonen laten klinken en elke toon zal dan min of meer volmaakt synchroon trillen met de trillingssnelheid van de bijbehorende zonnestraal of kracht die voortkomt uit zijn eigen zonnelogos. Zulke oude magie werd niet alleen gedaan om een eerbiedige vereniging met de heer en schenker van het leven van het zonnestelsel te bereiken, maar bracht iemand ook in een geestelijke, intellectuele en psychologische harmonie die ongeveer overeenkwam met de geestelijke en andere krachten die verblijven in de zon en daarvan uitstromen (vgl. ML 73). Mystieke woorden met zeven klinkers verwijzen in het algemeen naar dezelfde oude wijsheid-magie.

Zie ook Oeaohoo

Zeven Eeuwigheden

Zeven kosmische aeonen of nog veel langere perioden, die voor het menselijke denken veranderen in tijd. En elk zo’n kosmische aeon is een eeuwigheid [van Latijn aeternitas van aetas eeuw, tijdperk, een ruimte van tijd] die de Latijnen zagen als een algemene term voor een aeon (kosmisch tijdperk).

De bedoelde zeven eeuwigheden zijn de zeven tijdperken, of een tijdperk dat in duur overeenkomt met de zeven tijdperken van een manvantara en dat zich uitstrekt over een hele maha-kalpa of ‘grote eeuw’ — 100 jaren van Brahmā — en dat in totaal 311.040.000.000.000 jaren omvat. (SD 1:36)

De uitdrukking is zowel van toepassing op een mahakalpa als een zonnepralaya.

Zie ook Mahamanvantara

Zevende Beginsel

In algemene zin is het zevende beginsel het hoogste beginsel of deel van een zevenvoudige hiërarchie, de kroon van waaruit de zes stralen worden geëmaneerd.

Onder de zeven heilige planeten is het, dat wil zeggen exoterisch, de zon. In de mens is het atman. Het zevende beginsel wordt ook wel de wortel van elk atoom genoemd, of het nu om een levensatoom gaat of een chemisch atoom. Dit zevenvoud wordt op de lagere gebieden van manifestatie voorgesteld door een 8 of een achttal en dienovereenkomstig zijn er de vermenselijkte godsdienstige leringen waarin het zevende beginsel niet langer de kroon is, maar slechts een van een groep van acht (SD 2:358), hoewel die wel zo goed als altijd de eerste en belangrijkste plaats inneemt.

Zevensnarig Instrument

De zevensnarige lier van Apollo, die ook terug te vinden is in zevenvouden in het algemeen, zoals de zeven tonen van de muziek, de zeven kleuren van het prisma, de zeven menselijke of kosmische beginselen, enz. Met behulp van dit instrument riep de god de harmonie op die de loop van de werelden regelt.

Een ander overeenkomend zevenvoud vormen de zeven heilige planeten, Apollo is dan de zon. Aangezien de Ouden de zon, met wat voor naam ook, zagen als een wezen met zeven of twaalf stralen — wordt hier gezinspeeld op de leer van de logoï die voortstromen uit het hart van de zon en die hun respectievelijke individuele verblijfplaatsen in de planeten vinden — staat de zevensnarige lier eigenlijk voor de feitelijke of organische structuur van het zonnestelsel en is de zevensnarige lier van Apollo in werkelijkheid het zelf van Apollo dat uitstroomt in zeven logoïsche krachten.

Ziekte & Gezondheid

Heel ruim genomen is ziekte een verstoorde of disharmonische toestand van het vitale organisme door een ontaarding, een overschot of gebrek aan, of een verstoorde werking van een of meerdere lichaamsfuncties.

Een aandoening kan zijn veroorzaakt door een of andere verstoring op chemisch of mechanisch gebied waardoor het lichaam niet in staat is op een natuurlijke wijze te reageren op de psycho­elektrische en andere krachten die door het lichaam stromen en dat onderhouden. Bovendien reageren de fysieke en geestelijke elementen van de menselijke constitutie voortdurend op elkaar en zorgen voor gezondheid of ziekte, omdat het denken en de emoties aan de ene kant en de organen en hun werkingen aan de andere kant, verbonden delen van dezelfde entiteit zijn. Als regel verandert deze interactie tussen de stoffelijke en bewuste persoon bij ziekten in een vicieuze cirkel. Mentale of emotionele druk, of overbelasting, kan zo leiden tot een organische ziekte. Lang aanhoudende zelfzuchtige emoties kunnen een verstoorde en disharmonische interactie van pranische of vitale stromen van het lichaam veroorzaken wat kan leiden tot een of andere aandoening, overeenkomstig de soort emotie en het individuele karma.

Met het oog op de elektrische aard van de stof kan een aandoening worden beschouwd als een elektrisch tekort aan harmonie of een verstoring ervan, aangezien een ziekte altijd de polariteit van het lichaam min of meer verandert. De levenskrachtige stromen van menselijke elektriciteit verbinden de bewuste [spirituele] mens met zijn lichaam door het levende netwerk van zenuwen. De ritmische beweging als gevolg van een natuurlijke harmonie laat elke cel en orgaan met zijn eigen snelheid vibreren en beantwoordt aan de universele trilling of Grote Adem die in andere vormen van beweging zichtbaar is als warmte, licht, geluid, dichtheid, enz. Maar achter de elektrische en trillende toestanden van het lichaam, en boven de mentale invloeden, staat het wezenlijke Zelf. Dát is de bron van harmonische of ritmische werkingen in alles dat zich eronder bevindt, die is afgestemd op harmonie en er altijd naar streeft de lagere natuur omhoog te krijgen om harmonieus samen te kunnen werken met zijn subtielere en machtiger krachten. Wanneer het instinct van het dierlijke lichaam, de mentale vermogens en de intuïtie van het wederbelichamende ego samenwerken, is de mens afgestemd op gezondheid, op zijn gezonde verstand en wijsheid. Als dit niet zo is zal de werkelijke innerlijke strijd naar buiten komen in een of andere vorm van ziekte.

Als de mens een dynamo van uitgebalanceerde krachten is kan een klein gebrek in de werking ervan de fundamentele oorzaak van ziekten zijn. Daarnaast moeten we bedenken dat als alle materie leeft en tot op een bepaalde hoogte een bewustzijn heeft en trilt in reactie op de wetten van de natuur, het niet anders kan zijn dan dat hetzelfde algemene beginsel ook van toepassing is op ziektes in de natuurrijken van dieren, planten en mineralen. In de mens is het de organische vitale fluïde van het wederbelichamende ego die heerst over alle lagere vitale expressies van de levens­atomen en is dé samenhoudende factor voor de gehele constitutie. De intense en onophoudelijke activiteit van deze levens­atomen vormt ons lichaam, stelt dit samen, maar als de ouderdom komt en het lichaam op een normale en natuurlijke wijze verzwakt raakt, wordt de onophoudelijke activiteit van de vitale kracht te sterk om nog door de regulerende invloed van het vitaal-elektrische veld te kunnen worden beheerst. Dus de atomaire krachten, die in werkelijkheid levende energieën zijn, gaan onverminderd door het lichaam en verzwakken het, maar heel geleidelijk, en zullen het uiteindelijk vernietigen, wat het overlijden betekent.

Deze innerlijke vitale activiteiten van de levens­atomen die niet voldoende door de organische vitaliteit in toom werden gehouden zijn eveneens de oorzaak van vele, misschien wel alle, vormen van chronische ziekte. Gevallen van een kwaadaardige ziekte zijn te wijten aan dezelfde algemene oorzaak maar door speciale en ongewone omstandigheden worden ze in een bepaald deel van het lichaam gelokaliseerd waar de kracht of de beheersing van de organische vitaliteit sterk wordt verzwakt. (ET 459)

Ziel

De ziel is het voertuig of het gewaad dat het Ego gebruikt om zich op een lager gebied van zijn tot expressie te kunnen brengen.

De allereerste in de reeks van ontplooiende bekledingen (of voertuigen) van onze innerlijke God naar de diverse lagere gebieden is de monade, op welk gebied en van welke soort dan ook. Zijn voertuig of drager is dat wat van Hem uitstroomt: het Ego, dat zich op zijn beurt hult in zijn eigen vitale kleed dat zijn ziel is. Kosmisch gezien is de ziel daarom het voertuig of de upadhi van geest.

Nu de monade voor zijn manifestatie een reeks van voertuigen creëert omvat de ziel in zijn ruimste betekenis al deze voertuigen, zelfs het fysieke lichaam, maar dat wordt normaliter alleen gebruikt in een verzamelde betekenis om te wijzen naar de tussenliggende natuur, waarbij aan de ene kant de monade niet wordt meegeteld of, aan het andere uiteinde, het fysieke lichaam niet. Zo’n onderverdeling laat een triade van geest, ziel en lichaam zien waarin de ziel het voertuig van geest is en het lichaam het voertuig van ziel én geest.

De ziel is ontwikkeld door ervaringen op verschillende gebieden. Op zichzelf is het niet meer dan een voertuig maar, geïnspireerd door de monade — door het Ego van laatstgenoemde — is het een levende bewuste entiteit geworden.

Een ruimere betekenis wordt verkregen door kwalificerende bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken zoals een dierlijke ziel, een menselijke ziel, enz. Wanneer we zeggen dat elk levend wezen — dierlijk, plantaardig of mineraal — een ziel heeft, bedoelen we de tussenliggende natuur van het wezen, waarvan zijn fysieke lichaam het voertuig is. Zielen zijn net als lichamen: aggregaten of accumulaties van ontelbare lagere levens of levens­atomen van verschillende soorten, gelijk aan het Griekse psyche en het Hebreeuwse nephesh.

Ziel van de Wereld

Vertaling van het Latijnse anima mundi.

In zijn hoogste aspect is het ākāśa en is dan de zetel van nirvanische omstandigheden. In zijn lagere aspect is het het astrale licht en de materiële wereld — de laatste is zowel zijn stoffelijke drager als zijn grofste uitdrukking.

Zie ook anima mundi

Zielloze wezens

Zielloze wezens zijn mannen en vrouwen die nog steeds verbonden zijn — maar vaak tamelijk onbewust — met de monade, de geestelijke essentie in hen, maar niet zelfbewust.

Zij leven voor het overgrote deel in het hersenverstand en in de gebieden van het sensuele bewustzijn. ‘Wij passeren op straat en bij elke bocht zielloze mensen,’ schreef Blavatsky. Dit betekent niet dat die mensen geen ziel hebben maar dat het geestelijke deel van deze mensen niet in staat is zich te manifesteren door het onontwaakte hersenverstand en gevoelens. Zij zijn bezielde mensen met een bezield functionerend hersenverstand en toch zielloos in de betekenis dat de ziel zich niet voldoende tot uitdrukking kan brengen. Dit is wat Pythagoras bedoelde toen hij sprak over de levende doden of het geestelijk nutteloze deel van de mensheid. Zij leven in het gewone denken en in het lichaam, zijn met hun gedachten alleen in deze kleine en beperkte sferen van bewustzijn. Zulke ‘zielloze’ mensen zijn erg talrijk. Zielloze wezens zouden niet moeten worden verward met verloren zielen.

Ziener

Op de eerste plaats is een ziener een mens die de waarheden kan onderscheiden door gebruik te maken van ware innerlijke visie, het Oog van Śiva.

Het is dit oog dat door de uitgestrektheden van ruimte en tijd van een heelal heen kan kijken — maar zonder de intuïties van de gebieden en tijden van andere omringende heelallen. De term wordt echter ook gebruikt voor een aantal verschillende graden van vaardigheid om helderziend te kunnen schouwen in het astrale licht. Swedenborg wordt soms een ziener genoemd, wat hij ook in een bescheiden mate was, maar omdat hij hier geen onderricht in had gehad was wat hij zag vooral bijzonder voor hemzelf, wat ook het geval is met andere zieners van dezelfde klasse.

De aanwijzingen voor aspiranten naar wijsheid staan bomvol waarschuwingen ten aanzien van de vele gevaren en misleidingen van het astrale licht en de belemmeringen die worden opgeworpen door de ongezuiverde en ongedisciplineerde natuur van de discipel. De gave van een werkelijk geestelijke ziener, die gebruikmaakt van zijn innerlijke oog, is het resultaat van vele levens van aspiratie en training, waarbij rekening moet worden gehouden met het succesvol doorstaan van vele beproevingen en inwijdingen. De wetenschap die gupta-vidya, de geheime wijsheid, wordt genoemd is het product van de onderlinge samenwerking en de leringen van ware zieners, van wie de getrainde vermogens hen in staat stellen om direct zicht te hebben op actuele zaken.