© Theosophical University Press / Fred Pruyn 2017
Theosofische Encyclopedische Woordenlijst

Zijn, Niet-zijn & Zijn-heid

Gelijk aan het Sanskrietwoord sat, asat en tat. Asat is ...

een filosofische uitdrukking met de betekenis van ‘niet-zijn,’ of misschien eerder niet-zijn-heid. Het ‘onbegrijpelijke niets.’ Sat, het onveranderlijke, eeuwige, altijd aanwezige en de enige werkelijke ‘Zijn-heid’ (niet Zijn) wordt genoemd als dat wat wordt geboren uit asat, en asat is dus het kind van ‘sat.’ Het onwerkelijke of prakriti, de objectieve natuur gezien als een illusie. De natuur of de misleidende schaduw van zijn ene ware essentie. (TG 33)

Dus asat of nietzijn worden beide gebruikt om te wijzen naar dat wat voorafgaat aan zijn en waaruit zijn is geboren — of vice versa. En om aan te geven dat de wereld van illusies tegengesteld is aan het essentiële of fundamentele kosmische zelf. Sat (of asat) komt voor een groot deel overeen met het Absolute van de gewone Europese filosofie, terwijl Zijn-heid of nietzijn overeenkomt met het extreem metafysische tat en parabrahman van de Veda’s en Vedānta.

Zilver

Zilver kan staan voor een ras of tijdperk van Hesiodus en komt ook voor in de Griekse en Romeinse mythologie. De tijdperken van Hesiodus waren van goud, zilver, brons en ijzer, waarbij zilver overeenkomt met het tetrāyuga van de hindoes.

Het kwik* van Paracelsus was niet alleen maar het chemische kwik waarmee wij bekend zijn maar is ook en vooral de levende geest van zilver. Zilver komt in de symboliek van de astrologie overeen met de maan.

*OV: Engels quicksilver, wat verklaart waarom het hier wordt besproken.

Zim

(Chaldeeuws) Ook Zikum. De geest van de diepte, geest/substantie, oerstof.

In de latere Babylonische theologie gebruikt voor de geest die zowel in goden als mensen aanwezig is. Het is ook de naam van een van de zeven beschreven goden die elk een mens voortbrengen, wat wijst op het modelleren of vormgeven van de mens door de verschillende klassen van pitri’s.

Zintuigen

In het algemeen zijn de zintuigen de communicatiepoorten voor de waarnemende functies van het ego en de overeenkomende elementen van het gebied waarop het werkzaam is. De zintuigen verschenen tijdens de ontwikkeling van de mens in een regelmatige volgorde: als eerste het gehoor, daarna de tastzin, dan het zien, vervolgens de smaak en als laatste de reuk. Deze zintuigen werden niet ontwikkeld uit het niets maar zijn uitdrukkingen of weerspiegelingen op het stoffelijke gebied van eerdere latente, innerlijk oorzakelijke werkingen die behoren tot de structuur van de innerlijke mens.

De vijf zintuigen zijn aanpassingen of specialisaties van een algemeen waarnemingsvermogen dat verschillende aanpassingen in verschillende diersoorten kent waarin de organen verschillend zijn, vooral bij insecten. Sensitieven en helderzienden kunnen visuele of hoorbare indrukken ontvangen zonder gebruik te maken van een fysiek orgaan, of de gebruikelijke werkingen van een zintuig kunnen zijn overgebracht naar een ander deel van het lichaam.

Eigenlijk kent de mens zeven zintuigen, want naast de vijf al ontwikkelde organen, zijn er ook de organen voor het functioneren van manas (denkvermogen) en buddhi (begripsvermogen). De laatstgenoemde twee zijn geen zintuigen die betekenis hebben voor het stoffelijke gebied zoals de zintuiglijke organen, maar leggen een nadruk op organische en functionele activiteit, beide zijn innerlijk en geestelijk/intellectueel. In de huidige ontwikkelingstoestand heeft de mens nog niet het vermogen ontwikkeld om de zesde en zevende zintuiglijke functies en organen naar buiten te brengen, maar zal in de vijfde ronde met de ontwikkeling van ether de relatief volledige ontwikkeling laten zien van het manasische waarnemingsvermogen en het begin van het buddhische.

In mythen hebben de zintuigen en functies hun heersende goden, en die vormen twee zevenvoudige paren: de oorzakelijke/geestelijke en dan hun fysieke echo’s als de gevolgen daarvan. De cycli van de zevenvoudige evolutie brengen het geestelijke of goddelijke naar buiten; het intellectuele en hoger psychische; het lagere psychische, inclusief het hartstochtelijke en het instinctieve en de half-fysieke en zuiver fysieke naturen. De zintuigen behoren tot de laatste twee groepen. De astraal-vitaal-fysieke natuur zorgt voor de zintuigen, waardoor de innerlijke zintuigen kunnen handelen en dus zorgen zij dan ook voor het functioneren van de fysieke zintuigen. Deze fysiologische zintuigen ontwikkelden zich pari passu met de verstoffelijking van de mensheid.

De eerste menselijke protoplasten kenden geen zintuigen, dat wil zeggen zij waren wel latent aanwezig maar waren niet-functioneel. Naarmate de evolutionaire ontwikkeling de innerlijke capaciteiten en eigenschappen van de mens naar buiten bracht, volgden de organen en de werkzaamheid ervan snel en verschenen in het ontwikkelende stoffelijke voertuig.

De zintuigen behoren tot de derde van zeven scheppingen die in de Purāṇa’s worden genoemd, de eerste drie vormen een groep die bekend is als de prakrita-scheppingen: 1) de mahat-tattva-schepping; 2) de bhuta of bhutasarga en 3) de indriya of aindriyaka. Deze drie zijn niet zozeer zintuigen, omdat zij de eerste drie prakrita-scheppingen van de kosmos zijn en de eerste drie stadia voorstellen van de ontwikkeling van manifestatie na een zonnepralaya. Maar toch, aangezien analogie de regel van de natuur is, zijn deze scheppingen net zo goed van toepassing op de menselijke zintuigen, en zijn eigenlijk nog meer van toepassing op de algemene ontwikkeling van de zintuiglijke functies en het apparaat, dan van de zintuigen zelf. De laatste van de drie is, zoals die in de mens van toepassing is, een aangepaste vorm van ahankara, het beeld van de egoïstische en mayavische ‘ik’ in de mens, de weerspiegeling van het geestelijke ego of monade. En deze derde schepping wordt ook de organische schepping of schepping van de zintuigen genoemd.

Zio

(Germaans)

De oude Germaanse god van het zwaard, of de oorlogsgod die overeenkomt met Tyr van de Noorse mythologie.

Hij werd door Tacitus Tivisco genoemd en die beschreef hem als een verborgen god die zo door de Zwaben werd vereerd dat niemand het heilige woud van de Semnonen, een vooraanstaande stam van de Zwaben, kon betreden zonder gevangen te worden genomen. Nerthus, de godin van de aarde, zou zijn echtgenote zijn.

Zippora

(Hebreeuws) Tsipporāh

Draaiend, wentelend, vandaar een lied of gezang als het rondgaan van geluid. In de Bijbel is Zippora een van de zeven dochters van Jethro, de midianitische priester, die ten huwelijk was gegeven aan Mozes nadat die haar bij de bron had geholpen (Ex. 2). In één uitleg, wordt ...

Jethro de ‘schoonvader’ van Mozes genoemd, maar niet omdat Mozes werkelijk met een van zijn zeven dochters was gehuwd. Indien hij ooit heeft bestaan, was Mozes een ingewijde en als zodanig een asceet, een nazar, en kan hij nooit gehuwd zijn geweest. Het is evenals al het andere een allegorie. Zippora (de stralende) is een van de verpersoonlijkte occulte wetenschappen die door Revel-Jethro, de midianitische priester-inwijder, aan Mozes, zijn Egyptische leerling, werd gegeven. De ‘bron’ waarbij Mozes neerzat op zijn vlucht voor de farao, symboliseert de ‘bron van kennis’. (SD 2:466n)

Zippora lijkt op de stad Sippara die noordelijk van Babylon [Bagdad] aan de Eufraat ligt — waar het kindje Sargon te water werd gelaten, wat praktisch gelijk is aan het verhaal van Mozes, alleen zou de tewaterlating van Sargon 1100 jaar eerder hebben plaatsgevonden. Blavatsky concludeert dat Ezra dit verhaal heeft gebruikt toen hij Exodus had samengesteld.

Zmey Gorenetch

(Russisch) Ook Zmej Goronech [van zmej slang + goro berg]

De slang als een berg. Een populaire figuur in Russische folklore en sprookjes die de duistere krachten voorstelt die door de held moeten worden overwonnen.

Znachar

(Russisch) Iemand die weet.

Een wijze of een wijs mens. In het algemeen ook gebruikt voor een zwarte magiër of tovenaar [van Angelsaksisch wit-ga ziener, iemand die ziet van witan weten]. Vrouwelijke vorm Znaharka.

Zodiak

[van Grieks zodiakos kyklos ring van dieren]

De zodiak of dierenriem is met een totale breedte van ongeveer 16 graden de zone die zich aan beide zijden van de ecliptica uitstrekt alsof het ook de schijnbare beweging van de planeten en de maan moet omvatten. De zodiak is verdeeld in twaalf gelijke delen of tekens, die worden gerekend vanaf de positie van het punt van de dag-en-nachtevening van het voorjaar. De positie van dit punt gaat westwaarts terug langs de ecliptica met een snelheid van ongeveer 50 boogseconden per jaar. De hindoes noemen dit de vaste zodiak en de sterrenstelsels van de zodiak noemen zij de bewegende zodiak. Het oude getal voor de lengte van een precessiecyclus is 25.920 jaar, wat ook de lengte is van een belangrijke etnologische eenheid in de ontwikkeling van de mens.

Een eenvoudige berekening laat zien dat met deze snelheid het sterrenbeeld Taurus (Hebr. Alph) in het eerste teken van de zodiak aan het begin van het kaliyuga stond en als gevolg hiervan viel het moment van de lente dag-en-nachtevening daarin. Toen was ook Leo het teken voor de zomerzonnestilstand, Scorpio voor de herfst dag-en-nachtevening en Aquarius voor de winterzonnestilstand. Deze feiten vormen de astronomische sleutel voor de helft van de religieuze raadselen van de wereld — inclusief die van de christenen. (TG 387)

De zodiak kan onder alle ontwikkelde volken worden aangetroffen zoals de Chaldeeën, de hindoes, de Egyptenaren, de Chinezen maar ook in het bijbelboek Job (wat het oudste boek van de Bijbel zou zijn). Zijn ouderdom is verloren gegaan in het duister van de nacht. De zodiak kan heel summier worden beschreven als een boek over evolutie met twaalf hoofdstukken en als zodanig zijn zijn toepassingen en overeenkomsten ontelbaar groot. De tijd wordt aangegeven door het passeren van de planeten door zijn tekens, door hun conjuncties in diverse posities en door de beweging van de kruispunten en apsiden van de planeten, zodat het verloop van cycli, groot en klein, kan worden berekend en het verleden en de toekomst kunnen worden gelezen door hem die die begrijpt. De twaalf onderverdelingen van de ecliptica of de onbeweeglijke zodiak, hebben dezelfde namen en betekenissen als de sterrenbeelden van de zodiak. Zij kunnen worden toegepast op de cycli van het verleden zoals de Messiaanse cyclus, op de rassen van de mensheid en op de menselijke constitutie, mentaal en fysiek. Wanneer toegepast op de bollen van de planeetketen aarde — waarbij de esoterische berekening met behulp van een twaalfvoudig stelsel wordt gebruikt — heersen de bestuurders van de huizen van de zodiak elk over een bol van de aardketen.

Klik hier voor grote weergaveElk van deze sterrenbeelden, die samen de twaalf huizen van de dierenriem vormen, is een sterrenhoop die karmisch verenigd zijn door oude banden van lotsbestemming, en die elk ... hun eigen spirituele elektriciteit of fohatisch magnetisme hebben. ... en elk daarvan brengt zijn eigen typische invloeden voort door de emanaties die deze om zich heen uitstort en die zich in de ruimte uitstrekken. (BvhO 137-8)

Er bestond ooit een onderverdeling van de zodiak in tien tekens, omdat er twee geheim werden gehouden. De twaalf tekens werden gemaakt door de Grieken die Virgo-Scorpio in tweeën deelden en ertussenin het harmoniërende teken Libra plaatsten. Een Egyptische muurschildering laat een iets andere schikking van de tien en de twaalf zien, er zijn dan twaalf goden op tien zetels waarbij de nummers 7 en 8, en 11 en 12, paren vormen. De astrologen van de hindoes kenden andere onderverdelingen die de twaalf huizen opnieuw onderverdelen; maar zij kenden daarnaast ook 27 of 28 maanhuizen. Wanneer Blavatsky sprak over de kennis van de oude wijzen merkte zij op dat ...

als zulke mannen als Kepler en zelfs Sir Isaac Newton geloofden dat de sterren en sterrenbeelden de lotsbestemming van onze bol en zijn mensheden beïnvloeden, is het niet te ver gezocht om te stellen dat er mensen waren die ingewijd waren in alle mysteriën van de natuur, in astronomie en astrologie, en die precies wisten op wat voor manieren naties en de mensheid, zelfs complete rassen naast individuen, zouden worden beïnvloed door de zogenaamde ‘tekens van de zodiak’. (TG 387-8)

De Chinese zodiak was behoorlijk complex. Afgezien van het feit dat die was verdeeld in 28 en 24 delen kende die ook twee duidelijk verschillende twaalfvoudige reeksen. De Chinese methode van het delen van ‘de gele weg van de zon’ werd gedaan met behulp van twaalf terugkerende dieren als de rat, os, tijger, haas, draak, slang, paard, schaap, aap, haan, hond en varken. Het eerste teken komt overeen met Aquarius (Waterman) en het is interessant te zien dat in het Oosten de rat vaak wordt gebruik als een beeldschrift voor water. Maar de Chinese reeks gaat verder in een retrograde richting, tegen de bewegingsrichting van de zon in. Dus het tweede teken (de os) neemt de plaats in van Capricornus (Steenbok), enz.

De Azteken kenden een maand van 20 dagen, zeven dagen van de maand waren naar een dier genoemd — vier kwamen overeen met die van de Chinezen (de haas, aap, hond en slang) terwijl de overige drie typisch Amerikaanse dieren waren, de ocelot (kleine katachtige), hagedis en arend.

Zohak

(Pahlavi)

De Pahlavi-vertaling van de Avesta vermenselijkt de slang Azhi Dahaka tot een kwaadaardig wezen dat in Bawru (Babylonië) zou leven. Zohak wordt voorgesteld als een man met twee slangenkoppen die uit zijn schouders groeien, op de plek waar hij was gekust door Ahriman;

het hoofd van een mens wijst op de fysieke mens en de twee slangenkoppen op de tweevoudige manasische beginselen — de draak en de slang zijn beide een symbool van wijsheid en occulte vermogens. (TG 333)

Hij stoot koning Jemshid (Yima) van de troon en na duizend jaar te hebben geheerst wordt hij verslagen door prins Feridun (Thraetaona). Maar Zohak kon niet worden gedood, hij was vastgebonden aan de berg Davand om daar geboeid te blijven liggen tot aan het einde van de wereld en zal dan worden bevrijd en gedood door Keresaspa.

In de Shahnameh van Ferdowsi worden de figuren uit deze mythe historische personages:

Kennelijk wordt met Zohāk de Assyrische dynastie bedoeld, waarvan het symbool het purpureum signum draconis — het purperen teken van de draak — was. Sinds de grijze oudheid (Genesis 14) regeerde deze dynastie over Azië, Armenië, Syrië, Arabië, Babylonië, Medië, Perzië, Baktrië en Afghanistan. Aan haar heerschappij van ‘1000 jaar’ werd ten slotte door Cyrus en Darius Hystaspes een einde gemaakt. ... Zohāk heeft waarschijnlijk aan de Perzen de Assyrische of magische vuuraanbidding opgedrongen. (IU 2:486)

Zohar

(Hebreeuws) Ook Sepher haz-ZoharZohar, Sēfer Hazzohar [van de werkwoordstam zāhar licht, helder zijn, schitteren]

Boek van Pracht en Schittering. Het voornaamste werk of compendium van de kabbalisten, dat samen met het Boek van Schepping (Sefer Jetsirah) de canon van de Kabbalah vormt. Het is voornamelijk in het Chaldeeuws geschreven en wordt afgewisseld met Hebreeuws. Het bestaat voornamelijk uit een doorlopend commentaar op de Pentateuch. Er zijn een aantal zeer betekenisvolle delen of boeken die op het oog willekeurig in deze boekdelen zijn opgenomen: soms als parallelle kolommen naast de tekst, soms als aparte delen.

Deze supplementen zoals we die nu kennen en die zo onopvallend aan de tekst zijn toegevoegd, worden door de kabbalisten beschouwd als de voornaamste bijdrage aan de Zohar. De volgende titels vormen het geheel van zoharische geschrifen buiten het commentaar zelf, zoals kan worden gevonden in de huidige edities, hoewel in een of twee edities een paar toegevoegde fragmenten van minder belang zijn opgenomen:

1. Tosephta’ (Toevoegingen of supplementen);

2. Heichaloth (Huizen, Woonplaatsen) gewoonlijk genoemd als zeven in aantal, die de opbouw van de hogere en lagere rijken beschrijft;

3. Sithrei Torah (Mysteriën of Geheimen van de Wet [Pentateuch]) en beschrijft de ontwikkeling van de sefiroth;

4. Midrash Han-Ne‘elam (De Verborgen Interpretatie) het afleiden van de esoterische leer uit de vertellingen in de Pentateuch;

5. Ra‘ya’ Meheimna’ (De Trouwe Herder), een verslag van de gesprekken tussen Mozes, de trouwe herder, de profeet Elijah en Rabbi Shimon ben Yochai (de veronderstelde samensteller van de Zohar);

6. Razei deRazin (Geheimen der Geheimen), een verhandeling over gelaatsuitdrukkingen en hogere psychologie;

7. Saba’ deMishpatim (De Bejaarde over Besluiten, Oordelen), de bejaarde of wetenschapper is Elijah die in gesprek gaat met Yohai over de leer van metempsychose;

8. Siphra’ di-Tseni‘utha’ (Het Boek van Mysteriën), verhandelingen over kosmogonie en demonologie;

9. Ha-’Idra’ Rabba’ Qaddisha’ (De Grote Heilige Samenkomst), verhandelingen van Rabbi Yohai aan zijn discipelen over de vorm van de godheid en over pneumatologie;

10. Yenoqa’ (De Jeugd), verhandelingen over de mysteriën van rituele wassingen door een jonge man die zo’n groot talent daarin bezat dat men dacht dat hij van bovenmenselijke oorsprong was;

11. Ha-’Irda’ Zuta’ Qaddisha’ (De Kleinere Heilige Samenkomst), verhandelingen over de sefiroth gericht aan zes discipelen.

De Zohar was samengesteld door rabbi Shimon ben Yochai en voltooid door zijn zoon Rabbi Eleazar en zijn secretaris rabbi Abba.

Maar al is het werk uitgebreid, en al bevat het de belangrijkste punten van de geheime mondelinge overlevering, toch omvat het niet alles. Het is bekend dat deze eerbiedwaardige kabbalist de belangrijkste delen van zijn leer nooit anders dan mondeling meedeelde, en alleen aan een heel beperkt aantal vrienden en leerlingen, onder wie zijn enige zoon. De bestudering van de kabbala zal dus, zonder de laatste inwijding in de Merkabah, altijd onvolledig blijven ... Sinds de dood van Shimon ben Yochai is deze verborgen leer voor de buitenwereld een ongeschonden geheim gebleven. (IU 2:348-9)

De Zohar bevat de universele wijsheid of theosofie van alle tijden. Toch onderwijst ...

de Zohar meer praktisch occultisme dan enig ander boek over dat onderwerp; evenwel niet zoals het door verschillende critici is vertaald en toegelicht, maar door de geheime tekens in de kantlijn. Deze tekens bevatten de geheime instructies, afgezien van de metafysische verklaringen en schijnbare dwaasheden, ... (IU 2:350)

De huidige vorm van de Zohar was geschreven door Moses de Leon in de 13de eeuw.

Wie de kabbalistische boeken van vandaag en de interpretaties van de Zohar door de rabbi’s aanziet voor de ware kabbalistische leer van de oudheid heeft het bij het verkeerde eind! Want de voor Europa en Amerika toegankelijke Kabbala bevat heden, evenmin als in de tijd van Friedrich von Schelling, veel meer dan ‘puinhopen en fragmenten, sterk verminkte overblijfselen van dat oorspronkelijke stelsel dat de sleutel is tot alle religieuze stelsels’... Het oudste stelsel en de Chaldeeuwse Kabbala waren identiek. De laatste versies van de Zohar zijn die van de synagoge in de eerste eeuwen — namelijk de thora, die dogmatisch en star is. (SD 2:461-2)

De Zohar is uitgebreid en eeuwenlang bestudeerd door Europese mystici en andere wetenschappers en vele beschouwingen ten aanzien van zijn leeftijd zijn van deze onderzoekers afkomstig, waarbij sommige met veel overtuiging bevestigen dat de wortels of oorsprong van de Kabbalah ver teruggaan tot in de grijze oudheid en waarschijnlijk kunnen worden teruggevolgd naar nu nog onbekende originelen uit het oude Chaldea, terwijl andere duidelijk maken dat de Zohar op verschillende plekken melding maakt van historische feiten in Europa van na het begin van de christelijke jaartelling zoals de kruistochten, en noemen de latere toevoeging van massoretische punten die vanaf de tijd van rabbi Mocha na 570 n.Chr. werden ingevoerd, de vermelding van een komeet waarmee vanuit de context kan worden aangetoond dat die in 1264 verscheen enz.. Moses de Leon was waarschijnlijk de eerste die het boekdeel van de Zohar redigeerde en aan de wereld schonk, wat wij nu beschouwen als een compleet boek. We zien dus een werk dat in toenemende mate werd uitgebreid en de vorm waarin die tot ons is gekomen is het werk van een aantal denkers — als het al niet een groot aantal is, vanaf het begin van de christelijke jaartelling, maar desondanks toont het met zijn typisch Chaldeeuwse denken en manier van kijken op godsdienstige en filosofische beginselen aan dat het uit een onbekende periode van de Chaldeeuwse geschiedenis tot ons is gekomen.

Zomerland

De term het zomerland wordt een enkele keer gebruikt door spiritisten voor wat zij houden voor de verblijfplaats van de geesten van overledenen, die eigenlijk in de astrale gebieden zijn en daar uiteenvallen voorafgaande aan de tweede dood.

Zon

De zon is het centrale brandpunt van stralende energie, fysiek en spiritueel, in elk zonnestelsel.

In ons zonnestelsel is de zon er een van verschillende zonnen die ondergeschikt zijn aan de centrale zon van het universele zonnestelsel. In de solaire kosmos als een geheel is hij de Logos, het hoofd van de zevenvoudige hiërarchie van voortbrengende krachten die overeenkomt met de Christos, Abraxas, Mithras, Dionysos, enz. in de mens. Zijn namen onder de vele volken van de aarde zijn talloos: Osiris, Ormazd, Apollo, Phoebus, Ammon-Ra, Helios, Surya, enz.

De zon wordt gesymboliseerd door de cirkel met een middelpunt, hij is voor zijn eigen stelsel de Alvader. De zonverering, in zijn occulte betekenis, vormde ooit de universele basis van elke godsdienst, maar is nu voor een belangrijk deel overgenomen door wat maanaanbidding kan worden genoemd. De zon wordt vaak tegengesteld gezien aan de maan als geestelijk ten opzichte van stoffelijk; en solaire magie betekent witte magie in tegenstelling tot de duistere maanmagie. Dus treffen we godheden aan die omschreven worden als solair en lunair, of bijzondere godheden die beide een zon- en maanaspect hebben. Als Vader en Zoon kan hij worden herkend in Osiris en Horus, atman en buddhi-manas, God en Christos.

Onze zichtbare zon, hoewel hij het middelpunt van zijn stelsel is, is niet de vader van de planeten maar hun ‘uit dezelfde moederschoot gekomen broeder,’ een van de ‘acht zonen van Aditi.’ Hij is niet de schepper van de fohatische krachten, maar hun stralende brandpunt. Noch is hij een gloeiend en afkoelend lichaam; hij is het grote laboratorium van de natuur van intelligente vitale en elektromagnetische krachten voor ons stelsel.

‘De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel) en zijn brein is verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien in iedere slagader en ader ... De planeten vormen zijn ledematen en geven zijn ritme aan’. (SD 1:541)

Fysiologisch pulseert de zon het leven door het zonnestelsel wat verband houdt met het om de 11 jaar terugkerende fenomeen van zonnevlekken — de zonnevlekken worden veroorzaakt door de samentrekking van het zonnehart.

De zon is een vitaal-elektrische gloeiende sfeer. Wat onze ogen zien is een weerkaatsing, de schil van de werkelijke zon die schuilgaat achter deze weerkaatsing. Verder is de zon de voorraadschuur met levenskrachten van het zonnestelsel dat het ‘noumenon van elektriciteit’ is. Hij zendt vanuit de zon de levensstromen uit die niet alleen voor de aarde en elk organisme erop zijn bestemd, maar voor alle planeten van het zonnestelsel (SD 1:531).

De vorming van deze vitale energie zal niet stoppen voordat het zonnemanvantara aan zijn einde is gekomen en de zon in een flits zal zijn verdwenen, maar dat zal pas gebeuren na bepaalde, over een lange periode aanhoudende verschijnselen die zijn einde aankondigen.

De zon die net als elk van de planeten een keten van bollen is, waarvan wij alleen de bol op het vierde kosmische gebied kunnen zien — is een zeer etherisch lichaam dat is opgebouwd uit de vijfde, zesde en zevende toestanden van stof (omhoog geteld) op het vierde kosmische gebied.

Wat betreft de elementen waarvan wetenschappers zeggen dat die in de zon aanwezig zijn, omdat die elementen zich laten zien in spectroscopische waarnemingen, stelt de theosofie dat geen enkel aards element in de zon ontbreekt en dat er andere elementen zijn die onbekend zijn aan de wetenschap, die toch aanwezig zijn in de zon. Wanneer [in de theosofische literatuur] de zeven heilige planeten worden genoemd, wordt de zon gebruikt als een vervanger voor een esoterische planeet.

De enorm belangrijke rol die de zon in de natuur heeft is gebaseerd op het feit dat hij het geestelijke en intellectuele hoofd van het zonnestelsel is, naast schenker van het algemene fysieke en psychologische leven.

Zonen van Ad

Genoemd door mahātma KH in antwoord op een vraag van Sinnett ...

of er ooit beschavingen zijn geweest die, wat intellectuele ontwikkeling betreft, even hoog waren als de onze en die geheel zijn verdwenen?
 Antw.: Weet u dat de Chaldeeën op het toppunt van hun occulte roem stonden vóór de tijd die u het ‘bronzen tijdperk’ noemt? Dat de ‘Zonen van Ad’ of de kinderen van de Vuurnevel honderden eeuwen eerder bestonden dan de ijzeren eeuw, die al een oude eeuw was toen, wat u nu de historische periode noemt — waarschijnlijk omdat wat ervan bekend is in het algemeen geen geschiedenis maar fictie is — nauwelijks was begonnen. (MB 158, 165)

Zonkracht

Zonkracht is een term die dr. B. W. Richardson (1828-96) heeft overgenomen van Metcalfe en wordt ook wel calorisch genoemd, wat wijst op een universeel actief levensbeginsel.

Wanneer Metcalfe begint met de algemeen aanvaarde theorie dat de natuur het gevolg is van de wisselwerking van stof en kracht, ontkent hij dat kracht slechts een wijze van bewegen of een trilling in een raadselachtige fluïde is en stelt dat deze kracht zelf een half-stoffelijke of etherische middellaar is, die handelt binnen de deeltjes van de fysieke stof. Het is in laatste instantie eenvoudigweg het universele levensbeginsel dat wordt geleid en beheerst door fohat.

In de theosofie is elk hemellichaam, of het nu een sterrennevel, zon, planeet of Melkweg is, een brandpunt of orgaan van universeel leven. Elke zon is, als een apart geval gezien, het kanaal — maar ook een individualiteit, die duidelijk anders is dan andere soortgelijke individuen — waardoorheen de verschillende kosmische krachten stromen, in combinatie met de individuele jiva van elke zon zelf. De Ouden waren gewend over de zon te spreken als een wezen met zeven stralen — een voorspelling van de zeven stralen van het solaire spectrum — of zelfs met tien en twaalf stralen, wat verwijst naar de zevenvoudige, tienvoudige of twaalfvoudige krachten die eruit stromen.

Zie ook Calorisch

Zonaanbidding

Alle oude pantheons kennen een godheid die is verbonden met de zon, zodat de verering en aanbidding van deze ster een over de hele wereld voorkomend ritueel was, zelfs daar waar de maanverering mag hebben overheerst.

Voor de zoroastriërs was de aanbidding van de zon het belangrijkste godsdienstige thema, hoewel het bestaan van andere goden niet werd uitgesloten. Het was niet de zichtbare bol die als de zonnegod werd aanbeden maar de geestelijke kracht of het wezen in of boven de fysieke zon, die zijn weerkaatsing was. De Heer van het zonnestelsel stuurt zijn zevenvoudige krachten en substanties naar alle delen van het zonnerijk, waardoor allen worden verbonden tot één enkelvoudig groot organisch individu.

Zonde

Zonde is het kwaad doen, de morele perversiteit die tot uitdrukking komt in woord en daad.

Ten aanzien van de menselijke ontwikkeling is de zonde vooral het misbruik van de scheppende vermogens van de mens, dat plaatsvond na de val in de stof. De voortbrengende daad, om maar een voorbeeld te noemen, is op zichzelf niet zondig want dit is niet anders dan zoals het door de natuur is geregeld voor het voortbestaan van de mens, maar het misbruik van dit vermogen vooral voor zwartmagische doeleinden is wel zondig. Deze waarheid werd misbruikt door de christelijke theologie die de voortbrengende daad in essentie als zondig ziet en alleen maar geoorloofd wilde zien als een concessie aan de ‘oorspronkelijke zonde’ waarmee onze eerste ouders in de Hof van Eden werden ‘gebrandmerkt.’ En dat zondige gedrag zou alleen kunnen worden gezuiverd door boetedoening.

De ‘val van de mens’ wordt gesymboliseerd door de tekens virgo-scorpio van de dierenriem en het is de mensheid die de slang van Genesis is geworden en aldus dagelijks en elk uur van de dag, zorgt voor de val en zonde van de hemelse Maagd, die zo tegelijkertijd de moeder van goden en duivels wordt. Maar karma zou in een van zijn betekenissen hier een beter woord voor zijn:

Karma ... betekent, als synoniem van zonde, het verrichten van de een of andere handeling tot het verkrijgen van een object van werelds, en dus zelfzuchtig verlangen, dat voor iemand anders wel schadelijk moet zijn. (SD 2:302n)

Zonder denkvermogen

Binnen de theosofie wordt deze term bijna algemeen gebruikt voor entiteiten die nog niet zijn begifigd met het menselijke zelfbewuste denken en dan gaat het om de mensen van het eerste, tweede en de eerste helft van het derde wortelras, maar vooral de mensheid van het eerste deel van het derde wortelras, waarin enkele van de manasaputra’s incarneerden.

De term slaat ook op die mensen van het derde wortelras die door gemeenschap met dieren de eerste apen verwekten, waaruit later [in het vierde wortelras] door een andere min of meer onnadenkende kruising, de mensapen tevoorschijn kwamen. De term wordt ook gebruikt voor dieren in het algemeen in tegenstelling tot mensen omdat dieren nog niet een zelfbewust denkvermogen hebben ontwikkeld, maar alleen de kiemen ervan.

Zonen van Fohat

De zonen van fohat zijn de vitale intelligente krachten van de natuur die ondergeschikt zijn aan fohat. Zij zijn de zeven verschillende primaire krachten van kosmische elektriciteit of magnetisme.

Hij (fohat) heeft zeven zonen die zijn broeders zijn; en fohat is genoodzaakt telkens weer te worden geboren, als twee van zijn zoon-broeders in te nauw contact met elkaar komen — of dit nu een omhelzing of een gevecht is. Om dit te vermijden, bindt en verenigt hij degenen van ongelijksoortige aard en scheidt die met een gelijksoortig temperament. Zoals iedereen kan zien, heeft dit natuurlijk betrekking op elektriciteit die door wrijving is opgewekt, en op de wet van aantrekking tussen twee voorwerpen van ongelijke, en van afstoting tussen objecten van gelijke polariteit. (SD 1:145)

De zeven primaire krachten van kosmische elektriciteit zijn alleen zichtbaar op ons fysieke gebied als natuurkundige gevolgen niet als primaire krachten en dus zijn geluid, licht, kleur, magnetisme, warmte, cohesie, bliksem enzovoorts, allemaal niets anders dan zijn fenomenen in de wereld van de zintuigen, de resultaten die een lange weg hebben afgelegd vanaf de oorspronkelijke geestelijke krachten die zijn voortgebracht door bewuste oorzaken.

Vier elektropositieve zonen van fohat zijn in de vier cirkels geplaatst — de evenaar, de ecliptica en de twee declinatieparallellen (of keerkringen) — om te heersen over de klimaten.

‘Zeven andere (zonen) wordt opgedragen te heersen over de zeven hete en de zeven koude loka’s (de hellen van de orthodoxe brahmanen) aan de beide uiteinden van het Ei van Stof (onze aarde en haar polen).’ De zeven loka’s worden elders ook de ‘ringen’ en de ‘cirkels’ genoemd. De Ouden kenden zeven poolcirkels in plaats van twee. (SD 1:204)

De zeven zonen van fohat, die ook bekend zijn als de zeven radicalen, worden soms afgebeeld met de zespuntige ster met een punt in het midden.

Zonen van God

De zonen van God is een gedachte die zowel goddelijke als historische gebeurtenissen omvat en bekend was onder alle oude volken.

In de oude Hebreeuwse Bijbel werden deze zonen van het goddelijke of de zonen van God de Benei ’Elohim (zonen van de ’elohim) genoemd die in Genesis (6) ‘afdalen’ om ervaring op te doen door te incarneren in astraal/fysieke lichamen. Zij zijn de zogenaamde gevallen engelen, waarvan één klasse overeenkomt met de manasaputra’s, maar wordt ook gebruikt voor die ontwikkelde wezens of mensen, die zijn opgeklommen van de lagere klassen van menselijke ervaring die in een prehistorische periode afdaalden en de mensheid de kunsten en wetenschappen leerden die werden bewaard en later beoefend door de ingewijden van de verschillende wortelrassen.

Ook gebruikt voor de mensen van het zevende wortelras die in de verre toekomst zónder seksuele gemeenschap uit ouders worden geboren (wanneer de normale geslachtsgemeenschap een niet meer bestaande methode zal zijn om de mens voort te brengen).

Elders worden deze zonen van God op mystieke wijze besproken als de zonen van Licht (zie volgende artikel hieronder), want de verschillende hiërarchieën die met deze uitdrukking worden bedoeld zijn allemaal emanaties van de gemanifesteerde of derde logos.

Zonen van Licht

Stralen van de gemanifesteerde of derde logos, de noumena of de geestelijke oorsprong van alle fenomenen die rechtstreeks zijn verbonden met de lichtzijde van de natuur, de bijna ontelbare aantallen hiërarchieën van licht.

Terwijl zij stralen, manifesteren zij zichzelf in een regelmatige volgorde in de diverse hiërarchieën op alle gebieden van de kosmische stof, waardoor we kunnen zeggen dat zij zich allegorisch kleden in het weefsel van duisternis. Duisternis kan wijzen op het oorspronkelijke Absolute licht dat voor elk menselijk begrip duisternis schijnt te zijn, of de verschillende velden van kosmische substantie of stof waarin de lichtgevende geestelijke entiteiten functioneren en handelen, die door de tegenstelling met het licht van de geestelijke wezens er maar donker of duister uitzien.

Astronomisch gezien kunnen de zonen van licht de lichtgevende hemellichamen voorstellen — nevelvlekken, kometen, zonnen of zelfs de heersers van de planeten — de geestelijke wezens die in de verschillende lichamen in het heelal verblijven en ook de oorspronkelijke bouwers ervan zijn.

Zonen van Wil en Yoga

De uitdrukking zonen van wil en yoga wordt gebruikt voor het androgyne derde wortelras, vóór de scheiding van de geslachten.

Die mensen van het derde wortelras schiepen de zonen van wil en yoga middels het vermogen van kriyasakti — en zijn de voorouders of geestelijke voorouders van alle daarna komende arhats en mahātma’s. Na de scheiding van de geslachten werden de zonen van wil en yoga uitgenodigd zich te vermenigvuldigen zoals de rest van de mensheid dat deed, maar weigerden dat en zullen weigeren dat te doen tot aan het zevende wortelras, wanneer de mensheid opnieuw het vermogen van geestelijk/intellectuele of geslachtloze voortplanting zal hebben verworven.

In een andere betekenis zijn zij de naga’s of goede slangen en de mythologie spreekt van de worstelingen die plaatsvonden toen de zonen van wil en yoga samen met de laatste ‘niet-gevallen’ overblijvenden van het derde wortelras, oorlog voerden tegen de ‘gevallen’ Atlantische zwarte magiërs die verloren waren geraakt in de verleidingen en de illusies van het grofstoffelijke bestaan. Zij vluchtten voor de grote ramp — die zorgde voor het einde van het Atlantische continentale stelsel — naar het ‘Heilige Eiland’ in Centraal-Azië. Hun verblijfplaats is nu gehuld in raadselen en omgeven door immens uitgestrekte woestijnen.

De zonen van wil en yoga is ook de titel die in elk wortelras wordt gegeven aan degene die de oorspronkelijke oeroude goddelijke overleveringen van eeuw na eeuw doorgeven — de ingewijden van elk ras die aldus een aparte groep vormen. Die groep ontstond in het derde wortelras en wordt nog steeds voortgezet als een orgaan met min of meer voortdurend toenemende aantallen tot in onze tijd.

Zonne-Lha’s

[van zonne + Tibetaans lha een hemels wezen]

Gebruikt in de Stanza’s van Dzyan voor de hogere wezens die zijn voortgekomen uit de geestelijke zijde van onze zon en die de menselijke monaden van onze planeetketen begiftigden met de geest van leven.

De zonne-lha’s warmden de protomenselijke schaduwen op en gaven die kracht (SD 2:109), hoewel zij niet het beginsel van hun denkvermogen hadden opgewekt — behalve voor zover de levensenergie het manasische element van de constitutie kon bereiken. Deze zonne-lha’s stellen vooral de pranische activiteit van de individuele mens voor; de zonne-lha’s van een veel hogere klasse zijn gelijk aan de agnishvatta’s, manasaputra’s en kumara’s die het menselijke denken wakker roepen.

Zie ook Lha

Zonne-Logoï

De zonne-logoï is de Logos wanneer die is gebruikt in verband met de zon en is een algemene uitdrukking voor de zeven of twaalf fundamentele geestelijke en intellectuele zonnekrachten, aan de top waarvan de zonne-hiërarch staat.

De fysieke zon is niet meer dan een weerspiegeling of kleed van deze verenigde zevenvoudige of twaalfvoudige krachten. Als gevolg hiervan heeft elk wezen in het heelal, groot of klein, als zijn feitelijke oorsprong een geestelijke entiteit die, terwijl die uit zichzelf zijn eigen kenmerkende krachten voortbrengt, deze entiteiten produceert als zijn logoï. In het geval van onze zon zijn er zeven of twaalf hoogste krachten of primaire entitatieve stralen die in hun geheel de ware zon samenstellen, verenigd in hun toppunt, ofwel de allerhoogste hiërarch. En deze zeven of twaalf krachten zijn de zonne-logoï. Op de afdalende evolutionaire schaal kan elk van deze zeven of twaalf primaire krachten worden onderverdeeld in zeven of twaalf lagere machten of krachten.

De zonne-logoï werden door de Ouden de bestuurders van de planeten ofwel genii genoemd, elk verblijft in een van de Huizen van Leven die bekend zijn als de heilige planeten.

Zonnegod(en)

Soms toegepast op de kosmische logoï, die collectief niet slechts een symbool zijn, maar feitelijk worden vertegenwoordigd in en door de zevenvoudige zon.

Goden met een mannelijk karakter worden vaak zonnegoden genoemd. Net zoals de zon kan een zonnegod op verschillende gebieden bestaan, van het gebied van een Logos tot aan dat van het absolute van de verschillende lagere hiërarchieën.

De zonnegoden van de mythologie zijn in het algemeen goed in het doden van draken, zoals Apollo die Python doodt en vaak hebben zij een slang als embleem, de slang kent immers een duaal aspect — een hoog en een laag, innerlijk en uiterlijk, actief en passief, positief en negatief, geestelijk en stoffelijk. In de Egyptische mythologie brengt Osiris de zonnegod Horus, zijn eigen zoon, tot manifestatie die ook een zonnegod is en op soortgelijke wijze worden zonnegoden in de mens en op de lagere gebieden van de natuur gemanifesteerd; zoals de Egyptische Osiris kennen we ook Adonis, Bacchus, Kṛishṇa, Christus, enz. als de zonnegod of geestelijke monade in de mens. In de kosmos vinden we zonnegoden op verschillende gebieden.

Zonnejaar

De tijd die het centrum van de zonneschijf nodig heeft om van de ene keerkring naar dezelfde keerkring te reizen en komt neer op 365,2422 dagen, ofwel 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 45,5 seconden.

Dit is korter dan het sterrenjaar (het interval tussen twee achtereenvolgende passages van de zon langs hetzelfde punt onder de sterren) omdat de keerkringen zich terugtrekken door precessie. Van het zonnejaar hangt de regelmatige opvolging van de seizoenen af, en het is dat jaar dat is aangepast aan de burgerlijke kalender door de Juliaanse en Gregoriaanse invoegingen.

Zie ook Jaar

Zonnestelsel

Tot ons zonnestelsel behoren de zon met de negen belangrijkste planeten — Mercurius, Venus, aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto — hun manen en de kleinere planeten, kometen en meteoren.

Voor theosofen is het zonnestelsel een veel complexere entiteit dan voor anderen want veel van zijn werelden manifesteren zich op gebieden die voor ons onzichtbaar zijn. De planeten zijn individuele manifestaties van bewuste intelligenties, hun afstanden vanaf de zon laten een ritmische toename zien en hun bewegingen worden geleid door denkvermogen en wil, zoals Kepler verklaarde in zijn leer van de Rectoren, waarmee hij oude leringen herhaalde. De nevelvlek-hypothese, die ooit zo populair was onder Europese wetenschappers en die nu min of meer is verworpen, werd eerst voorgesteld door de Zweedse ziener Swedenborg en de Duitse filosoof Kant en werd rond het begin van de 19de eeuw uitgewerkt door de Fransman Laplace. Hoewel de nevelvlektheorie zoals die wetenschappelijk werd gepresenteerd onacceptabel was voor theosofische denkers, was die niettemin gebaseerd op feiten van kosmische evolutie die door de oude wijsheid-religie werd geaccepteerd en wat dichter werd benaderd door wat de theosofie onderwijst als de feiten van kosmogonie, dan de latere zwaartekracht of de theorieën over planetesimalen.

Voor de theosofie is het heelal het product van kosmisch denkvermogen of intelligentie, waarvan de overal doorheen werkende activiteiten zich manifesteren op ons fysieke gebied en bekend zijn als de wetten van de natuur. Het heelal en alles dat erin is, komt voort uit een kosmisch bewustzijn, is geheel doordrongen van de kwaliteiten en eigenschappen van zijn goddelijke bronnen en aangezien er slechts één oorspronkelijk fundamenteel leven is — dat alles energie geeft en leidt, is de oude leer van analogie dé sleutel voor het begrijpen van de universele natuur.

Wanneer we het ultieme begin van elk wezen en ding met de term monade benoemen, zoals Leiniz dat deed in navolging van Pythagoras, kan naar deze monaden worden gekeken als de zaden van kosmisch leven, levenscentra of energiepunten en in zo’n geval is er niets in het heelal dat het gevolg is van toeval, maar is elke gebeurtenis het kind van het denken. Dus kwam het zonnestelsel voort uit zo’n kosmisch zaadje of monade en hetzelfde geldt voor de planeten, nevelvlekken, kometen en alle andere individuele standhoudende kosmische lichamen.

Kometen behoren bij de organisatie van eerdere en latere stadia van ontwikkeling van nevelvlekken, die een actieve rol spelen bij de formatie van individuele hemellichamen. De planeten ontstonden niet uit de zon, want de zon is hun ‘broer van dezelfde moeder’ met dezelfde oorsprong in een nevelvlek. De zon is het grote doorgeefluik van licht en andere stralingsvormen, waaronder de vitale energie, waarmee hij het gehele zonnestelsel voedt, en is zelf een lid van een hiërarchie van zonnewezens.

De oude wijsheid spreekt van zeven heilige planeten die in het bijzonder zijn verbonden met de aarde, zoals onze eigen aarde inderdaad op bijzondere wijze is verbonden met verschillende planeetketens, die wederzijds worden geholpen bij de ontwikkeling van de zeven of tien bollen van de planeetketens. Deze heilige planeten zijn: de maan, Mercurius, Venus, zon, Mars, Jupiter en Saturnus — de zon en maan zijn vervangers voor esoterische en onzichtbare planeten. Het totale aantal planeten van een zonnestelsel is twaalf, wat het getal is van het aantal bollen die een planeetketen samenstellen. Deze twaalf heilige planeten zijn nauw verbonden met de twaalf huizen van de dierenriem, en deze onderlinge verbondenheid vormt de energieke coördinerende kracht die ons zonnestelsel zijn plaats geeft in het leven en weefsel van de Melkweg.

De theosofie maakt een onderscheid tussen ons gewone zonnestelsel en het universele zonnestelsel — de eerste slaat duidelijk op de twaalf heilige planeten, terwijl het universele zonnestelsel verwijst naar alle hemellichamen die behoren tot en draaien om een meester- of koningszon (raja-zon) en binnen zijn reusachtig grote rijk op zeven of meer gebieden van het zijn. Die bevat daarom ook de onzichtbare planeten en zonnen die buiten het huidige bereik van onze zintuigen vallen. Uranus, Neptunus en Pluto zouden niet tot het gewone zonnestelsel behoren (noch worden zij gerekend tot de twaalf heilige planeten), maar zijn leden van het universele zonnestelsel.

In het brahmaanse stelsel werd het zonnestelsel gezien als een Ei van Brahmā (brahmanda), de prakritische of prithivische vorm van Brahmā, zodat zijn levensduur gelijk is aan de lengte van het leven van Brahmā. Een Dag van Brahmā van een planeetketen bestaat uit een planetair manvantara — zeven ronden van de diverse levensgolven rond die keten — wat gelijkstaat aan een periode van 4.320.000.000 aardse jaren. Het daaropvolgende pralaya of Nacht van Brahmā is van gelijke lengte, samen duren zij 8.640.000.000 aardse jaren. Negenenveertig van zulke planetaire Dagen en Nachten zijn gelijk aan één zonnemanvantara, wat gelijk is aan één Jaar van Brahmā, en elk zo’n jaar van Brahmā wordt voorgesteld als zijnde 360 van zijn Dagen, en 100 van zulke Jaren van Brahmā vormen het Leven van Brahmā, een periode van 311.040.000.000.000 aardse jaren — waarbij in dit enorm grote tijdperk de verschillende ochtend- en avondschemeringen zijn opgenomen.

De theososche filosofie verklaart dat een helft van het Leven van Brahmā voorbij is, ofwel 50 Jaren van Brahmā. Aan het einde van het Leven van Brahmā, wanneer het einddoel van het zonnestelsel eindelijk wordt bereikt zal, voor zover het onze planeetketen betreft, alles binnen de grenzen van dit stelsel zijn verdwenen en zal het zonnepralaya zijn begonnen.

Zonnevlekken

Zonnevlekken worden door astronomen beschreven als vlekken die op de fotosfeer van de zon verschijnen in de vorm van onregelmatige ringvormige penumbra die een donkerder centrale umbra omsluiten.
De zon en de zonnevlekken. Het kloppende hart van het zonnestelsel.
Hoewel die slagschaduwen er zwart uitzien in vergelijking met de lichte omringende fotosfeer, is die in werkelijkheid behoorlijk schitterend. De zonnevlekken zijn niet blijvend, niet in tijd en ook niet in vorm: zij ontstaan vaak uit combinaties van aaneengesloten kleinere vlekken of zonder een duidelijke reden binnen een korte periode (vaak ongeveer een dag) aan de oppervlakte van de zon. Soms vormt zich een brug dwars door een zonnevlek heen waardoor twee zonnevlekken ontstaan. Alle zonnevlekken worden dwars over het oppervlak van de zon gevoerd door de draaiing van deze ster. Dichtbij de evenaar van de zon worden weinig zonnevlekken waargenomen, noch rond 45 of meer graden daarvandaan.

De theosofie zegt dat de zonnevlekken worden veroorzaakt door de diastolische, de uitzettende, en de systolische, de samentrekkende bewegingen van de zon en dat de zon met zijn ritmische pulsen zowel het hart als de hersenen van het zonnestelsel zijn, waardoor de levenskrachten door het zonnestelsel circuleren in een periode die ruwweg uiteenloopt van tien tot twaalf jaar, maar in het algemeen ziet men het als een periode van elf jaar — wat de zonnevlekkencyclus van de astronomie is.

Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van de zon circuleert het levensfluïdum regelmatig door ons stelsel, waarvan de zon het hart is — evenals het bloed in het menselijke lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen als het menselijke hart. Maar in plaats van de omloop in een paar seconden te volbrengen, heeft het zonnebloed daarvoor tien zonnejaren nodig en een heel jaar om door zijn boezems en kamers te stromen, voordat het door de longen spoelt en dan doorgaat naar de grote aderen en slagaderen van het stelsel.
 “ ... Er is een overeenkomst met het regelmatige en gezonde kloppen van het hart, terwijl het levensfluïdum door zijn holle spieren stroomt. Zou men het menselijke hart lichtgevend, en het levende en kloppende orgaan zichtbaar kunnen maken, zodat men het op een scherm kan projecteren, zoals de sterrenkundigen bij hun voordrachten gebruiken — bijvoorbeeld over de maan — dan zou iedereen het verschijnsel van de zonnevlekken iedere seconde herhaald zien, tengevolge van zijn samentrekking en het stromen van het bloed. (SD 1:541-2)

De zonnevlekken zijn niet alleen ventielen voor het uit- en instromen van levens die voortdurend door het gehele zonnestelsel circuleren, maar de pulserende bewegingen ervan volgen een kosmisch ritme waarmee de gezondheid van het gehele zonnestelsel wordt geregeld door deze levenskrachtige en intellectuele energieën die voortdurend actief zijn, in en door de zon. Dit alles is zichtbaar door het verschijnen en verdwijnen van zonnevlekken.

Zoogdieren

Zoogdieren vormen de hoogte klasse van dieren die zijn voortgekomen uit de mens, die in deze vierde ronde net zo goed een zoogdier is.

Volgens het evolutionaire plan — voor zover het gaat om de passage van levensgolven rond de planeetketen — moest de mens in de vierde ronde vóór de zoogdieren op bol D van onze planeetketen verschijnen. De andere stammen van het dierenrijk werden aan het begin van deze ronde vertegenwoordigd door hun verschillende sishta’s, en eigenlijk was de mens dat zelf ook. In elke ronde, na de eerste, doet elk van de verschillende natuurrijken of levensgolven in een regelmatige volgorde één bol van de planeetketen aan. De mensen van het tweede en vroege derde wortelras verschilden behoorlijk van de mensen van nu, alhoewel die beslist wel tot het mensenrijk behoorden, zowel wat zijn innerlijke psychologische gestel betreft als zijn astraal-vitaal-stoffelijke lichaam. Dit lichaam was toen veel astraler en fijnstoffelijker dan dat van tegenwoordig, en bestond uit vele soorten levens­atomen die manifestatie zochten en vonden in een tijdelijk verblijf in het menselijke lichaam, dat daardoor aldus hun gastheer werd. Deze atomen kwamen onophoudelijk het lichaam binnen en vertrokken weer, net zoals in het lichaam van nu gebeurt, maar met dit verschil — dat de atomen die het lichaam tegenwoordig afwerpt veel duidelijker zijn (‘gebrand’)gemerkt met het eigen svabhāva van die persoon (de individuele, persoonlijke kenmerken) dan toen, en als gevolg hiervan worden zij weer sterk en voortdurend teruggetrokken naar hun menselijke gastheer, die vaak ook hun bron is. Maar in die vroege rassen waren de verschillende monadische entiteiten — die evolutionair gezien veel lager stonden dan de menselijke monade en waarvan elk zich tot uitdrukking bracht middels een levensatoom — veel vrijer van de overheersende, bijna tiranniek te noemen mens van nu, want toen had de mens nog niet zijn huidige vermogen verworven om zijn eigen stempel krachtig op deze levens­atomen te zetten. Het resultaat was dat in die vroege tijden elke ontwikkelende monade met zijn voertuig van levens­atomen op dit gebied, wanneer die werden afgeworpen door die [primitieve] mens, de oorsprong werd van een stam van dieren, met zijn eigen aangeboren kenmerken en mogelijkheden. Dus werden van tijd tot tijd door de vele geologische tijdperken heen de verschillende stammen van zoogdieren of phyla voortgebracht, elk verschillend volgens de aard van de kiemmonade die werd afgeworpen, waarvan velen in staat waren een eigen evolutionaire reis van differentiatie en specialisatie te ondernemen die in lijn lag met zijn eigen bijzonderheden — elk ontvouwde van binnenuit zijn kenmerken, bracht zichzelf tot uitdrukking in een bepaalde vorm en houding. Zo wordt duidelijk hoe in de vierde ronde de mensen aan de zoogdieren voorafgingen. Maar zo verging het niet de andere dieren buiten de zoogdieren. Die ontwikkelden zich ook vanuit de menselijke stam, op min of meer dezelfde wijze, maar dan tijdens de eerdere tweede en derde ronde.

De occulte biologie onderwijst ook dat elke monade die zich nu tot een mens heeft ontwikkeld, in de ver in het verleden liggende kosmische tijdperken door alle toen al bestaande lagere natuurrijken was gegaan, terwijl de monaden die zichzelf nu tot expressie brengen in de rijken van elementalen, mineralen, planten en dieren hetzelfde proces van evolutionair ontvouwen doormaken, van binnenuit naar buiten, en op hun opgaande weg omhoog zijn naar een toestand met dezelfde kenmerkende vermogens die de mensen nu hebben bereikt.

De zoogdieren, waarvan de eerste sporen werden ontdekt in de buideldieren van het Triasgesteente van het secundair, waren ontwikkeld uit zuiver astrale voorouders die leefden in de tijd van het tweede Ras. Ze zijn dus na-menselijk en daarom is het gemakkelijk de algemene overeenkomst te verklaren tussen hun embryonale stadia en die van de mens, die noodzakelijk de kenmerken van de groep die hij deed ontstaan in zich draagt en deze in zijn ontwikkeling verkort weergeeft. (SD 2:684; vgl. MIE hfds. 12)

Zoölatrie

[van Grieks zōon dier + latreia aanbidding, verafgoding]

Verafgoding van dieren. Symbolen van dieren kunnen in alle religies worden aangetroffen, zoals in die van het oude Egypte en in het christendom, neem bijvoorbeeld de duif en het lam. De maharaja’s van de vier windstreken van de ruimte worden soms beschreven als olifanten en veel tekens van de dierenriem stellen een dier voor, zoals de naam van de zodiak zelf al zegt.

We moeten niet denken dat deze symbolen willekeurig zijn gekozen op basis van een oppervlakkige overeenkomst: de dieren zijn feitelijk emblemen, als het al niet in veel gevallen manifestaties van de daarbij behoren krachten zijn. Hetzelfde geldt voor planten en stenen: zij zijn niet alleen emblemen maar zij bevatten werkelijk occulte kwaliteiten. Als planten medicinale krachten bezitten en stenen magische krachten hebben, waarom zouden we van dieren dan niet hetzelfde mogen verwachten? De term dierenverafgoding houdt in dat de verering vaak het gevolg is van een overdracht van de kracht van zijn symbool of embleem, zoals ook het geval is bij afgodsbeelden.

En toch was er geen enkel hoog beschaafd of gecultiveerd volk uit de oudheid, net als de christenen van tegenwoordig, die deze symbolen van dieren anders vereerden dan als figuren, of soms ook als manifestaties van kosmische krachten of wezens — eindproducten van goddelijke kosmische bronnen. De mens valt in dezelfde categorie, niet alleen als kind van de goden, maar als een eindproduct van een goddelijke hiërarchie die zichzelf in een grotere of kleinere mate manifesteert met geestelijk-goddelijke attributen, functies, vermogens en de krachten van zijn voortreffelijke voorouders of ouders.

Zoon van de Weduwe

Een naam die is gegeven aan Franse vrijmetselaars omdat de ceremoniën van de vrijmetselaars voornamelijk zijn gebaseerd op de avonturen en dood van Hiram Abif, ‘de zoon van de weduwe,’ die wordt verondersteld te hebben geholpen met de bouw van de mythologische Tempel van Salomo. (TG 369)

Zie ook Hiram Abif

Zoon-Zonnen

DE VERSTOTEN ZOON IS ÉÉN. DE ‘ZOON-ZONNEN’ ZIJN TALLOOS. (SD 1:103)

Onze eigen zon was ‘verstoten’ vanwege bepaalde kosmische redenen met betrekking tot het lot, maar de zon-zonen of sterren in het algemeen, zijn ontelbaar. Onze zon wordt in een oude allegorie voorgesteld als zijnde neergezet in het midden van zijn rijk en is dus verstoten, waar hij langzaam om zichzelf draait. Zoon-zonnen verwijzen niet alleen naar de planeten van het zonnestelsel, maar ook naar de sterren en andere hemellichamen, de term draagt in zichzelf de sleutel van de oude leer:

Surya, zelf slechts een weerspiegeling van de centrale geestelijke zon, is de oervorm van al die lichamen die zich na hem ontwikkelden. (SD 1:100)

Zoönisatie

Ook in-zoönisatie [van Grieks zōon dier]

Een uitdrukking van Meester KH (ML 81) voor de monaden die dat stadium van hun evolutie uitwerken in het dierenrijk.

Zoroaster

(Avestisch) Ook Zarathustra, Zarathushtra en (Perzisch) Zaradusht en Zartosht [van Avestisch zarat geel of oud + ushtra hij die het licht draagt, het intellect dat bezig is met waarnemen]

Volgens de Avesta was hij degene die het oude licht droeg, de grote leraar en wetgever van het oude Perzië, stichter van de godsdienst van Mazda die wordt bewaard door de moderne parsi’s.

Stichter van de religie die namen draagt als mazdeïsme, magisme, parsisme, vuuraanbidding en zoroastrianisme. De jaren van de laatste Zoroaster (want het is een algemene naam) is niet bekend en misschien wel met opzet. Zanthus van Lydië, de vroegste Griekse schrijver die deze grote wetgever en godsdienstige hervormer noemt, plaatst hem rond zeshonderd jaar vóór de Trojaanse oorlog. Maar waar is de historicus die nu kan zeggen wanneer die oorlog heeft plaatsgevonden? Aristoteles en Eudoxus zien hem minstens 6000 jaar voor de dagen van Plato, en Aristoteles was niet iemand die zoiets zou stellen zonder er een goede verklaring voor te hebben. Berosus maakt van hem een koning van Babylon rond 2200 v. Chr., maar wie kan zeggen wat de oorspronkelijke getallen van Berosus waren voordat zijn manuscripten door de onbetrouwbare handen van Eusebius gingen die zo handig was in het veranderen van getallen, of het nu gaat om de Egyptische synchronistische tabellen [van Manetho] of die van de Chaldeeuwse tijdrekening? Haug plaatst Zoroaster op ten minste 1000 jaar v. Chr. en Bunsen ... stelt dat Zarathustra Spitama ten tijde van koning Vistaspa leefde, rond 3000 v. Chr. en beschrijft hem als ‘een van de grootste intellecten en een van de grootste mensen aller tijden. ... De occulte verslagen beweren de juiste jaartallen van elk van de dertien Zoroasters die in de Dabistan worden genoemd in hun bezit te hebben. Hun leringen en vooral die van de laatste (goddelijke) Zoroaster, verspreidden zich van Bactrië tot aan de Meden en daar vandaan werden die, onder de naam magisme, ingelijfd door de adept-astronomen van Chaldea die daarmee de mystieke leringen van de mozaïsche leringen beïnvloedden, misschien zelfs wel voordat zij tot bloei waren gekomen in wat nu bekend staat als de moderne godsdienst van de Parsi’s. Net zoals Manu en Vyasa in India veel voorkomende namen zijn, is Zarathustra ook een veel gebruikte naam voor grote hervormers en wetgevers. De hiërarchie begon met de goddelijke Zarathustra in de Vendidad en eindigde met de grote, maar sterfelijke man die die naam droeg en nu voor de geschiedenis verloren is gegaan. ... De laatste Zoroaster was vele eeuwen voor het historische tijdperk de stichter van de Vuurtempel van Azareksh. Als Alexander niet zo veel heilige en waardevolle werken van de Mazdeërs had vernietigd zouden de waarheid en de filosofie meer geneigd zijn het met de geschiedenis eens te zijn dat aan de Griekse Vandaal de titel ‘de Grote’ werd gegeven. (TG 384-5)

Zoroaster, de zoon van Pourushaspa, zou dezelfde zijn als Br Abrahm (Abraham) die het heilige vuur naar de mensen had gebracht, het vuur dat geen rook gaf en niet kon verwonden omdat het geen brandstof had om te branden. Hij verdeelde dit vuur in tien delen en plaatste elk in een andere locatie.

Zoroaster is ook het eerste dat is geschapen, het abstracte licht, het actieve denken.

Zout

Gebruikt in de alchemie voor een fundamenteel beginsel van de natuur, een lid van de triade kwik, zwavel en zout, die overeenkomen met geest, ziel en lichaam, of met vuur (of lucht), water en aarde.

Paracelsus zag in die drie stoffen de mystieke elementen van alle samengestelde lichamen. Alle vormen van de fysieke stof konden worden teruggebracht tot de een of de ander — alles was ofwel een zwavel, een kwik, een zout of een samenstelling daarvan. De Steen der Wijzen zou uit alle drie zijn opgebouwd. Dus zout is het fysieke rudiment, zoals te zien is aan de kubische kristalvormen van gewoon keukenzout. Het oude denken beschouwde zulke elementen als fundamentele beginselen die zich manifesteren op verschillende gebieden, maar maakte geen hard en duidelijk onderscheid tussen het fysieke en onbelichaamde, maar het moderne denken heeft een denkbeeldige werkelijkheid aan fysieke dingen gegeven en ziet het oude gebruik van deze termen als metaforisch.

De eerbied voor zout was niet slechts een verafgoding van zijn stoffelijke eigenschappen, maar meer een herkenning van het beginsel van zout in de natuur, waarvan gewoon zout niet meer dan een fysiek symbool is. De welbekende stimulerende, smaak versterkende en conserverende kwaliteiten van zout tonen aan dat het een stoffelijke manifestatie is van een belangrijk beginsel, uitdrukkingen als ‘het brood en zout,’ en ‘het zout der aarde’ zijn daarom theosofisch, omdat zij niet alleen maar uitdrukkingen zijn maar het zout gebruiken in zijn meer oorspronkelijke betekenis. Om dezelfde reden speelde die bij heilige riten een belangrijke rol, samen met andere stoffen. Het woord werd ook wel gebruikt voor andere lichamen naast sodium chloride of gewoon zout en wordt nog steeds in de chemie in deze gewone zin toegepast. Bij enkele alchemisten treffen we arsenicum aan dat de plaats inneemt van zout in de fundamentele triade en dit zou dan een van de zouten van arsenicum moeten zijn.

Ooit was er ook het rooms-katholieke ritueel van duiveluitdrijving met behulp van zout, dat bij decreet van kardinaal Engelbert, aartsbisschop van Malines, en van de aartsbisschop van Parijs in 1851 en 1852 zou zijn verspreid met de woorden:

De priester zegent het zout en zegt: ‘Schepsel van zout, ik bezweer u in naam van de levende God ... word de gezondheid van de ziel en van het lichaam! Laat overal waar u wordt gestrooid, de onreine geest op de vlucht worden gedreven’. (IU 2:85)

De kabbalistische versie gaat ongeveer op dezelfde wijze.

Zuidpool

In een algemene kosmische betekenis is elke lage pool, in welke vorm dan ook of waar ook geplaatst, een zuidpool.

In de grijze oudheid werd in het occultisme onderwezen dat de zuidpool de uitlaatklep van de aarde was en dus de verblijfplaats van elementale entiteiten, aards, kosmisch of van een of andere lagere soort. Daarom werd de zuidpool soms de Diepte genoemd. Maar de verschillende hellen van de oude literatuur hebben een andere betekenis en zijn niet noodzakelijkerwijs verbonden met het zuiden of de lage polen van de hemelse bollen.

De twee polen worden het rechter- en het linkereinde van onze bol genoemd — het rechter is de noordpool — of het hoofd en de voeten van de aarde. Elke weldadige (astrale en kosmische) werking komt van het noorden; elke dodelijke invloed van de zuidpool. Ze zijn sterk verbonden met en beïnvloeden de magie van de ‘rechter-’ en de ‘linker’hand. (SD 2:400n)

Een andere theosofische lering met betrekking tot de polen zegt dat alle beschavingen hun oorsprong vinden in het verre noorden van de bol en dat tijdens de terugkerende kleinere cycli van een wortelras die rassen langzaam maar zeker en heel geleidelijk naar de zuidpool zullen migreren, tot zij hun einde naderen.

Zie ook Polen, Aardse en Hemelse

Zuilen

De rechte lijn en de cirkel vormen samen een cilinder of pilaar die ofwel een kolom is of een schijf, net naar gelang het element dat overheerst. Daarom duidt de zuil op een positieve scheppende macht of geest in tegenstelling tot de stof [de horizontale lijn]. Een belangrijke toepassing van zuilen in oude tempels, vooral wanneer er vier werden gebruikt, in een vierkant opgesteld, was voor de vertegenwoordiging van de vier kardinale punten óf de vier lagere kosmische elementen. Dit idee werd ook gevolgd door de joden bij het bouwen van hun tabernakel.

Het denkbeeld was ontleend aan de piramiden in Egypte. En in Tyrus waar de piramiden zuilen werden, hebben de genii of engelen hun verblijfplaats in die vier hemelstreken. (SD 1:347)

Met alle intenties en bedoelingen waren de zuilen die voor de tempels van de joden waren geplaatst dezelfde als de lithoi die in India voor afbeeldingen van Śiva waren geplaatst. Maar de twee zuilen, Jachin en Boaz, die voor de Tempel van Salomo zouden hebben gestaan, wezen op de tweevoudige krachten van de gemanifesteerde natuur, die de paren van tegengestelden voortbrachten. De twee zuilen zijn tot op een bepaalde hoogte verwisselbaar met de twee slangen van de Griekse caduceus en verschijnen in India in mystieke verwijzingen naar de twee nadi’s — de pingala en ida, aan de linker- en rechterzijde (of andersom) in de wervelkolom. Deze dualiteit kent zijn geometrische analogie in de rechtshandige en linkshandige spiralen. Door er een centrale of stabiliteit brengende derde aan toe te voegen, zoals met de sushumna-nadi of de middelste staf van de caduceus (soms afgebeeld als een derde slang), krijgen we de triade. Deze triade van zuilen vinden we weer terug in de drie kolommen van de sefiroth­boom, die de zuilen van strengheid, mildheid en genade worden genoemd. Volgens een beschrijving van de sefiroth­boom werden die omringd door zeven zuilen: de wereldzuilen of rectoren.

Zuilen van Hermes of Enoch

De Zuilen van Hermes of Enoch slaan op een allegorisch verhaal over Hermes of Thoth, de Vader van Wijsheid van het oude Egypte, die zoals wordt gezegd, zijn boeken van wijsheid had verborgen onder een zuil en later ontdekte dat de wijsheid was overgegaan op twee stenen zuilen.

Josephus vertelt een soortgelijk verhaal over Enoch en zegt dat de zuilen van laatstgenoemde in zijn tijd nog bestonden en dat zij waren gemaakt door Seth.

En dat kan wel zo zijn, maar niet door de aartsvader met die naam, de legendarische zoon van Adam, en ook niet door de Egyptische god van wijsheid — Teth, Set, Thoth, Tat, Sat (de latere Sat-an) of Hermes, die allen één zijn. Ze werden gebouwd door de ‘zonen van de slangengod’ of ‘zonen van de draak’, de naam waaronder de hiërofanten van Egypte en Babylon bekendstonden vóór de zondvloed, evenals hun voorvaderen, de Atlantiërs.
 Wat Josephus ons vertelt, moet dus allegorisch waar zijn, afgezien van de manier waarop hij het toepast. ... Deze twee ‘zuilen’ zijn echter de prototypen van de twee ‘stenen tafelen’ die Mozes op bevel van de ‘Heer’ heeft gehouwen. (SD 2:530)

Zusterplaneet

‘Elke wereld heeft haar moederster en zusterplaneet. Zo is de aarde het geadopteerde kind en de jongere broer van Venus’. (SD 2:33)

Hier wordt in kosmogonische zin niet alleen op oudersterren, maar vooral op planeetketens gedoeld, hun oorsprong en toekomstige evolutionaire bestemming als ketens. De theosofische literatuur over planeetketens bevat slechts een klein deel van het materiaal dat er is met betrekking tot deze leringen.

Zuurstof

De fysieke elementen zijn slechts de grofste verschijningsvormen of weerspiegelingen op dit stoffelijke gebied die uit onzichtbare, ongrijpbare geestelijke bronnen komen.

In deze context kan alle materie in het heelal worden teruggebracht tot vier wezenlijke bestanddelen: koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof. In de eerst verschenen triade — Moeder, Vader-Zoon-Echtgenoot, Zoon — komt zuurstof overeen met Vader-Zoon-Echtgenoot. Dus de namen van de chemische elementen worden ook gebruikt om te wijzen op subtielere, meer etherische of geestelijke elementen van waaruit zij naar voren komen.

Wij zouden waterstof en zuurstof (die door incubatie het vuur van het leven in de ‘moeder’ brengt) in de pregenetische en zelfs voor-geologische tijdperken, de geest noemen, het noumenon van dat wat in zijn grofste vorm op aarde zuurstof en waterstof en stikstof wordt — waarbij stikstof niet van goddelijke oorsprong is, maar slechts een op aarde ontstaan cement om andere gassen en vloeistoffen te binden en om als een spons te dienen die de adem van het LEVEN — zuivere lucht — in zich draagt. (SD 1:626)

Zuurstof komt overeen met vitaliteit of prana in het lagere viertal van menselijke beginselen. Bovendien zou een levenselixer alchemisch kunnen worden ontwikkeld uit ozon, een allotroop van zuurstof (SD 1:144).

*Noot bij citaat uit De geheime leer : ‘Die, als deze ALCHEMISTISCH wordt gescheiden, de geest van het leven en zijn elixer zou opleveren.’

Zwart vuur

Kabbalistische term met de betekenis van licht-wijsheid. Het is ...

... ‘zwart’ omdat het onbegrijpelijk is voor onze eindige intellecten. (TG 58)

Zwavel

Voor de Europese middeleeuwse alchemisten was zwavel een kosmisch element en het mineraal zwavel werd dan ook beschouwd als de verschijningsvorm van dat waarmee het overeenkwam. In het klassieke Latijn werd zwavel ook wel gebruikt als een woord voor de bliksem en het Griekse woord voor zwavel is theion (goddelijk). Men zag er een zuiverende, beschermende kracht in. De alchemistische onderverdeling van de natuur en de mens in geest, ziel en lichaam, toont zwavel als geest van het element vuur.

Zweetgeborenen

Deze term wordt gebruikt om de voortplantingsmethode van het tweede wortelras in deze vierde ronde te beschrijven.

Toen werden de kinderen geboren uit levenskrachtige druppeltjes die als het ware transpireerden uit de lichamen van individuen. Een zich ontwikkelende energiesubstantie werd uitgescheiden die de druppeltjes van levenskrachtig zweet omzetten in grotere druppels, die dan in eivormige lichamen uitgroeiden waarin de menselijke foetus zich gedurende een jaar of meer ontwikkelde.

Zie ook Wortelras, Tweede